Overwegingen
1. Eiser heeft op 2 september 2022 op aangifte een bedrag van € 3.640 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van een Vollkswagen Tiguan 2.0 TSI 4Motion (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 8 december 2020.
2. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Expertise- en Taxatiebureau Bol B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 24 augustus 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 1 september 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 65.881 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 33.302. De taxateur heeft een bedrag van € 25.212 (82% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 30.740,58) als schade aangemerkt en de handelsinkoopwaarde na schade op € 8.090 vastgesteld.
3. De auto is op 24 augustus 2022 door de RDW gekeurd. Hierbij is de CO2-uitstoot van de auto vastgesteld op 186 gr/km NEDC en 225 gr/km WLTP.
4. Eiser heeft op 12 september 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 12 september 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 70.324 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 33.519 (koerslijst X-ray). Hierop is geen waardevermindering toegepast omdat geen schade aan de auto is geconstateerd.
5. Verweerder heeft met dagtekening 4 november 2022 een bedrag van € 10.502
(€ 14.142 verschuldigde Bpm -/- € 3.640 voldane Bpm) nageheven. Verweerder is daarbij uitgegaan van voormeld rapport van DRZ.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.
Meer specifiek is in geschil:
- of meerdere fundamentele beginselen geschonden zijn;
- of de uitspraak op bezwaar is genomen in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (het mandaatverbod);
- of DRZ deskundig is en of het rapport van DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;
- of het taxatierapport van eiser terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of de handelsinkoopwaarde tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
Mandaatverbod en schending fundamentele beginselen
7. Eiser stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [naam 4] , maar dat mag worden aangenomen dat [naam 4] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens eiser kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
8. Dit punt is eerder in meerdere procedures door de gemachtigde aangevoerd. Het is de rechtbank daarom ambtshalve bekend dat [naam 4] ondertekent maar niet de behandelaar van de kennisgeving en de naheffingsaanslag is en verweerder het werkproces standaard zo heeft ingericht dat degene die de naheffingsaanslag vaststelt niet dezelfde persoon is als degene die het bezwaar behandelt. De rechtbank ziet geen aanleiding te veronderstellen dat dat in deze zaak anders is. Er is dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat [naam 5] , die de uitspraak op bezwaar heeft ondertekend, betrokken is geweest bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag. Van schending van artikel 10:3, derde lid, Awb acht de rechtbank geen sprake.
9. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser.Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiser niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport zonder nadere toelichting 82% van de gecalculeerde reparatiekosten in mindering is gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Daar komt bij dat de schadeposten in het taxatierapport niet door DRZ zijn waargenomen; de auto verkeerde op het moment van schouw door DRZ kennelijk niet meer in dezelfde staat als ten tijde van de opname door de taxateur van eiser. Daarnaast heeft de taxateur in een zeer kort tijdsbestek (20 minuten) 83 foto’s gemaakt en de algemene indruk, de technische staat, het onderstel, interieur en banden als goed en de carrosserie als redelijk beoordeeld. Dit is in tegenspraak met de door de taxateur vastgestelde schade van
€ 30.740,58. Verder merkt de rechtbank op dat eiser geen inkoopfactuur van de auto heeft ingebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
11. Nu eiser zich niet op het taxatierapport kan beroepen, heeft eiser daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door verweerder is onderkend. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat één of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. In de verwijzing naar dat beleid ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder of DRZ te weinig schade in aanmerking heeft genomen.
12. Ook de bij de aangifte gevoegde factuur waarop staat “Offerte, diagnose/betaald” van een garagebedrijf ten bedrage van € 19.514,95 acht de rechtbank onvoldoende overtuigend om aannemelijk te achten dat op het moment van de aangifte tot dat bedrag sprake was van schade, anders dan zijnde normale gebruikerssporen, laat staan dat daarmee de gestelde schade tot het gecalculeerde bedrag van € 30.740,58 aannemelijk wordt gemaakt zoals door eiser wordt bepleit. Eiser heeft daartoe ter zitting nog gesteld dat van voormelde factuur de diagnose van € 135 is betaald, dat hij de overige reparaties door een vriend heeft laten uitvoeren en hij deze reparaties in contanten heeft betaald. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft deze stelling niet met nadere bewijsstukken onderbouwd. Zo ontbreken bijvoorbeeld de inkoopfacturen van de voor de reparaties gebruikte materialen. Eiser heeft dan ook met voormelde factuur niet aannemelijk gemaakt dat DRZ ten onrechte geen schade in aanmerking heeft genomen.
13. Eiser stelt subsidiair dat in dit geval van de door DRZ gebruikte koerslijst van X-ray dient te worden uitgegaan en dat daarbij de historische nieuwprijs van de auto dient te worden aangepast naar op € 75.339 (in plaats van € 70.394). In de door eiser voorgestane historische nieuwprijs is de hogere CO2-uitstoot van de auto (225 gr/km WLTP in plaats van 186 gr/km NEDC), en de navenant hogere Bpm, verdisconteerd.
14. Eiser heeft gekozen voor aangifte met een taxatierapport. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht (zie hiervoor onder 10., 11. en 12..), geconstateerd dat het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Eiser kan daarom geen gebruik maken van de taxatiemethode. Indien eiser wil switchen naar de koerslijstmethode, dient hij van een koerslijst van de auto zelf uit te gaan.Verweerder heeft onbetwist gesteld dat er voor deze specifieke auto geen koerslijst met een WLTP-uitstoot beschikbaar is. Het aanpassen van gegevens uit een koerslijst zoals eiser wenst is binnen de koerslijstmethode niet mogelijk. Het wettelijk systeem brengt dan mee dat verweerder in een geval als het onderhavige de naheffingsaanslag vaststelt met inachtneming van het afschrijvingspercentage van de afschrijvingstabel. Verweerder heeft in plaats daarvan een hoger afschrijvingspercentage in acht genomen door bij de vaststelling van de naheffingsaanslag uit te gaan van de door DRZ gebruikte koerslijst van X-ray. De naheffingsaanslag is dan ook eerder te laag dan te hoog vastgesteld.
15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
16. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 10 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met bijna twaalf maanden. Aangezien verweerder op 15 november 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, rekent de rechtbank de overschrijding voor 7/12e deel aan de bezwaarfase toe en voor 5/12e deel aan de beroepsfase.
17. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 583 door verweerder te worden vergoed en € 417 door de Staat.
18. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 procespunt voor het verzoek om vergoeding van immateriële schade met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).Nu de overschrijding van de redelijke beslistermijn aan zowel verweerder als de rechtbank is toe te rekenen, dienen de proceskosten door verweerder en de Staat ieder voor de helft te worden voldaan.
19. Eiser heeft reeds vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn voor bezwaar en beroep op de datum van dat arrest nog niet was overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het betaalde griffierecht aan eiser te laten vergoeden.