ECLI:NL:RBDHA:2025:26416

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53945 en NL25.53946
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Somalische vreemdeling met vrees voor rekrutering door Al-Shabaab en kenmerken van verwestering

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 22 december 2025 wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Somalische vreemdeling, behandeld. Eiser heeft een derde aanvraag ingediend, waarin hij vrees uit voor rekrutering door Al-Shabaab. De rechtbank oordeelt dat de vrees van eiser niet geloofwaardig is, omdat de nieuw ingebrachte elementen en bevindingen over zijn problemen met Al-Shabaab niet voldoende zijn om de eerdere afwijzingen te weerleggen. De rechtbank stelt vast dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de kenmerken van verwestering van eiser niet leiden tot een reëel risico op vluchtelingschap of ernstige schade. Eiser heeft eerder asielaanvragen ingediend die zijn afgewezen, en de rechtbank concludeert dat de huidige aanvraag kennelijk ongegrond is verklaard op basis van artikel 30b van de Vreemdelingenwet. De rechtbank wijst ook het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen aanleiding is voor het treffen van een dergelijke maatregel. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53945 (beroep)
NL25.53946 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker

V-nummer: [#] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De nieuw ingebrachte elementen en bevindingen over eisers problemen met Al-Shabaab maken zijn vrees voor rekrutering door hen nog niet geloofwaardig. Daarnaast kunnen eisers kenmerken tot verwestering ook niet leiden tot een reëel risico op vluchtelingschap of ernstige schade. Verweerder heeft ook geen AMV [2] -buitenschuld vergunning hoeven te verlenen
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2004. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 december 2025 samen op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond
3. Eiser heeft voor het eerst op 10 september 2019 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is in het besluit van 3 januari 2020 afgewezen als ongegrond. Het beroep daartegen is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, op 13 februari 2020 ongegrond verklaard. [3] Het hoger beroep daartegen is niet-ontvankelijk verklaard bij uitspraak van 18 maart 2020. [4]
3.1.
Eiser heeft op 2 september 2021 een herhaalde asielaanvraag gedaan. Deze aanvraag is in het besluit van 11 november 2021 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep daartegen is op 2 maart 2022 ongegrond verklaard [5] , en het hoger beroep is op 30 maart 2022 ongegrond verklaard. [6]
3.2.
In het besluit van 17 maart 2022 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Op 8 juli 2024 is het beroep daartegen ongegrond verklaard. [7]
3.3.
Eiser heeft op 6 december 2023 zijn derde en huidige asielaanvraag ingediend. Eiser heeft het volgende aan zijn herhaalde asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser vreest voor Al Shabaab, en heeft daarbij benadrukt dat recentelijk zijn broer gewond is geraakt toen er een bom naar hem werd gegooid. Eiser stelt dat dit is gebeurd omdat hij is gevlucht. Eiser vreest vermoord te worden omdat hij zich niet bij hen heeft aangesloten. Eiser heeft ook landeninformatie overgelegd die volgens hem zijn problemen met Al-Shabaab onderbouwen. Eiser stelt ook te verwesterd te zijn omdat hij hier al zo lang verblijft. Aan eisers gedrag en kledingstijl zal te zien zijn dat eiser lang in Europa is geweest. Aan hem zal afvalligheid worden toegedicht. Daarnaast heeft eiser een mening ontwikkeld die tegen vrouwenbesnijdenis is. Eiser stelt verder dat hem een AMV-buitenschuld vergunning moet worden verleend omdat er geen of onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar adequate opvang toen hij nog minderjarig was.
3.4.
Eiser heeft verder de volgende documenten overgelegd:
  • relevante passages EU-AA rapport Somalië;
  • schrijven VVN augustus 2023;
  • Children and armed conflict Somalia (UN);
  • foto's en een video van eisers broer in het ziekenhuis;
  • diploma MBO Assistent installatie en constructietechniek;
  • resultatenlijst Assistent installatie en constructietechniek;
  • ROC Nijmegen inschrijving Bol Niveau 2 Basis technicus voertuigen en mobiele voertuigen d.d. 7 december 2023.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met Al-Shabaab;
kenmerken van verwestering.
Verweerder heeft het eerste en derde asielmotief geloofwaardig geacht, het tweede asielmotief niet.
4.1.
Verweerder heeft de problemen met Al-shabaab om de volgende redenen niet geloofwaardig geacht. Eisers verklaringen tijdens de huidige asielaanvraag borduren voort op zijn problemen met Al-Shabaab. Daarnaast heeft eiser landeninformatie overgelegd die ziet op de aanwezigheid van Al-Shabaab in Mogadishu. Hoewel deze elementen weliswaar nieuw zijn, zijn ze niet relevant voor de beoordeling van eisers asielaanvraag. Verweerder kan namelijk op voorhand uitsluiten dat de door eiser aangedragen elementen en bevindingen kunnen afdoen aan het eerdere besluit.
4.2.
Over de aanval op eisers broer stelt verweerder zich op het standpunt dat in rechte vaststaat dat zijn rekrutering door Al-Shabaab ongeloofwaardig is. Eiser heeft de nu ingebrachte informatie voornamelijk gebaseerd op wat hij van zijn neef heeft gehoord en zijn neef is geen objectieve bron. Daarbij komt dat eiser niet kan onderbouwen wie en waarom deze aanslag op zijn broer zou/zijn hebben gepleegd. Bovendien is niet aannemelijk, gelet op het tijdsverloop, dat Al-Shabaab op die wijze een aanval zou plegen op eisers broer. De foto's en video's geven geen informatie over de verwondingen van de gestelde broer van eiser en wie daarvoor verantwoordelijk is.
4.3.
Over de rekrutering van Al-Shabaab merkt verweerder op dat eiser alleen algemene landeninformatie noemt en in rechte vaststaat dat eiser zelf vaag en summier heeft verklaard over zijn eigen gestelde rekrutering. De overgelegde landeninformatie zien op een andere periode dan de periode waarin eiser stelt dat zijn rekrutering plaatsvond. Uit de landeninformatie blijkt niet dat Al-Shabaab op de door eiser gestelde manier rekruteert in Mogadishu.
4.4.
Verweerder heeft eiser niet als vluchteling aangemerkt. Hoewel wordt aangenomen dat eiser kenmerken van verwestering heeft, is eisers vrees dat hij daardoor als afvallige wordt bestempeld niet aannemelijk. Ten aanzien van eisers geloof stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn geloof nog wel praktiseert, maar minder vaak en alleen wanneer hij wil. Echter blijkt niet dat deze verandering moet worden beschouwd als een wezenlijk onderdeel van eisers religieuze identiteit. Verweerder acht het niet onredelijk om van eiser te verwachten dat hij zich bij terugkeer naar Somalië aan zal passen aan de situatie aldaar. Verweerder acht het ook niet aannemelijk dat eiser wegens zijn opvattingen over vrouwen besnijdenis te vrezen heeft. Eiser heeft niet eerder problemen gehad wegens zijn opvattingen erover en is het niet aannemelijk dat zijn kritische opvattingen een gegronde vrees voor vervolging zullen opleveren. Ten opzichte van de toegedichte afvalligheid is niet gebleken dat eiser eerder problemen heeft gehad vanwege deze kenmerken van verwestering en dat verwacht kan worden dat eiser zich aanpast aan de Somalische context. Eiser heeft ook verder niet aan kunnen geven welk gedrag eiser niet zou kunnen aanpassen en waarom niet.
4.5.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hoewel uit het landenbeleid blijkt dat er voor Mogadishu wordt aangenomen dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, blijkt niet dat er persoonlijke omstandigheden zijn die maken dat juist eiser een verhoogd risico loopt ten opzichte van andere burgers in Mogadishu om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
4.6.
Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g van de Vw omdat het een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.
4.7.
Verweerder heeft verder laten weten dat er voor eiser ten tijde van zijn minderjarigheid sprake was van adequate opvang in Somalië. Het verzoek tot heroverweging van de AMV-buitenschuld vergunning is niet aan de orde, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Toepassing van dit artikel is niet evident onredelijk.
4.8.
Eiser heeft op 17 maart 2022 een terugkeerbesluit gekregen. Eiser is niet teruggekeerd en daarom is dit terugkeerbesluit nog steeds geldig. Aan eiser wordt ook een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Heeft eiser zijn vrees voor Al-Shabaab aannemelijk gemaakt?
5. De rechtbank stelt voorop dat de vrees voor rekrutering van eiser door Al-Shabaab in eerdere besluiten niet geloofwaardig is geacht en dat staat in rechte vast. De rechtbank merkt in deze procedure op dat eiser bij zijn herhaalde aanvraag nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht, namelijk de ingebrachte landeninformatie en de toelichting en beeldmateriaal rondom de gestelde aanslag op zijn broer. Verweerder heeft deze nieuwe elementen en bevindingen echter niet relevant hoeven vinden voor de beoordeling van zijn asielaanvraag omdat de aangedragen elementen en bevindingen niet kunnen afdoen aan het eerdere, in rechte vaststaande, besluit. De rechtbank kan verweerder om de volgende redenen volgen in zijn standpunt.
5.1.
Ten aanzien van de overgelegde foto’s en video’s begrijpt de rechtbank het standpunt van verweerder zo dat daaruit niet kan worden vastgesteld dat het om de broer van eiser gaat en dat daaruit niet kan worden vastgesteld op grond van het beeldmateriaal wat de verwondingen heeft veroorzaakt en wie daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank kan verweerder in die motivering volgen, omdat dat immers niet blijkt uit het beeldmateriaal. De enkele stelling van eiser dat het logischerwijs alleen door Al-Shabaab verricht kan zijn is daartoe onvoldoende. Verweerder heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat uit het overgelegde beeldmateriaal niet is gebleken dat de kans aanzienlijk groter is gemaakt dat eiser voor internationale bescherming in aanmerking komt en dat het niet kan opwegen tegen de besluitvorming in de eerdere procedures.
5.2.
Ten aanzien van de overgelegde landeninformatie stelt de rechtbank vast dat eiser meerdere bronnen heeft overgelegd waarin de algemene situatie van Al-Shabaab in Mogadishu wordt geschetst. De landeninformatie ziet niet op eiser als persoon en ook blijkt niet dat elke jongeman in Mogadishu wordt gerekruteerd. Uit die landeninformatie blijkt dat Al-Shabaab rond Mogadishu rekruteert, en dat eisers stam in het bijzonder vaak wordt gerekruteerd en veel mensen zich ook aansluiten bij Al-Shabaab. Deze landeninformatie dateert uit 2022 en 2023, maar daarin wordt verwezen naar bronnen uit 2017. Daarom is nog niet aannemelijk gemaakt dat eisers gestelde rekrutering, namelijk in 2018, wel geloofwaardig is. Het EUAA-rapport van oktober 2025 [8] ziet voornamelijk op de stam van eiser, de positie van Al-Shabaab en de problemen daaromheen. Echter is dat onvoldoende om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om door Al-Shabaab te worden gerekruteerd. Hier is nog niet aangetoond dat eiser bij terugkeer een groter risico loopt om gerekruteerd te worden. Verweerder heeft in dit kader ook weer kunnen tegenwerpen dat eiser tijdens zijn eerste asielprocedure vaag en summier heeft verklaard over zijn eigen gestelde rekrutering. De landeninformatie is daarom niet relevant voor de beoordeling van eisers asielaanvraag.
Heeft eiser zijn vrees wegens zijn kenmerken van verwestering aannemelijk gemaakt?
6. De rechtbank stelt voorop dat geloofwaardig is geacht dat eiser kenmerken heeft van verwestering. Eiser stelt dat daarmee volgens het EUAA-rapport van oktober 2025 een risicofactor gegeven is, en hij daarom een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. De rechtbank volgt eiser daarin niet en motiveert dat als volgt.
6.1.
Verweerder heeft hierover kunnen opmerken dat, voor zover de verwestering niet ziet op een godsdienste of politieke overtuiging, van eiser aanpassing en terughoudendheid mag worden verlangd. Hoewel kan worden aangenomen dat eiser enige tijd nodig zal hebben om zichzelf aan te passen, waarmee eiser zal opvallen na zijn terugkeer naar Somalië en wellicht problemen zal ondervinden, is niet gebleken dat hij in die korte periode een reëel risico op vervolging of ernstige schade zal ondervinden. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verweerder, hoewel eiser zijn formatieve jaren in Nederland heeft doorgebracht, wel van eiser kan verwachten dat hij zich binnen een relatief korte periode zal kunnen aanpassen in Somalië omdat hij daar het overgrote deel van zijn leven heeft gewoond.
6.2.
Ten aanzien van eisers veranderde houding ten opzichte van het geloof heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser nog steeds de islam praktiseert, en dat de gestelde verandering ook niet beschouwd moet worden als een wezenlijk onderdeel van zijn religieuze identiteit. Van eiser mag daarom op dit onderdeel ook aanpassing worden gevraagd.
6.3.
Ten aanzien van eisers politieke overtuiging heeft eiser enkel naar voren gebracht dat hij een afwijkende mening heeft gekregen rondom vrouwenbesnijdenis. Verweerder heeft daarover kunnen tegenwerpen dat eiser onduidelijk heeft gelaten op welke wijze hij zijn politieke mening zou willen uiten en waarom hij dat zou willen doen. Eiser heeft ook niet met bronnen onderbouwd dat hem afvalligheid zal worden toegedicht als hij zijn mening over vrouwenbesnijdenis uit. Bovendien blijkt dat er meer mensen dezelfde mening als eiser hebben over dit onderwerp, maar niet is gebleken dat hen afvalligheid wordt toegedicht of dat zij hierdoor problemen ondervinden. Verweerder heeft ook in dit kenmerk van verwestering geen reëel risico vluchtelingschap of ernstige schade hoeven zien.
6.4.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser een beroep heeft gedaan op de risicofactoren die volgen uit het EUAA-rapport van oktober 2025. De informatie uit dit rapport is ook niet toegespitst op eisers vrees voor rekrutering. Daarbij heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat de broer van eiser, die behoort tot dezelfde stam, ook niet is gerekruteerd.
6.5.
Gelet op het voorgaande zijn de geloofwaardig geachte kenmerken van verwestering geen relevante feiten of bevindingen die de kans op internationale bescherming voor eiser groter maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder een AMV-buitenschuld vergunning moeten verlenen?
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de AMV-buitenschuld vergunning, los van de vraag of er ten tijde van vertrek adequate opvang was in Somalië, voor eiser niet meer van betekenis is. Deze vergunning heeft namelijk een tijdelijk karakter en is een tijdelijk vangnet zolang de alleenstaande minderjarige vreemdeling buiten zin schuld om niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst en wordt verleend tot het 18e jaar. [9] Voor deze groep bestaat er op termijn geen recht op een niet-tijdelijke verblijfsvergunning. De beroepsgronden die hier op zien kunnen daarom al niet slagen.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Verzoek om een voorlopige voorziening

9. Nu er is beslist op het beroep en dit ongegrond is, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Molenkamp - Lopar, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Alleenstaande minderjarige vreemdeling.
3.NL20.626.
4.Zaaknummer: 202001194/1/V2.
5.NL21.18125.
6.Zaaknummers: 202201456/1/V2 en 202201456/2/V2.
7.NL22.5617.
8.European Union Agency for Asylum, Country Guidance: Somalia (2 oktober 2025),
9.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1530)