Overwegingen
1. Eiser heeft op 13 september 2022 op aangifte een bedrag van € 1.085 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Vollkswagen Golf 2.0 TSI 4Motion (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 18 december 2019.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [taxateur] (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 5 september 2022 plaatsgevonden. In de aangifte is een historische nieuwprijs van € 68.115 en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 5.000 aangegeven. Volgens de aankoopfactuur heeft eiser de auto gekocht voor € 26.700. Het taxatierapport is niet ingevuld. Volgens een bijlage bij het taxatierapport met daarop een kolom “Taxatie” bedraagt de handelsinkoopwaarde € 35.942 en is de auto schadevrij. In een andere bijlage is een bedrag van € 10.015,56 aan reparatiekosten gecalculeerd.
3. De auto is op 7 september 2022 door de RDW gekeurd.
4. Eiser heeft op 15 september 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 15 september 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 66.084, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde op € 36.125 (koerslijst AutotelexPro) en is een bedrag van € 3.178 aan schade aannemelijk geacht. Van dat schadebedrag is € 2.288 (72%) in aanmerking genomen, waardoor de handelsinkoopwaarde van de auto is bepaald op
5. Verweerder heeft met dagtekening 17 november 2022 een bedrag van € 5.645
(€ 6.730 verschuldigde Bpm -/- € 1.085 voldane Bpm) nageheven. De naheffingsaanslag is vastgesteld aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat die gunstiger is voor eiser dan de berekening van DRZ..
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil:
- of de verschuldigde Bpm kan worden bepaald aan de hand van de herrekende bruto Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode);
- of DRZ deskundig is en of het rapport van DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;
- of het taxatierapport van eiser terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of gebruik kan worden gemaakt van de door eiser in zijn nadere stuk ingediende koerslijst;
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
7. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de zogenoemde hetleidingsmethode slagen niet, omdat de herleidingsmethode niet aansluit bij het wettelijk systeem voor de berekening van de waardevermindering van de Bpm voor gebruikte auto’s.
8. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het taxatierapport van eiser niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport - behoudens de gecalculeerde reparatiekosten en de foto’s - niet is ingevuld en onduidelijk is hoe van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 35.942 naar de aangegeven waarde van € 5.000 wordt gekomen. Bovendien is de in aanmerking genomen schade grotendeels niet geconstateerd door DRZ en is de aangegeven handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 5.000 in tegenspraak met de inkoopfactuur van de auto van € 26.700. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
10. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
11. Tussen partijen is niet meer in geschil dat in dit geval van de door eiser ingebrachte koerslijst van X-ray kan worden uitgegaan en dat uitgaande van die koerslijst de naheffingsaanslag, overeenkomstig het standpunt van eiser, dient te worden verminderd van € 5.645 naar € 5.338.
12. Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en dient de naheffingsaanslag te worden verminderd naar € 5.338.
13. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 23 november 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 18 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2025 uitspraak. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer.
14. De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser zijn aangifte heeft gedaan met een ondeugdelijk taxatierapport, waarbij niet door DRZ geconstateerde schade in aanmerking is genomen en in de aangifte een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 5.000 is opgenomen, terwijl de auto blijkens de inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 26.700 door eiser is gekocht. Nu eiser op basis van een ondeugdelijk taxatierapport heeft geprocedeerd dat, naar hiervoor onder 9. en 10. is overwogen, duidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat (de gemachtigde van) eiser zijn standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Het daadwerkelijke financiële belang bij de procedure, enkel als gevolg van het aansluiten door verweerder bij eisers nieuw ingenomen standpunt in zijn nadere stuk, bedraagt veel minder dan € 1.000. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiser een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
15. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat hij pas vlak voor de zitting de koerslijst van X-ray heeft ingebracht en van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid daarom geen sprake is.
16. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht ter zitting het standpunt ingenomen dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase. Eiser heeft eerst op 15 september 2025, tien dagen voor de zitting, een beroep gedaan op de koerslijstmethode en een koerslijst van X-ray overgelegd. Dat de naheffingsaanslag nu pas wordt verminderd, komt dus niet door een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Aan de enkele stelling van eiser ter zitting dat DRZ kennelijk de koerslijst verkeerd heeft ingevuld, gaat de rechtbank voorbij. Verweerder heeft immers de naheffingsaanslag niet aan de hand van die koerslijst berekend maar aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, omdat dit gunstiger voor eiser was. Bovendien rust op eiser de bewijslast voor de afschrijving en is het niet aan verweerder om alle koerslijsten te controleren en op zoek te gaan naar een koerslijst die tot het meest gunstige resultaat voor de belastingplichtige kan leiden.
17. De rechtbank ziet, anders dan verweerder heeft bepleit, wel aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Hier geldt niet de eis van aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Weliswaar had eiser de koerslijst van X-ray eerder kunnen indienen, maar dit levert nog geen dusdanige strijd met de goede procesorde op dat een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase achterwege dient te blijven.
18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten voor beroep. Deze kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).