ECLI:NL:RBDHA:2025:26405

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 23 _ 7896
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag Bpm en verzoek om vergoeding immateriële schade

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 3 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser en de inspecteur van de Belastingdienst over een naheffingsaanslag voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm). De eiser had eerder een bedrag van € 6.489 aan Bpm voldaan voor de registratie van een Alfa Romeo Giulia en € 4.515 voor een Jeep Wrangler Unlimited Sahara. De Belastingdienst handhaafde de naheffingsaanslag na bezwaar, waarop de eiser beroep instelde. Tijdens de zitting op 25 september 2025 heeft de rechtbank de argumenten van beide partijen gehoord. De rechtbank oordeelde dat de herleidingsmethode die de eiser voorstelde niet aansluit bij het wettelijk systeem voor de waardevermindering van Bpm voor gebruikte auto’s. De rechtbank heeft vastgesteld dat de taxatierapporten van de eiser gebrekkig zijn en niet bruikbaar voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. De rechtbank heeft de naheffingsaanslag voor de Alfa Romeo Giulia verminderd van € 4.677 naar € 3.852, terwijl de naheffingsaanslag voor de Jeep Wrangler ongegrond werd verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank heeft de proceskosten van de eiser vastgesteld op € 1.814 en veroordeelt de Belastingdienst en de Staat tot betaling van de vergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 23/7896 en SGR 23/7900

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaken tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de Staat (de Minister van Veiligheid en Justitie),

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting Bpm opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025.
Namens eiser is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1], mr. [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3].

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 24 augustus 2022 ter zake van de registratie van een Alfa Romeo Giulia (auto 1) op aangifte een bedrag van € 6.489 aan Bpm voldaan. De datum van eerste toelating van auto 1 is 5 juli 2021.
2. Eiser heeft 20 mei 2022 ter zake van de registratie van een Jeep Wrangler Unlimited Sahara (auto 2) op aangifte een bedrag van € 4.515 aan Bpm voldaan. De datum van eerste toelating van auto 2 is 1 juli 2016.
3. In de aangiften is de te betalen belasting berekend op basis van taxatierapporten van [bedrijfsnaam] B.V. In het taxatierapport ter zake van auto 1 is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 74.210 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op €32.000. Hierop heeft de taxateur in mindering gebracht een bedrag van € 9.000 (96,83% van € 9.294,41 aan gecalculeerde reparatiekosten) in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 23.000.
4. In het taxatierapport ter zake van auto 2 is de historische nieuwprijs vastgesteld op € 103.494 (koerslijst AutotelexPro) en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.000 (gemiddelde vraagprijzen -/- 50% marge). Hierop heeft de taxateur in mindering gebracht een bedrag van € 19.500 (87,47% van € 22.292,60 aan gecalculeerde reparatiekosten) in verband met schade aan de auto, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 is bepaald op € 7.500.
5. De RDW heeft op 23 augustus 2022 auto 1 en op 16 mei 2022 auto 2 gekeurd.
6. Eiser heeft op 30 augustus 2022 auto 1 voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport opgemaakt. In het rapport is de historische nieuwprijs van auto 1 vastgesteld op € 75.605, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 40.921 (koerslijst AutotelexPro), en is een bedrag van € 835 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 601 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 1 is bepaald op € 40.320.
7. Eiser heeft op 27 mei 2022 auto 2 voor controle getoond aan DRZ. Van de controle is een rapport opgemaakt. In het rapport is de historische nieuwprijs van auto 2 vastgesteld op € 104.974, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 27.811 (koerslijst AutotelexPro), en is een bedrag van € 2.306 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 1.660 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van auto 2 is bepaald op € 26.151.
8. Verweerder heeft met dagtekening 28 oktober 2022 een bedrag van € 13.831 nageheven:
auto 1: € 11.166 verschuldigde Bpm -/- € 6.489 voldane Bpm: € 4.677
auto 2: € 13.669 verschuldigde Bpm -/- € 4.515 voldane Bpm:
€ 9.154
totaal naheffing: € 13.831.
Verweerder is daarbij uitgegaan van voormelde rapporten van DRZ.
Geschil9. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- of de verschuldigde Bpm bepaald kan worden aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);
- of DRZ deskundig is en of het rapport van DRZ inzake auto 2 voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;
- of het taxatierapport van eiser ter zake van auto 2 terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de schade van auto 2 tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of ten aanzien van auto 2 gebruik kan worden gemaakt van de door eiser in zijn nadere stuk ingediende koerslijst van X-ray;
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
10. Tussen partijen is gelet op het verhandelde ter zitting niet langer in geschil dat de de naheffing voor auto 1 van € 4.677 naar € 3.852 (€ 10.341 verschuldigde Bpm -/- € 6.489 voldane Bpm) dient te worden verminderd.
Beoordeling van het geschil
Herleidingsmethode
11. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet aansluit bij het wettelijk systeem voor de berekening van de waardevermindering van de Bpm voor gebruikte auto’s. [1]
Deskundigheid DRZ
12. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
Taxatierapport auto 2
13. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. [2] Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte.
De rechtbank acht het taxatierapport zodanig gebrekkig dat het om die reden niet bruikbaar is voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport zonder nadere toelichting meer dan 72% van de gecalculeerde reparatiekosten in mindering is gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Verder wordt in het taxatierapport de algemene toestand van de auto als matig aangemerkt, terwijl in het taxatierapport de toestand van de onderdelen van de auto afzonderlijk (technisch, onderstel, carrosserie, interieur en banden) als redelijk is aangemerkt. Daar komt bij dat veel van de schadeposten in het taxatierapport niet door DRZ zijn waargenomen; de auto verkeerde op het moment van schouw door DRZ kennelijk niet meer in dezelfde staat als ten tijde van de opname door de taxateur van eiser. De rechtbank acht verder nog van belang dat eiser geen inkoopfactuur van de auto heeft ingebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van het taxatierapport van eiser.
Schade auto 2
14. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
Koerslijst X-ray auto 2
12. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat van de door hem ingebrachte koerslijst van X-ray dient te worden uitgegaan. In die koerslijst is een historische nieuwprijs van € 108.776 en een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 22.565 opgenomen.
13. De rechtbank stelt voorop dat voor de hoogte van de afschrijving de bewijslast op eiser rust. Aangezien zijn taxatierapport niet kan dienen, kan de afschrijving niet op basis van de taxatiemethode plaatsvinden. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval afschrijving op basis van de koerslijstmethode kan plaatsvinden en tot een lagere heffing leidt. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in dit geval twee deskundigen een verschillend bedrag aan opties in aanmerking hebben genomen. In de door DRZ gebruikte koerslijst is een bedrag van € 3.770 aan opties in aanmerking genomen, terwijl in de koerslijst van X-ray van een veel hoger bedrag aan opties, namelijk van
€ 5.660, is uitgegaan. Eiser heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven. Daarnaast had DRZ de beschikking over het SilverDAT VIN-informatie Rapport van de auto en heeft dit ook bij het rapport gevoegd. Bovendien verschilt de X-ray koerslijst ten opzichte van de auto op het punt van de CO2-uitstoot. Aanpassing van een koerslijst kan niet binnen de koerslijstmethode. Aangezien naheffing had kunnen plaatsvinden op basis van de forfaitaire tabel is de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
14. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bedrag van de naheffing ten aanzien van auto 2 niet te hoog is vastgesteld.
Slotsom
15. Het vorenstaande brengt mee dat het beroep tegen de naheffing ter zake van auto 1 (SGR 23/7896) gegrond dient te worden verklaard en dat het beroep tegen de naheffing ter zake van auto 2 (SGR 23/7900) ongegrond dient te worden verklaard. De naheffingsaanslag dient als volgt te worden verminderd:
- naheffing auto 1 (zie r.o. 10) € 3.852
- naheffing auto 2 (zie r.o. 8 en 14)
€ 9.154
Totaal naheffingsaanslag: € 13.006.
Immateriële schade
16. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 22 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 10 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna twaalf maanden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, rekent de rechtbank de overschrijding voor de helft aan de bezwaarfase toe en voor de helft aan de beroepsfase.
17. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. [3] Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 500 door verweerder te worden vergoed en € 500 door de Staat.
Proceskosten
18. Nu het beroep tegen de naheffing ter zake van auto 1 (SGR 23/7896) gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht ter zitting het standpunt ingenomen dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Eiser heeft namelijk pas op 15 september 2025, tien dagen voor de zitting, een koerslijst overgelegd op basis waarvan verweerder tegemoet komt. Dat de naheffingsaanslag nu pas wordt verminderd, komt dus niet door een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de naheffing van auto 1 (SGR 23/7896) gegrond;
- verklaart het beroep tegen de naheffing van auto 2 (SGR 23/7900) ongegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover dat betrekking heeft op de naheffing van auto 1;
- vermindert de naheffingsaanslag tot € 13.006;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade toe;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134.
2.Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
3.Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.