ECLI:NL:RBDHA:2025:26412

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 23 _ 6396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm)

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 3 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een eiser, wonende te [woonplaats], en de inspecteur van de Belastingdienst. De eiser had een naheffingsaanslag voor de belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) ontvangen, welke door de inspecteur was gehandhaafd na een bezwaarprocedure. De eiser had een BMW 7 serie 740LI gekocht van een Duitse autohandelaar en had op basis van een taxatierapport van Expertise- & Taxatiebureau Bol B.V. aangifte gedaan van Bpm. De rechtbank heeft het taxatierapport van de eiser buiten beschouwing gelaten, omdat de gemachtigde ter zitting erkende dat het rapport niet waar kon zijn. De rechtbank oordeelde dat de eiser met een ondeugdelijk taxatierapport had geprocedeerd en wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De rechtbank concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar uitgesproken en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/6396

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 september 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025.
Namens eiser is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , mr. [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft op 26 september 2022 een BMW 7 serie 740LI (de auto) voor € 35.300 gekocht van een Duitse autohandelaar. Op de inkoopfactuur staat vermeld dat het een unfallfahrzeug betreft.
2. Eiser heeft op 30 september 2022 op aangifte een bedrag van € 1.784 aan Bpm voldaan ter zake van de inschrijving in het kentekenregister van de auto. De datum van eerste toelating van de auto is 26 februari 2016.
3. In de aangifte is de te betalen belasting voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van Expertise- & Taxatiebureau Bol B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 26 september 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 28 september 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 110.581 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 21.003. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde na schade op € 3.260 (82% van de gecalculeerde reparatiekosten van € 21.636,41 (inclusief € 1.660 ex (wok)schade)) vastgesteld.
4. De auto is op 28 september 2022 door de RDW gekeurd.
5. Eiser heeft op 5 oktober 2022 de auto voor controle getoond aan Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Van de controle is een rapport van 6 oktober 2022 opgemaakt. In dit rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op €127.746 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 23.253 (koerslijst X-ray). Hierop is geen waardevermindering toegepast omdat geen schade aan de auto is geconstateerd. Daarbij is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 291 gr/km.
6. Verweerder heeft met dagtekening 4 november 2022 een bedrag van € 9.625
(€ 11.049 verschuldigde Bpm -/- € 1.784 voldane Bpm) nageheven. Verweerder is daarbij uitgegaan van voormeld rapport van DRZ.
Geschil7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
- of DRZ deskundig is en of het rapport van DRZ voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt;
- of het taxatierapport van eiser terecht van bewijs is uitgesloten;
- of de schade tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of rekening moet worden gehouden met een waardevermindering wegens schadeverleden;
- of de historische nieuwprijs tot het juiste bedrag is vastgesteld;
- of eiser in aanmerking komt voor een vergoeding van immateriële schade.
Beoordeling van het geschil
Deskundigheid DRZ
8. Eiser heeft aangevoerd dat de taxateur van DRZ niet deskundig is. Het staat verweerder vrij om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
Taxatierapport, schade en schadeverleden
9. De bewijslast dat de waardevermindering door schade en schadeverleden, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. [1] Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiële gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiser niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat de gestelde schade niet door DRZ is geconstateerd en de gestelde taxatiewaarde van € 3.260 slechts een fractie is van de aankoopprijs van € 35.200. Voorts is in het taxatierapport zonder nadere toelichting 82% van de gecalculeerde reparatiekosten inclusief een niet nader onderbouwde stelpost van € 1.660 wegens schadeverleden in mindering gebracht. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Daar komt bij dat veel van de schadeposten in het taxatierapport niet door DRZ zijn waargenomen; de auto verkeerde op het moment van schouw door DRZ kennelijk niet meer in dezelfde staat als ten tijde van de opname door de taxateur van eiser. Daarnaast heeft de taxateur in een zeer kort tijdsbestek (20 minuten) 30 foto’s gemaakt en de algemene indruk, de technische staat, het onderstel, interieur, carrosserie als redelijk dan wel goed en de banden als matig beoordeeld. Dit is in tegenspraak met de door de taxateur vastgestelde schade van € 21.636,41. Bovendien wijkt de door eiser betaalde aankoopprijs van € 35.300 aanzienlijk af van de door eiser in aanmerking genomen handelsinkoopwaarden van € 21.003 (onbeschadigd) en € 3.260 (beschadigd). Eiser heeft voor deze grote verschillen geen verklaring gegeven. De rechtbank heeft de gemachtigde ter zitting voorgehouden dat dit rapport niet waar kan zijn, waarop de gemachtigde dit heeft erkend. De rechtbank acht het verwerpelijk dat de gemachtigde bewijs aanbiedt waarvan hij moet weten dat het niet naar waarheid is opgemaakt. De rechtbank laat dit rapport, met overeenkomstige toepassing van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, buiten beschouwing. De taxatiemethode kan niet worden toegepast.
10. Bij toepassing van de koerslijstmethode is geen plaats voor aanpassingen zoals door eiser gewenst. Aangezien van deze specifieke auto geen koerslijst beschikbaar is, had de naheffingsaanslag met toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel moeten worden berekend. De naheffingsaanslag is daarom eerder te laag dan te hoog.
Slotsom
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schade
12. Eiser heeft in zijn beroepschrift van 28 september 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 30 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 3 november 2025 uitspraak. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een vergoeding van immateriële schade als sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer.
13. De rechtbank wijst het verzoek van eiser af. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser zijn aangifte heeft gedaan met een ondeugdelijk en onwaar taxatierapport, waarbij een bedrag van € 21.636,41 aan reparatiekosten zijn gecalculeerd en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 3.260 is opgenomen, terwijl de auto blijkens de inkoopfactuur voor een aanmerkelijk hoger bedrag van € 35.300 door eiser is gekocht. Nu eiser op basis van dit ondeugdelijke taxatierapport heeft geprocedeerd dat, naar hiervoor onder 9. is overwogen, duidelijk niet als bewijs voor de afschrijving van de auto kan dienen, trekt de rechtbank hieruit de conclusie dat (de gemachtigde van) eiser zijn standpunten tegen beter weten in heeft ingenomen. Niet aannemelijk is dat er een reëel procesbelang van € 1.000 of meer speelt. Onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiser een vergoeding van immateriële schade toe te kennen. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. [2]
Proceskosten
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
3 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
2.Vgl. Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.3.