ECLI:NL:RBDHA:2025:26407

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.23413
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55e AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep asielaanvraag

Verzoeker diende op 23 september 2023 een asielaanvraag in en stelde op 10 februari 2025 beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep gegrond en gaf verweerder een beslistermijn. Verweerder stelde verzet in tegen deze uitspraak, waarna verzoeker op 23 mei 2025 een tweede beroep instelde. De rechtbank verklaarde het verzet gegrond en het eerste beroep niet-ontvankelijk wegens te vroege ingebrekestelling. Verweerder besloot alsnog op de aanvraag op 24 september 2025. Verzoeker trok het tweede beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding, welke door verweerder werd afgewezen.

De rechtbank overwoog dat het tweede beroep ontvankelijk zou zijn geweest indien het niet was ingetrokken, omdat verzet geen schorsende werking heeft. Echter, door het gegrond verklaren van het verzet en het niet-ontvankelijk verklaren van het eerste beroep, was ook het tweede beroep niet-ontvankelijk. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

De uitspraak werd gedaan door rechter J. de Gans en griffier A. Duijf, zonder zitting, en is openbaar bekendgemaakt op 19 december 2025.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat het tweede beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23413

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Procesverloop

Op 23 september 2023 heeft verzoeker een asielaanvraag ingediend.
Op 10 februari 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag (hierna: het eerste beroep).
In de uitspraak van 24 maart 2025 (NL25.6252) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zestien weken na bekendmaking van de uitspraak een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser.
Op 6 mei 2025 heeft verweerder tegen deze uitspraak verzet ingediend.
Op 23 mei 2025 heeft verzoeker opnieuw een beroep niet tijdig ingesteld (hierna: het tweede beroep)
Op 28 augustus 2025 heeft deze rechtbank het verzet tegen de uitspraak van 24 maart 2025 gegrond verklaard en is het beroep van eiser van 10 februari 2025 tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:23365).
Op 24 september 2025 heeft verweerder alsnog op de asielaanvraag van verzoeker beslist.
Bij bericht van 25 september 2025 heeft verzoeker het beroep van 23 mei 2025 ingetrokken en de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft bij brief van 14 oktober 2025 laten weten geen aanleiding te zien om proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser het tweede beroep te vroeg heeft ingesteld. Verweerder had immers verzet ingediend tegen de uitspraak van 24 maart 2025 waardoor deze uitspraak toen nog niet in rechte vaststond.
4. De rechtbank overweegt dat op het moment dat eiser het tweede beroep instelde zij nog geen uitspraak had gedaan op het verzet van verweerder. Tot de uitspraak op het verzet had verweerder zich dus te houden aan de nadere beslistermijn die de rechtbank bij uitspraak van 24 maart 2025 had bepaald. Dat verweerder tegen deze uitspraak verzet heeft ingediend maakt dit niet anders, omdat het doen van verzet geen schorsende werking heeft (artikel 8:55e, tweede lid, van de Awb). Als het tweede beroep niet zou zijn ingetrokken had de rechtbank dit beroep dus ontvankelijk geacht.
5. Op 28 augustus 2025 heeft deze rechtbank het verzet gegrond verklaard waardoor de uitspraak van 24 maart 2025 is komen te vervallen. Bij diezelfde uitspraak heeft de rechtbank het eerste beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat hij de ingebrekestelling te vroeg heeft ingediend. Eiser heeft daarna geen nieuwe ingebrekestelling ingediend zodat ook het tweede beroep niet-ontvankelijk is. Het verzoek om vergoeding van de proceskosten moet dus worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.