ECLI:NL:RBDHA:2025:26409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/09/686435 / HA ZA 25-506
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 7:764 lid 2 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen onderhoud warmtekrachtinstallatie wegens wanprestatie en onrechtmatigheid

ECS verrichtte vanaf april 2021 onderhoud aan een warmtekrachtinstallatie (WKK) van [gedaagde]. De overeenkomst liep tot 12 jaar of 120.000 draaiuren, met mogelijkheid tot opzegging bij wanprestatie. [gedaagde] zegde de overeenkomst op wegens ernstige tekortkomingen in het onderhoud, met name het niet tijdig verhelpen van storingen en het niet vervangen van een kapotte lekbak die olielekkages veroorzaakte.

ECS vorderde betaling van openstaande facturen, een contractuele boete wegens opzegging en schadevergoeding voor het niet laten uitvoeren van een revisie. [gedaagde] vorderde terugbetaling van betaalde onderhoudskosten, vaststelling van aansprakelijkheid voor milieuschade door olielekkage en vergoeding van schade door conservatoir beslag.

De rechtbank oordeelde dat ECS ernstig tekort is geschoten in haar verplichtingen, waardoor [gedaagde] de overeenkomst rechtsgeldig kon opzeggen zonder schadeplichtig te zijn. De contractuele boete en schadevergoeding werden afgewezen. De vorderingen tot betaling van facturen werden afgewezen wegens onvoldoende specificatie en bewijs. De vorderingen van [gedaagde] tot terugbetaling en schadevergoeding werden eveneens afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De proceskosten werden verdeeld: ECS werd veroordeeld tot betaling van de kosten in conventie, [gedaagde] in reconventie. Het vonnis werd op 24 december 2025 gewezen door mr. P.M. de Keuning.

Uitkomst: Alle vorderingen van partijen worden afgewezen wegens wanprestatie ECS en onvoldoende onderbouwing, met proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/686435 / HA ZA 25-506
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
ENGINE COMPETENCE SERVICES B.V.te Drogeham, gemeente Achtkarspelen,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. M.W. Renzen,
tegen
[gedaagde] ’S B.V.te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. D. Tap.
Partijen worden hierna ECS en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 12 mei 2025, met producties 1 tot en met 18;
  • de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 19 tot en met 21;
  • het tussenvonnis van 8 oktober 2025, waarin een mondelinge behandeling is bevolen;
  • de nadere producties 13 tot en met 18 van [gedaagde] .
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op
14 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft van de mondelinge behandeling aantekeningen gemaakt.

2.De feiten

2.1.
ECS heeft vanaf april 2021 het onderhoud verricht aan een warmtekrachtinstallatie (WKK) die [gedaagde] in haar kwekerij gebruikt als energievoorziening voor het telen van paprika’s. Daarnaast heeft ECS in 2021 ook een levensduur verlengende onderhoudsbeurt aan de WKK voor ongeveer € 100.000,- uitgevoerd.
2.2.
De WKK had ruim 60.000 draaiuren op het moment waarop de WKK in onderhoud kwam bij ECS. De looptijd van de tussen partijen op 1 april 2021 gesloten overeenkomst voor preventief en correctief onderhoud (hierna: de overeenkomst) is ‘12 jaar of maximaal 120.000 draaiuren, wat het eerste komt’. Vroegtijdige beëindiging bij 80.000 draaiuren was (slechts) mogelijk bij substantieel gewijzigde marktomstandigheden waarbij exploitatie van de WKK niet meer rendabel zou zijn.
2.3.
In de overeenkomst is onder meer bepaald:
“6.3 Elk van Partijen is gerechtigd deze Overeenkomst met onmiddellijke ingang (…) tussentijds geheel of gedeeltelijk op te zeggen indien zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen:
(…)
(e) de andere Partij is gedurende ten minste 15 kalenderdagen in verzuim wegens het niet nakomen van enige betalingsverplichting op grond van artikel 5; of
(f) de andere Partij schiet ernstig toerekenbaar tekort in de nakoming van haar verplichtingen op grond van deze Overeenkomst, en de gevolgen van dit tekortschieten niet worden opgeheven door de andere Partij binnen 30 kalenderdagen nadat zij hiertoe door de in dit artikel 6.3 eerstgenoemde Partij schriftelijk is aangemaand.
(…)
6.6
Bij enige opzegging met inachtneming van het bepaalde in artikel 6.3 is Opdrachtgever – voor zover zij de in dat artikel genoemde andere Partij is – aan ECS een boete verschuldigd ter grootte van 35% van de gedurende twee volledige kalenderjaren aan Opdrachtgever in rekening gebrachte of te brengen vergoedingen op basis van het minimale aantal draaiuren zoals vermeld in artikel 5.1. (…)”
2.4.
In bijlage 1 bij de overeenkomst is beschreven op welke onderdelen van de WKK de diensten uitsluitend betrekking hebben. Ook zijn de onderdelen beschreven die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van de diensten, waaronder olieopslag en de daarbij behorende vulinstallatie. Verder is in die bijlage onder meer vermeld:
“De Diensten omvatten:
Onderhoud: het verrichten van zowel preventief onderhoud (…) als correctief (onvoorzien) onderhoud aan de Motor overeenkomstig de Specificaties, met inbegrip van de levering van alle daarvoor benodigde Onderdelen (…).
Helpdesk: terbeschikkingstelling van een helpdesk die 24 uur per dag en 7 dagen per week op het op het Voorblad vermelde nummer bereikbaar is voor technische adviezen en ondersteuning in geval van enige storingen aan de Motor.
Bijzonderheden: (…)
- de ondersteuning via de 24-uurs helpdesk is beperkt tot storingen waarvan de oorzaak door middel van een diagnose en adviezen op afstand (...) kunnen worden achterhaald of verholpen; (…)
- buiten kantooruren (…) en op feestdagen is de 24-uurs helpdesk uitsluitend bestemd voor kritische storingen; (…)
- in geval van kritische storingen zal ECS binnen 4 uur na ontvangst van de melding van Opdrachtgever één of meer pogingen (laten) ondernemen tot het verhelpen van de storing via toegang op afstand;
- in geval van kritische storingen die niet via toegang op afstand binnen 12 uur na ontvangst van de melding van Opdrachtgever kunnen worden verholpen, zal ECS een servicetechnicus op het Bedrijfsadres inzetten;
- ECS staat er op geen enkele wijze voor in dat de hierboven omschreven reactietijden van 4 en 12 uur kunnen worden gehaald indien Opdrachtgever niet al haar verplichtingen op grond van artikel 2 tijdig Pro en volledig nakomt. (…)”
2.5.
De overeenkomst berust op een offerte, die door [gedaagde] is geaccordeerd en waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Onze aanbieding bestaat uit twee delen, namelijk draaiuren onderhoud (…) met ingangsdatum
1 april 2021. En daarnaast uitvoering van een toestandsafhankelijke levensduurverlenging beurt gepland in het 2e kwartaal 2021. (…) Na uitvoering van de levensduurverlenging beurt kan de WKK volgens fabrikant richtlijnen weer mee tot 80.000 uren. Bij 80.000 draaiuren wordt een complete werkplaatsrevisie uitgevoerd (uitgesloten in de draaiuren overeenkomst), waarna de WKK weer 60.000 uren verder kan. (…)
Levensduurverlenging revisie en werkplaatsrevisie:
(…) Bij circa 80.000 uren is in 2024/2025 - gebaseerd op circa 5.000 draaiuren per jaar - de totaalrevisie in de ECS werkplaats gepland. Hierbij wordt de complete motorgenerator gedemonteerd en getransporteerd naar de ECS werkplaats in Noord Nederland. Na deze complete revisie inclusief modificatie van de distributie kan de WKK weer 60.000 uren op locatie ingezet worden. Indicatieve kosten op basis van eerdere (na) calculaties voor een JMS616 bedragen € 350.000 - € 375.000,- exclusief BTW.”
2.6.
Per e-mail van 5 augustus 2024 heeft ECS [gedaagde] over de werkplaatsrevisie bij 80.000 draaiuren onder meer bericht:
“Zoals toegezegd vorige week heb ik budgetcalculaties uitgewerkt (prijspeil 2024 - en bij opdracht in 2024) voor de aanstaande grote 80k revisie. (…) Is het een idee dit nog kort met elkaar te bespreken deze week welke optie het beste bij jullie past? Dan kan ik een complete offerte uitwerken en desgewenst een genset reserveren. (…)”
2.7.
[gedaagde] is niet akkoord gegaan met de onder 2.6 bedoelde geoffreerde bedragen (die lagen tussen de € 450.000,- en € 738.000,-).
2.8.
In een e-mail van 7 november 2024 van ECS aan [gedaagde] is onder meer het volgende vermeld (met de reactie van [gedaagde] daarop, voor zover hier van belang, van 25 november 2024 cursief weergegeven):
“Zoals vanmiddag besproken loopt het onderhoudsovereenkomst 12 jaren of 120.000 uren wat het eerste komt vanaf 15 maart 2021. De door jullie aangegeven opzegging wegens ontevredenheid over communicatie en opvolging grofweg de laatste 2 jaren (na vertrek [naam 1] ) over met name storingen kunnen wij dan ook niet accepteren. Daarbij heeft ECS de volgende verbeteringen in gang gezet:
• Onderhouds Codinox en Coditheen door DH-controls vanaf 1/1/2025 (is zeer naar tevredenheid van [gedaagde] )
• Vanaf medio 2022 heeft ECS een nieuwe Lekbak (huidiger is lek en niette repareren) laten maken voor de WKK van [gedaagde] om lekkage koelwater en olie te vermijden (ligt bij ECS op voorraad). Kosten van levering en plaatsing hiervan zijn voor rekening van [gedaagde] . In goed overleg met [gedaagde] is tot heden besloten om deze lekbak te plaatsen tegelijk met de uitvoering van de 80k revisie medio 2025 wegens substantieel lagere kosten. ECS heeft vanmiddag nogmaals aangeboden om deze lekbak desgewenst eerder tijdens de net aangevangen teeltwisseling te willen plaatsen (onder voorbehoud beschikbaarheid personeel).
Dit is bij ons niet bekend? En waarom zou de klant moeten opdraaien voor de kosten van een lekbak die tijdens de onderhoudsperiode lek gaat??
• Per 1/10/2024 is [naam 2] als nieuwe project/servicemanager de nieuwe
eindverantwoordelijke man voor werkvoorbereiding en planning. ECS gaat ervan uit, dat jullie
ontevredenheid over oplossen storingen daarmee structureel zal verbeteren. (…)
Wij vinden dat jullie hier wel heel erg makkelijk mee omgaan, ten eerste moet het nog maar gebeuren dat jullie service niveau op een acceptabel niveau terugkomt en wat dit ons de laatste jaren gekost heeft aan veel te veel onnodige en veel te laat opgeloste storingen stopt niet bij 50.000
euro. Het ergste vinden wij nog dat er doodleuk op vrijdag wordt gezegd bij een storing, we sturen maandag ochtend meteen een monteur jullie kant op, kortom, kosten liggen bij de klant van een weekend niet kunnen draaien. Wij zijn altijd bereidt geweest om kleine storingen zelf op te lossen, maar als wij hiertoe belemmerd worden omdat na meerdere verzoeken een
simpel blik bougees niet op voorraadt kan zijn en wij deze zelf moeten halen in moordrecht gaan wij nooit begrijpen. Storingsnummer die geregeld niet bereikbaar is, krijg een bericht terug, (Bel je zo)
Binnen welk Termijn bel je ons terug?? - na zelf weer bellen na een later tijdstip.
Koelvloeistof lekkages van de laatste periode (opgelost 29-10-2024 - 30-10-2024)
Deze lopen al ruim een jaar, (Welke bekend zijn bij jullie en gemeld zijn door oa jullie
eigen monteurs. Dit heeft de motor ook in een onnodige slechtere status gebracht en met veel onnodige extra uitval van de motor ( Koelwaterdruk te hoog, dan weer te laag, Motor bijvullen, motor ontluchten Etc). De Wkk wordt bij hoge uitzondering op verzoek van klant schoongemaakt,
Het is wkk onwaardig hoe deze erbij staat en hier mee omgegaan wordt.
Ik stel voor binnenkort samen met [naam 2] een vervolggesprek te plannen.”
2.9.
Per e-mail van 7 februari 2025 is namens [gedaagde] aan ECS onder meer bericht:
“Vanmiddag hebben we overleg gehad omtrent de problemen met het onderhoud van de WKK JMS 61 6 van [gedaagde] . In 2023 en 2024 is er diverse keren overleg geweest over het nakomen van afspraken over onderhoud. Al meerdere keren is beterschap beloofd. Op 7/11 is er een overleg geweest met [naam 3] waarin beterschap werd beloofd, (zie mail van [naam 3] van 7-11-2024). Nu 3 maanden later hebben we geconstateerd dat er wederom veel problemen zijn geweest met storingen, die, net als daarvoor te laat worden opgevolgd (meer dan 24 uur na het doorgeven is er pas een monteur op locatie). Monteurs worden gestuurd voor een olie wissel, zonder dat zij daarvoor de benodigde onderdelen bij zich hebben. Daarnaast blijkt er telkens dat er onvoldoende mankracht is om storingen en onderhoud tijdig op te lossen, (zie app historie van [naam 4] ). In de 1e 3 weken van januari is de gevolgschade al opgelopen tot meer dan € 21000,-. Al met al is hiermee het vertrouwen gedaald tot onder het nulpunt. Daarom herhaalt [gedaagde] hierbij dat zij willen stoppen met dit onderhoudscontract na het behalen van de 80.000 uur voor de huidige motor. En gaan zij een onderhoudscontract aan met Jenbacher voor de nieuwe motor. Wij zien bovenstaande problemen in het onderhoud als eenzijdige contractbreuk vanuit ECS op het onderhoudscontract.”
2.10.
Bij dat bericht is een bijlage gevoegd, waarop onder meer is vermeld dat storingen zijn geconstateerd op 2, 6, 15 en 17 januari 2025 en de klachten over de diensten van ESC, waaronder de klacht dat ECS pas na 24 uur een monteur beschikbaar had, waardoor de WKK meermaals langdurig – en een aantal keren nodeloos – uitgeschakeld moest worden.
Daarnaast is vermeld:
“Dan heb ik het nog niet eens over de afschuwelijke vieze staat van de wkk gehad, olielekkage waar zelfs jullie eigen personeel pallets moeten neerleggen om een beetje fatsoenlijk te kunnen lopen en werken. Nieuwe olieplekken die telkens weer ontstaat op de motor. Als ecs vindt ik dat jullie je moeten schamen (…) 24 september 2024 is [naam 3] bij ons op het bedrijf geweest om diverse problemen te bespreken die wij ondervonden aan de service en de wkk, [naam 3] heeft toegegeven dat er inderdaad de laatste jaren tijdens dat [naam 5] op de planning zat het niet gelopen is zoals het hoort te gaan en beloofde beterschap door middel van het aannemen van een nieuwe planner die alles weer op de rit zou moeten krijgen. [naam 3] was hier erg enthousiast over dat dit weer goed moest komen. (…) Tot mijn stomme verbazing hoorde ik via via weken later dat deze man inmiddels alweer weg was bi] ECS. (…) Waarom moeten wij dit via via horen en niet via [naam 3] of Ecs zelf??? (…) dus helaas weer terug bij af en niks verbeterd binnen de organisatie. (…)”
2.11.
In een e-mail van 10 februari 2025 van ECS aan [gedaagde] is onder meer vermeld:
“Wij zijn zoals in mijn mail van 7 november 2024 aangegeven (doorlopend) intensief doende om verbeteringen in de uitvoering van het onderhoud aan de WKK's door te voeren. Daartoe is vervangend [naam 1] als eerste aanspreekpunt voor alle werkzaamheden/storingen WKK [gedaagde] aangesteld vanaf 1 januari 2025 (naast zijn taak voor onderhoud van de Codinox installatie van [gedaagde] ) vanuit ECS. De monitoring en sturing en opvolging onderhoud en storingen door [naam 1] wordt nog verder geïntensiveerd. Contractueel hebben ECS en [gedaagde] een overeenkomst, die zoals al geschreven in mijn mail van 7 november die doorloopt tot 2031. Deze overeenkomst is inclusief uitvoering van een 60.000 uren revisie (bij 80k). ECS heeft hiervoor meerdere voorstellen gedaan (en uitvoerig toegelicht) voor uitvoering in de zomer van 2025. Er is op geen enkele wijze sprake van contractbreuk door ECS. Als [gedaagde] contractbreuk pleegt, zal ECS op basis van de contractuele afspraken de derving draaiurenomzet en derving marge 60k revisie volledig in rekening brengen. (…).”
2.12.
In reactie op dit bericht heeft [gedaagde] ECS per e-mail van diezelfde dag gemeld de revisie bij 80.000 draaiuren niet door ECS te zullen laten uitvoeren en daarnaast de overeenkomst op te zeggen per 23 juni 2025. In dat e-mailbericht is verder vermeld:
“Zoals wij ook in ons vorige gesprek en onze vorige mail hebben aangegeven gaan wij ook stoppen met het onderhoudscontract met ingang van 23 juni 2025. De reden is meermaals besproken en bij jullie bekend en heeft ook in de laatste periode geen verbetering gebracht. Wij verwachten tevens ook dat de lekbak door jullie op jullie kosten nog wordt geleverd omdat de huidige lekbak al 4 jaar lek is en dit bij jullie bekend was en is en door jullie zelf is doorgeschoven.”
2.13.
In een e-mail van 16 maart 2025 van ECS aan [gedaagde] is vermeld:
“Het staat jullie natuurlijk vrij om met Jenbacher in zee te gaan. Weet wel dat wij een draaiuren-overeenkomst hebben (120 maanden of 120.000 draaiuren, wat het eerste komt en een totaalrevisie op 80.000 draaiuren), die wij tot nu toe gewoon zijn nagekomen. Voor de totaalrevisie hebben we diverse concrete voorstellen gedaan en met jullie besproken. Moet ik jullie e-mail zo begrijpen dat de overeenkomst tegen 23 juni a.s. is opgezegd? En dat de totaalrevisie door Jenbacher wordt uitgevoerd? Jullie begrijpen dat bij tussentijdse opzegging wij de overeengekomen vergoedingen en gemiste marge in rekening zullen brengen? Ik verneem graag van jullie.”
2.14.
In een e-mail van 21 maart 2025 van [gedaagde] aan ECS is vermeld:
“Dit contract zullen we inderdaad beëindigen per 23 juni. We voelen ons daaraan niet meer gehouden. Zoals veelvuldig met jou besproken is het geleverde werk niet volgens de afspraken in het contract (te vaak overschrijdingen van reactietijden zoals eerder aangegeven in gesprekken en via de mail). We zien dit dus ook niet als contractbreuk vanaf onze kant, maar contractbreuk vanuit ECS.
Reviseren van de bestaande WKK was sowieso geen onderdeel van genoemde overeenkomst.”
2.15.
Van april 2021 tot het moment van opzegging heeft [gedaagde] voor onderhoud totaal ruim € 500.000,- aan ECS betaald. Dat betreft € 400.000,- aan onderhoudskosten en
€ 100.000,- wegens de in 2021 uitgevoerde levensduur verlengende onderhoudsbeurt.
2.16.
ECS heeft de volgende facturen aan [gedaagde] verzonden:
- een factuur van 28 februari 2025 voor € 15.473,49 (incl. btw), met als omschrijving

Draaiuren [gedaagde] stand: 77226 -77782 Opnamedatum: 28-02-2025
Draaiuren [gedaagde] Zal worden herberekend na definitieve indexatie’(hierna: factuur 1);
- een factuur van 24 maart 2025 voor € 68.183,50 (incl. btw), met als omschrijving ‘
Afkoop draaiurencontract volgens art. 6.6’(hierna: factuur 2);
- een factuur van 24 maart 2025 voor € 164.461,71 (incl. btw), met als omschrijving ‘
Marge revisiekosten calculatie 80.000 uren (volgens mailopgave aan [gedaagde] 15/8/24) basiskosten 80.000 uren revisie € 468.993,11 x 25% marge plus 25% verwacht meerwerk van totaal € 298.727,80 x 25% marge)’(hierna: factuur 3);
- een factuur van 31 maart 2025 voor € 13.358,40 (incl. btw), met als omschrijving
‘Draaiuren [gedaagde] stand: 77782 -78262 Opnamedatum: 31-03-2025
Draaiuren [gedaagde] Zal worden herberekend na definitieve indexatie’(hierna: factuur 4).
2.17.
[gedaagde] heeft de facturen onbetaald gelaten.
2.18.
Op 14 april 2025 heeft (de advocaat van) ECS aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd tot betaling van de openstaande facturen. ECS heeft hierbij, voor zover nodig, de overeenkomst opgezegd (op grond van bepaling 6.3 aanhef en onder e). [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van deze facturen bij brief van 23 april 2025 betwist.
2.19.
ECS heeft op 30 juni 2025 een factuur op basis van de overeenkomst gestuurd voor een bedrag van € 7.681,08 (incl. btw) (hierna: factuur 5), die eveneens onbetaald is gelaten.
2.20.
In mei 2025 heeft ECS – met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank – ten laste van [gedaagde] conservatoir beslag laten leggen.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
ECS vordert, samengevat en na wijziging van eis, [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot betaling van € 384.942,06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 381.859,67, en daarnaast tot betaling van de (na)kosten en kosten van gelegde beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
ECS legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag:
- [gedaagde] is op grond van de overeenkomst nog € 36.512,97 (facturen 1, 4 en 5) verschuldigd wegens verricht onderhoud;
- [gedaagde] is wegens opzegging van de overeenkomst (“afkoop”) de contractuele boete verschuldigd van € 68.183,50 (factuur 2) op grond van artikel 6.6 van de overeenkomst. ECS heeft de overeenkomst vervolgens zekerheidshalve zelf ook opgezegd en vordert – wanneer de opzegging door [gedaagde] in rechte geen stand houdt – betaling van de boete op grond van de artikelen 6.3 onder e en 6.6 van de overeenkomst;
- [gedaagde] dient de door ECS geleden schade wegens het niet afnemen van de werkplaatsrevisie bij 80.000 draaiuren te voldoen op grond van artikel 7:764 lid 2 BW Pro. ECS heeft deze schade na verzending van factuur 3 herberekend en vordert ter zake van deze post € 277.163,21;
- ECS vordert tot slot naast betaling van de facturen (totaal € 381.859,67) betaling van
€ 3.082,39 aan buitengerechtelijke incassokosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- ECS te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van € 410.270,56 inclusief btw ter zake van de betaalde onderhoudsfacturen vanaf april 2021 tot de einddatum van het contract, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente;
- te verklaren voor recht dat ECS aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het lekken van olie uit de WKK in de bodem, met veroordeling van ECS tot vergoeding van die schade (waaronder de kosten van het vaststellen van de omvang van de verontreiniging en van het herstel daarvan), nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontstaan van de schade;
- te verklaren voor recht dat ECS aansprakelijk is voor de in goede justitie te bepalen schade als gevolg van het gelegde conservatoir beslag;
- ECS te veroordelen in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. ECS heeft de WKK zodanig slecht onderhouden dat zij alles wat uit hoofde van de overeenkomst aan haar is betaald (ruim € 400.000,-) terug moet betalen, op grond van onverschuldigde betaling, dan wel na ontbinding ontstane ongedaanmakingsverbintenissen, dan wel wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Ook dient ECS de door [gedaagde] geleden schade (voor bodemsanering en mogelijke boetes wegens milieuvervuiling) te vergoeden als gevolg van het jarenlang laten voortbestaan van de situatie waarin sprake was van olielekkages in combinatie met een kapotte lekbak.
3.7.
ECS voert verweer.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
Wanprestatie ECS
4.1.
De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag of [gedaagde] de overeenkomst heeft kunnen opzeggen per 23 juni 2025 wegens wanprestatie door ECS.
4.2.
Op grond van de in artikel 6.3 onder f van de overeenkomst bedoelde situatie kan [gedaagde] de overeenkomst opzeggen zonder schadeplichtig te worden. Daarvoor is vereist dat ECS ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat de gevolgen van dit tekortschieten niet door ECS konden worden opgeheven binnen 30 kalenderdagen nadat zij hiertoe schriftelijk is aangemaand.
Niet snel genoeg verhelpen van storingen
4.3.
Volgens [gedaagde] is met name niet snel genoeg gereageerd door ECS op meldingen van storingen van de WKK, waardoor [gedaagde] schade heeft geleden. ECS heeft dat betwist.
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Een WKK verbruikt gas en produceert elektriciteit, warmte en CO2. De opgewekte elektriciteit wordt door [gedaagde] deels terug geleverd aan de energieleverancier en deels zelf verbruikt. Niet in geschil is dat wanneer de WKK buiten gebruik is, dat lagere opbrengsten uit stroomverkoop voor [gedaagde] betekent. [gedaagde] heeft dus belang bij het zo spoedig mogelijk herstellen van storingen.
4.5.
ECS heeft een 24-uurs helpdesk die voor kritische storingen ook buiten kantooruren en op feestdagen bereikbaar is. De overeenkomst bepaalt dat in geval van kritische storingen binnen vier uur na ontvangst van de melding zal worden geprobeerd de storing op afstand te verhelpen. Wanneer de kritische storing niet binnen twaalf uur na ontvangst van de melding is verholpen, zal ECS een servicetechnicus op het bedrijfsadres inzetten. [gedaagde] mocht verwachten dat het inzetten van een technicus in dat laatste geval en bij iedere vorm van storing die zorgde voor een lagere opbrengst, ook zo spoedig mogelijk zou gebeuren en ECS moest dat begrijpen.
4.6.
[gedaagde] stelt dat het regelmatig (langer dan) een dag duurde voordat een monteur werd langs gestuurd bij een storing. [gedaagde] vindt dit niet acceptabel en stelt dat zij de hoofdprijs heeft betaald voor het onderhoud, namelijk ruim € 400.000,- voor onderhoud van de WKK gedurende vier jaar (van 2021 tot medio 2025), naast de in 2021 uitgevoerde revisie van € 100.000,-. [gedaagde] stelt dat zij gelet daarop een uitstekende en snelle dienstverlening en perfect onderhouden WKK mocht verwachten en dat zij geen genoegen hoeft te nemen met de slechte tot matige dienstverlening en het traag verhelpen van (de vele) storingen, met schade voor [gedaagde] tot gevolg.
4.7.
Vaststaat dat de WKK in maart 2024 maar liefst tien dagen (van 10 tot 18 maart 2024) buiten gebruik was voordat een probleem met de WKK door ECS was verholpen. ECS heeft ter zitting verder niet betwist dat het verhelpen van storingen niet altijd op korte termijn is gebeurd en heeft verklaard dat zij zeventig motoren in onderhoud heeft, zodat het bij meerdere storingen tegelijkertijd een dag kan duren voordat er een monteur kan worden langs gestuurd.
4.8.
Zoals uit de hiervoor onder 2 aangehaalde berichten volgt, was in ieder geval vanaf 7 november 2024 bij ECS bekend dat [gedaagde] ontevreden was over de wijze (en met name de termijn) waarop storingen van de WKK werden opgelost. ECS deelde [gedaagde] mee ervan uit te gaan dat de ontevredenheid van [gedaagde] over het oplossen van storingen met een nieuwe project-/servicemanager ( [naam 2] ) structureel zou verbeteren en stelde voor een vervolggesprek met [naam 2] te plannen. Nadat [gedaagde] kennis met deze [naam 2] had gemaakt, vernam zij begin 2025 via derden dat hij alweer bij ECS was vertrokken. [gedaagde] vroeg ECS waarom zij hierover niet door ECS was geïnformeerd. ECS liet vervolgens weten intensief doende te zijn om verbeteringen in de uitvoering van het onderhoud aan de WKK’s door te voeren en meldde dat daartoe vanaf 1 januari 2025 een vervangend eerste aanspreekpunt ( [naam 1] ) voor alle werkzaamheden/storingen aan de WKK bij [gedaagde] was aangesteld. De monitoring, sturing en opvolging onderhoud en storingen zouden volgens ECS door [naam 1] ‘nog verder worden geïntensiveerd’. Als intensivering nodig is, is de dienstverlening kennelijk (nog) niet op een gewenst niveau. [gedaagde] bleef ontevreden en meldde ECS op 7 februari 2025 dat er in 2023 en 2024 meermaals overleg is geweest over het nakomen van afspraken over onderhoud en dat er – ondanks beloofde beterschap – opnieuw veel problemen met te laat opgevolgde storingen waren tussen 7 november 2024 en 7 februari 2025. [gedaagde] heeft dit onderbouwd met onder meer productie 15, waarin onder meer is vermeld:
“15-01-2025 13:32 - [naam 1] Wkk Wkk Co2 Storing: Okee prima ik kan [naam 6] morgenochtend sturen
15-01-2025 13:32 - [naam 1] [
namens ECS] Wkk Wkk Co2 Storing: [naam 7] ziek
15-01-2025 13:32 - [naam 1] Wkk Wkk Co2 Storing: [naam 8] is er niet
15-01-2025 13:32 - [naam 1] Wkk WkkCo2 Storing: Niemand beschikbaar vandaag
15-01-2025 13:35 - [naam 4] [
namens [gedaagde]]: Sjonge jonge
15-01-2025 13:35 - [naam 4] : Jij niet toevallig ruimte?
15-01-2025 14:23 - [naam 1] Wkk Wkk Co2 Storing: Helaas niet
16-01-2025 08:24 - [naam 1] Wkk Wkk Co2 Storing: Hij staat bij jou”.
4.9.
Op 21 maart 2025 heeft [gedaagde] de overeenkomst uiteindelijk opgezegd per
23 juni 2025 en gemeld dat het geleverde werk, zoals veelvuldig besproken, niet volgens de afspraken is verricht.
4.10.
Uit de stukken kan worden afgeleid dat zich herhaaldelijk storingen voordeden. Het herhaaldelijk niet op zo kort mogelijke termijn een monteur sturen bij een storing kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een ernstig toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van ECS. Ondanks herhaaldelijke besprekingen en e-mails hierover is geen verbetering opgetreden. De aanvankelijk in november 2024 door ECS aangedragen oplossing (het aanstellen van een nieuwe servicemanager waardoor de ‘ontevredenheid van [gedaagde] structureel zou moeten verbeteren’) bleek geen duurzame adequate oplossing. Ook nadien is niet gebleken van een wezenlijke verbetering. Door ECS is onvoldoende gemotiveerd weersproken dat storingen niet telkens op een zo kort mogelijke termijn zijn opgelost. De stelling van ECS ter zitting dat sprake is van 95% ‘overall beschikbaarheid’ is op geen enkele wijze onderbouwd.
4.11.
Artikel 6.3 onder f van de overeenkomst vereist een schriftelijke aanmaning met een termijn van 30 dagen. Vooropgesteld wordt dat het niet tijdig verhelpen van storingen niet kan worden hersteld en dat in zoverre nakoming blijvend onmogelijk is. Voor zover een ingebrekestelling voor het intreden van verzuim hier nodig is, geldt het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het wat betreft de in artikel 6:82 en Pro 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim niet zozeer gaat om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om in de gevallen dat partijen – zoals meestal – zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht (vgl. HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, rov. 3.2.1-3.2.2). Nu [gedaagde] in dit geval meermaals tijdens gesprekken en per e-mail heeft uitgesproken waarover zij ontevreden was en daarin de beloofde verbetering niet optrad, moet ECS naar het oordeel van de rechtbank worden geacht voldoende gelegenheid te hebben gehad om haar prestaties – met name het op korte termijn verhelpen van storingen – te verbeteren tot het niveau dat [gedaagde] mocht verwachten, met name gezien de prijs die zij voor het onderhoud betaalde en het feit dat storingen zorgen voor een lagere opbrengst van stroomverkoop/schade bij [gedaagde] .
Olielekkage
4.12.
Daar komt het volgende bij. ECS heeft een kapotte lekbak voor opvang van olie niet vervangen, terwijl deze vanaf 2021 lek is.
4.13.
In de als productie 19 door ECS overgelegde werkbonnen – waarvan de eerste dateert van 7 mei 2021 en de laatste van 30 juni 2025 – is herhaaldelijk lekkage van de lekbak en de noodzaak tot vervanging genoemd:
- 3 augustus 2021: “olielek van de lekbak.”
- 26 augustus 2021: “lekbak lek.”
- 11 april 2023: “motor, lekbak (…) vies.”
- 4 juli 2023: “restpunten: lekbak moet vervangen worden.”
- 6 oktober 2023: “vloer smerig door de afvalbak die lek is. Graag deze vv. Vloer schoongemaakt. Afvalbak leeg gemaakt en terug gezet met olie doeken eronder. Graag bij onderhoud alle filters gewoon meenemen om dit te kunnen voorkomen. Restpunten: lekbak vervangen en oude ophalen.”
- 1 november 2023: “bij aankomst vloer in de motor zat onder olie. Dat als eerste schoongemaakt zodat er een looppad was. Meer olie blijft eronder uit komen.”
- 4 juni 2024: “ook gelijk kijken naar de lekbak. (…) Graag in de gaten houden.”
- 16 juni 2025: “lekbak lek en stroomt olie van lekkende koeler naar buiten. Advies [bedrijfsnaam 2] huren laten reinigen en lekbak vv.”
4.14.
ECS heeft ter zitting (voor het eerst) verklaard dat de lekbak al lek was op het moment waarop zij de WKK in onderhoud kreeg. Voor zover dat ECS van de plicht zou ontslaan de lekbak te vervangen, geldt het volgende. ECS heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien is lekkage van de lekbak voor het eerst genoemd in de werkbon van 3 augustus 2021 en niet in de vier daaraan voorafgaande bonnen (van
7 mei 2021 tot en met 23 juni 2021). Dat past niet bij de stelling dat de lekbak vanaf aanvang kapot was.
4.15.
ECS heeft verder aangevoerd dat het vervangen van de lekbak niet behoort tot haar verplichtingen, althans dat de lekbak niet behoort tot de motor en/of de onderdelen van de WKK. ECS stelt dat zij in 2022 een nieuwe lekbak heeft gemaakt waarover met [gedaagde] is afgesproken deze te plaatsen tijdens de revisie bij 80.000 draaiuren (in 2024/2025). Die afspraak zou zijn gemaakt omdat de WKK bij vervanging van de lekbak een paar dagen uit moet staan wat tot extra kosten voor [gedaagde] zou leiden.
4.16.
[gedaagde] heeft dat uitdrukkelijk betwist. Namens [gedaagde] is ter zitting verklaard dat zij ruim € 500.000,- voor onderhoud aan ECS heeft betaald en dat het gelet daarop vreemd zou zijn dat zij zou hebben ingestemd met het jarenlang (tot revisie bij 80.000 draaiuren in 2024/2025) wachten met vervanging van een kapotte lekbak, die bestemd is voor de opvang van olie (met alle mogelijke gevolgen van dien). Ook heeft [gedaagde] verklaard dat de WKK iedere winter een paar weken uit staat, zodat vervanging in ieder geval dan had kunnen plaatsvinden. Werkbonnen (waarin vervanging van de lekbak meermaals is geadviseerd) zijn aan [gedaagde] nooit verstrekt; de heer [naam 3] heeft dat namens ECS desgevraagd ter zitting bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat ECS de gestelde afspraak over vervanging van de lekbak – na gemotiveerde betwisting – onvoldoende heeft onderbouwd. Uit niets blijkt dat een dergelijke afspraak zou zijn gemaakt. Integendeel, uit de onder 2.8 geciteerde berichten (van november 2024) volgt dat [gedaagde] niet op de hoogte was van een in 2022 gemaakte lekbak en afspraak daarover.
4.17.
De (door [gedaagde] betwiste) stelling dat vervanging van de lekbak niet tot de verplichtingen van ECS zou behoren, kan ECS niet baten. Volgens ECS is in bijlage 1 bij de overeenkomst ‘
olieopslag en bijbehorende vulinstallatie’ uitgesloten. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien dat een lekbak daaronder valt. De diensten die onder de overeenkomst vallen, omvatten onder meer ‘
onderhoud, preventief en correctief’. ‘
Correctief onderhoud’ omvat ook ‘
reparatie en vervanging van onderdelen’. Onderdelen zijn in de overeenkomst als volgt gedefinieerd: ‘
alle bij de uitvoering van deze overeenkomst nieuwe, gerepareerde of gereviseerde onderdelen, materialen en andere zaken voor de motor.’ Een lekbak is niet genoemd onder uitdrukkelijk van de overeenkomst uitgesloten onderdelen. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat vervanging van de lekbak onder de op grond van de overeenkomst te verrichten onderhoudswerkzaamheden viel. De stelling dat vervanging van de lekbak niet tot de verantwoordelijkheden van ECS zou behoren, wordt derhalve gepasseerd. [gedaagde] heeft ook terecht opgemerkt dat de stelling van ECS dat zij al in 2022 een nieuwe lekbak voor [gedaagde] zou hebben gemaakt, zich niet verhoudt met de stelling dat het vervangen van de lekbak niet onder de contractuele onderhoudsverplichtingen van ECS zou vallen.
4.18.
Het niet vervangen van een lekbak voor olie terwijl al vanaf augustus 2021 bij ECS bekend was dat die kapot was en moest worden vervangen, vormt – mede gelet op de mogelijke gevolgen daarvan, nu onweersproken is gesteld (en uit de werkbonnen volgt) dat herhaaldelijk sprake was van onder meer olielekkages – ook een ernstig toerekenbare tekortkoming die opzegging van de overeenkomst rechtvaardigt. Het onder 2.12 bedoelde bericht waarin [gedaagde] (in februari/maart 2025) verzoekt de lekbak voor 23 juni 2025 te vervangen, is te beschouwen als (de op grond van artikel 6.3 onder f vereiste schriftelijke) ingebrekestelling.
Conclusie ten aanzien van factuur 2
4.19.
Op grond van het voorgaande heeft [gedaagde] de overeenkomst kunnen opzeggen op grond van artikel 6.3 onder f van de overeenkomst, zonder schadeplichtig te worden. Dat betekent dat de vordering voor zover die ziet op factuur 2 niet toewijsbaar is. Overigens is deze factuur (wegens ‘
afkoop draaiurencontract op grond van art. 6.6’) hoe dan ook ten onterechte aan [gedaagde] verzonden op 24 maart 2025, nu [gedaagde] op dat moment de partij was die had opgezegd en dus niet ‘
de andere Partij’ als bedoeld in artikel 6.3 onder f (en evenmin aan voorwaarden van 6.3 onder a tot en met e was voldaan).
Conclusie ten aanzien van factuur 3
4.20.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] gehouden is de revisie bij 80.000 draaiuren door ECS te laten uitvoeren. ECS vordert in verband met het mislopen van die opdracht de schade die zij daardoor stelt te hebben geleden (€ 277.163,21). De rechtbank overweegt hierover als volgt. In de onder 2.5 bedoelde offerte is vermeld dat deze bestaat uit twee delen, namelijk (1) draaiuren onderhoud en (2) een levensduurverlenging beurt in 2021 voor € 100.000,-. Vervolgens is weliswaar een complete werkplaatsrevisie bij 80.000 draaiuren beschreven, maar die lijkt niet onder de in de offerte beschreven twee delen te vallen. Bovendien is de daarvoor in 2024 uitgebrachte offerte niet door [gedaagde] geaccordeerd. Voor zover [gedaagde] met het ondertekenen van de offerte geacht moet worden akkoord te zijn gegaan met het uitvoeren van de revisie bij 80.000 draaiuren door ECS, geldt het volgende. Nu de overeenkomst rechtsgeldig door [gedaagde] is opgezegd wegens wanprestatie van ECS, is artikel 7:764 lid 2 BW Pro niet van toepassing, zodat een beëindigingsvergoeding als in dat artikel(lid) bedoeld dan ook niet aan de orde is. [gedaagde] is niet (meer) gehouden de revisie bij 80.000 draaiuren door ECS te laten uitvoeren. De vordering die ziet op gestelde schade wegens het niet laten uitvoeren van een revisie bij 80.000 draaiuren door ECS is daarom evenmin toewijsbaar.
Conclusie ten aanzien van facturen 1, 4 en 5
4.21.
Hoewel tussen partijen niet in geschil is dat tot eind juni 2025 werkzaamheden door ECS aan de WKK zijn verricht, zal ook dit deel van de vordering worden afgewezen. Daartoe wordt het volgende overwogen. ECS heeft twee facturen overgelegd:
- een factuur van 28 februari 2025 (€ 15.473,48) met opnamedatum: 28-02-2025 en
- een factuur van 31 maart 2025 (€ 13.358,40) met opnamedatum: 31-03-2025.
Op die facturen is de stand van de draaiuren vermeld evenals de zin ‘
Zal worden herberekend na definitieve indexatie’. Of die herberekening nog moet plaatsvinden is onduidelijk. Ook ontbreekt een specificatie van werkzaamheden zodat onduidelijk is op welke werkzaamheden de facturen zien. Er zijn bijvoorbeeld geen werkbonnen overgelegd van maart 2025, terwijl die op grond van de genoemde opnamedata wel aanwezig zouden moeten zijn. Namens ECS is ter zitting verklaard dat er niet meer werkbonnen zijn dan de overgelegde werkbonnen (productie 19 van ECS). Waar het gevorderde bedrag van
€ 13.358,40 voor maart 2025 op ziet is onduidelijk. Uit alle werkbonnen valt niet af te leiden waarop de verzonden facturen zien. Bij de conclusie van antwoord in reconventie is tot slot nog een derde factuur voor van 30 juni 2025 (€ 7.681,08) toegevoegd, eveneens zonder toelichting of specificatie. Bij deze stand van zaken kan ook dit deel van de vordering niet worden toegewezen. Ook de gevorderde wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke incassokosten en beslagkosten worden afgewezen.
in reconventie
4.22.
De vordering van [gedaagde] ziet op het terugvorderen van (1) (alle) betaalde onderhoudsbedragen en (2) op het vaststellen van aansprakelijkheid voor (milieu)schade als gevolg van wanprestatie/onrechtmatig handelen van ECS. Daarnaast is (3) vergoeding van schade als gevolg van gelegd beslag gevorderd.
Ad (1) Vordering tot terugbetaling onderhoudsfacturen vanaf april 2021
4.23.
[gedaagde] stelt dat het ECS is die alle expertise heeft over de staat van de machine en het onderhoud en dat het aan haar is om aan te tonen dat zij haar onderhoudsverplichtingen is nagekomen. Wanneer ECS daarin niet of deels slaagt, dient zij alles wat ten onrechte is betaald als onverschuldigd betaald aan [gedaagde] terug te betalen. ECS heeft de vordering betwist.
4.24.
De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan [gedaagde] om de aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat slecht of onvoldoende onderhoud is verricht voldoende te onderbouwen. In de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, heeft [gedaagde] gevraagd om werkbonnen en het geven van inzicht over preventief onderhoud. ECS heeft op 10 september 2025 – twee maanden voor de zitting – alle werkbonnen die zijn opgemaakt overgelegd en toegelicht dat preventief onderhoud is verricht. Het lag vervolgens op de weg van [gedaagde] om aan de hand daarvan gemotiveerd en bij voorkeur onderbouwd met een partijdeskundigenbericht, uiteen te zetten waarom ECS tekort is geschoten in haar onderhoudsverplichtingen. Dat heeft zij nagelaten. Ook heeft [gedaagde] niet nader uiteengezet – naar aanleiding van het door ECS gevoerde verweer en aan de hand van de overgelegde werkbonnen – waarom zij meent dat geen of onvoldoende preventief onderhoud is verricht. Dat maakt dat de vordering die strekt tot terugbetaling van onderhoudsfacturen wegens onvoldoende onderhoud niet zal worden toegewezen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat schade als gevolg van verminderde opbrengst uit stroomverkoop niet (expliciet) is gevorderd.
4.25.
De stelling van [gedaagde] dat haar vordering tot terugbetaling van alle onderhoudsfacturen vanaf april 2021 moet worden toegewezen op grond van ongedaanmakingsverbintenissen die zijn ontstaan na ontbinding van de overeenkomst, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de overeenkomst door [gedaagde] niet is ontbonden maar (rechtsgeldig) is opgezegd. De stelling dat haar vordering tot terugbetaling van alles wat wegens onderhoudsfacturen aan ECS is betaald, moet worden toegewezen op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad, leidt evenmin tot een ander oordeel nu die stelling onvoldoende is uitgewerkt en onderbouwd.
Ad (2) Vaststellen van aansprakelijkheid voor (milieu)schade als gevolg van wanprestatie/onrechtmatig handelen van ECS
4.26.
[gedaagde] stelt dat ECS aansprakelijk is voor schade als gevolg van het lekken van olie uit de WKK in de bodem. [gedaagde] vraagt aansprakelijkheid van ECS vast te stellen en vergoeding van schade, nader op te maken bij staat. ECS heeft deze vordering betwist.
4.27.
De rechtbank overweegt als volgt. In een door [gedaagde] overgelegde offerte van [bedrijfsnaam 1] B.V., leverancier van industriële apparatuur (hierna: [bedrijfsnaam 1] ), van
10 juni 2025, waarin een prijs is opgegeven voor vervanging van de lekbak, is vermeld dat vervanging van de lekbak noodzakelijk is om ‘
een dreigend milieudelict te voorkomen’. In een aan [gedaagde] gerichte brief van [bedrijfsnaam 1] van 7 juli 2025 is onder meer vermeld dat [bedrijfsnaam 1] het niet verantwoord vindt om werkzaamheden aan de WKK uit te voeren, zonder dat eerst de oorzaak van de olielekkage en de omvang van mogelijke bodemverontreiniging zijn onderzocht en de grond – indien nodig – is gesaneerd. Ter zitting is namens [gedaagde] verklaard dat de algehele revisie van de WKK bij 80.000 draaiuren inmiddels door een derde partij (Jenbacher) is uitgevoerd en dat een andere motor in de WKK is teruggeplaatst.
4.28.
[gedaagde] heeft nagelaten (verkennend) onderzoek naar vervuiling van de grond te laten verrichten en daarmee haar vordering deugdelijk te onderbouwen. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat daarvoor onvoldoende tijd was en de kosten van indicatief of verkennend onderzoek zijn bovendien ook relatief beperkt. De enkele stelling van [gedaagde] dat mogelijk sprake is van bodemverontreiniging vanwege olielekkages en een langdurig kapotte lekbak is onvoldoende om haar vordering ‘
te oordelen dat ECS aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het lekken van olie uit de WKK in de bodem’ toe te wijzen. Nu geen aansprakelijkheid van ECS kan worden vastgesteld, zal ook de gevraagde verwijzing naar de schadestaatprocedure worden afgewezen.
Ad (3) Schade als gevolg van gelegd beslag
4.29.
[gedaagde] vraagt de rechtbank om te oordelen ‘
dat ECS aansprakelijk is voor de in goede justitie te bepalen schade als gevolg van het gelegde conservatoir beslag’ en stelt dat de schade nader zal worden onderbouwd indien er meer duidelijkheid is over de duur van het beslag en het vervolg van deze procedure. Ook deze vordering zal worden afgewezen nu iedere onderbouwing ontbreekt.
In conventie en in reconventie
Proceskosten
4.30.
ECS zal als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten van [gedaagde] worden begroot op
€ 12.467,- (waarvan € 6.861,- aan griffierecht, € 5.428,- aan salaris advocaat – 2 punten x tarief VI à € 2.714,- per punt – en € 178,- aan nakosten, plus de evt. verhoging zoals vermeld in de beslissing).
4.31.
[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten van ECS worden begroot op
€ 7.182,- (waarvan € 7.004,- aan salaris advocaat – 2 punten x tarief VII à € 3.502,- per punt – en nakosten van € 178,00, plus de evt. verhoging zoals vermeld in de beslissing).
4.32.
Wettelijke rente over de (na)kosten is door partijen niet gevorderd.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt ECS in de proceskosten van € 12.467,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dient ECS € 92,- extra te betalen, plus de kosten van betekening;
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen af;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 7.182,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als niet tijdig aan de veroordelingen wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend, dient [gedaagde] € 92,- extra te betalen, plus de kosten van betekening;
in conventie en in reconventie
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. de Keuning en in het openbaar uitgesproken op
24 december 2025.
2163/3224