ECLI:NL:RBDHA:2025:26438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
C/09/696427 / KG ZA 25-1259
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verbod tot overlevering aan Hongarije in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding waarin [eiser], een Syrische asielzoeker, zich verzet tegen zijn overlevering aan Hongarije. [eiser] heeft van 2014 tot 2021 in Hongarije gewoond en heeft sinds 13 november 2024 een asielvergunning in Nederland. Hij werd op 6 oktober 2025 aangehouden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van de Hongaarse autoriteiten, die hem willen overleveren voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie jaar wegens illegale handel in verdovende middelen. De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft op 18 december 2025 de overlevering toegestaan, maar [eiser] vorderde in kort geding dat de voorzieningenrechter deze feitelijke overlevering zou verbieden. Hij stelde dat Hongarije niet voldoet aan de Europese normen voor een eerlijk proces en dat hij risico loopt op onmenselijke behandeling.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/696427 / KG ZA 25-1259
Vonnis in kort geding van 22 december 2025
in de zaak van
[eiser], verblijvende in het [instelling] ,
eiser,
advocaat mr. B.G.M.C. Peters te Amsterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDENte Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. J. Perenboom te Den Haag.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 6;
- de producties 1 en 2 van de Staat;
- de aanvullende productie 7 van [eiser] ;
1.2.
Op 22 december 2025 is de mondelinge behandeling in deze zaak gehouden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van een pleitnota. De voorzieningenrechter heeft op diezelfde dag door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 31 december 2025.

2.De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiser] heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft van 2014 tot in ieder geval 2021 in Hongarije gewoond. [eiser] heeft daarna asiel aangevraagd in Nederland en hij heeft sinds
13 november 2024 een asielvergunning voor bepaalde tijd.
2.2.
Op 6 oktober 2025 is [eiser] aangehouden in Nederland vanwege een signalering in het Schengen-informatiesysteem afkomstig van de Hongaarse autoriteiten. Diezelfde dag heeft de rechter-commissaris van de rechtbank Amsterdam de bewaring van [eiser] bevolen, in afwachting van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
2.3.
Op 8 oktober 2025 heeft het openbaar ministerie een EAB van de Hongaarse autoriteiten ontvangen. Het EAB strekt tot aanhouding en overlevering van [eiser] voor de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van drie jaar die bij uitspraak van 10 november 2023 door het Hoofdstedelijk Gerechtshof van Boedapest (‘Budapest-Capital Regional Court’) aan [eiser] is opgelegd voor illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
2.4.
De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (hierna: de IRK) heeft bij uitspraak van 18 december 2025 de door Hongarije verzochte overlevering toegestaan. De IRK heeft – kort gezegd – geoordeeld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de Overleveringswet (OLW), dat een detentiegarantie is verstrekt, dat een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 sub d OLW (hierna: verzetgarantie), dat geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en dat geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De IRK heeft de overlevering daarom toegestaan.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
primair
- de feitelijke overlevering van [eiser] naar Hongarije weigert, omdat Hongarije in strijd handelt met Europese regelgeving waardoor onvoldoende garantie geboden wordt op eerlijk proces conform artikel 6 EVRM en onvoldoende bescherming geboden wordt tegen het risico onderworpen te worden aan onmenselijke of vernederende behandeling;
subsidiair
- de feitelijke overlevering van [eiser] naar Hongarije opschort, totdat Hongarije na oordeel van het Europese Parlement weer voldoet aan de minimale Europese normen en waarden, waarbij ten minste voldaan wordt aan het bieden van een juridische procedure die doeltreffende rechtsbescherming biedt tegen gedwongen verwijdering en/of refoulement, met inbegrip van kettinguitwijzingen;
- [eiser] per direct in vrijheid stelt;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
3.2.
[eiser] voert daartoe het volgende aan. Bij de executie van het EAB loopt [eiser] een reëel risico op schending van zijn recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel
6 EVRM en artikel 47 EU-Handvest en riskeert hij te worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM en artikel 4 EU-Handvest. Ten eerste heeft de IRK niet onderzocht of de door Hongarije verstrekte verzetgarantie een papieren garantie is en daarmee is onduidelijk of [eiser] in Hongarije daadwerkelijk een rechtsmiddel kan instellen tegen zijn veroordeling. De uitspraak van de IRK berust op dit punt op een juridische misslag. Daarnaast is het in het licht van de door [eiser] aangedragen argumenten onbegrijpelijk dat de IRK geen algemeen reëel gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces heeft aangenomen. Tot slot loopt [eiser] het risico om na afloop van zijn strafzaak of gevangenisstraf door Hongarije zonder deugdelijke procedure te worden uitgezet naar Syrië of Servië. Deze te verwachten schending van het Europese recht valt niet onder het toetsingskader van de overleveringsprocedure bij de IRK en [eiser] heeft daarom geen enkele rechtsbescherming tegen deze dreigende uitzetting. Op de Staat rust de verplichting om [eiser] , die een verblijfsstatus heeft in Nederland, te beschermen tegen de schending van zijn fundamentele rechten.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

4.1.
In dit kort geding moet worden beoordeeld of aanleiding bestaat om de feitelijke overlevering van [eiser] naar Hongarije (tijdelijk) te verbieden. De voorzieningenrechter stelt bij die beoordeling voorop dat de IRK van de rechtbank Amsterdam door de wetgever is aangewezen als de rechterlijke instantie voor de behandeling van overleveringsverzoeken in het kader van een EAB. Daarbij kunnen alle aspecten van de overlevering aan de orde komen; er is – anders dan bij uitlevering – sprake van een integrale behandeling. De procedure heeft te gelden als een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 EVRM. De IRK heeft de overlevering van [eiser] aan Hongarije toegestaan. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een partij die zich niet kan verenigen met een rechterlijke beslissing alleen tegen die beslissing kan opkomen door het aanwenden van een rechtsmiddel, tenzij die mogelijkheid in de wet is uitgesloten. Artikel 29, lid 2, OLW bepaalt dat geen ander rechtsmiddel dan cassatie in het belang der wet openstaat tegen de uitspraak van de IRK.
4.2.
De inhoud van het vonnis van de IRK geldt daarom als uitgangspunt in dit kort geding. De overleveringsrechter heeft alle aspecten van de zaak van [eiser] inhoudelijk beoordeeld, waaronder de door Hongarije geboden verzetgarantie, de door [eiser] aangekaarte zorgen over de Hongaarse rechtsstaat en de mogelijke vreemdelingenrechtelijke gevolgen van de overlevering aan Hongarije. De IRK is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat overlevering van eiser aan Hongarije is toegestaan. Zoals de Staat terecht naar voren heeft gebracht, is voor de voorzieningenrechter geen rol weggelegd om die aspecten opnieuw te beoordelen.
4.3.
Voor een verbod op feitelijke overlevering bestaat alleen grond als de uitspraak van de IRK klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag of als na die uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor de opgeëiste persoon op basis waarvan (onverwijlde) tenuitvoerlegging van die uitspraak niet aanvaardbaar is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarvan niet gebleken. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.
4.4.
[eiser] stelt ten eerste dat het vonnis van de IRK berust op een (juridische) misslag, omdat de IRK zonder nader onderzoek tot uitgangspunt heeft genomen dat de Hongaarse verzetgarantie onvoorwaardelijk is. De voorzieningenrechter volgt [eiser] daarin niet. De IRK heeft geoordeeld geen redenen te zien om aan te nemen dat de door Hongarije geboden verzetgarantie niet onvoorwaardelijk is. Bij dat oordeel heeft de IRK onder andere de door [eiser] gemaakte vergelijking met (de tekst van) de Roemeense verzetgaranties meegewogen en toegelicht waarom die vergelijking niet opgaat. De voorzieningenrechter acht deze motivering van de IRK navolgbaar en niet is gebleken dat dit oordeel berust op een kennelijke misslag.
4.5.
Verder voert [eiser] aan dat – anders dan de IRK heeft geoordeeld – wel degelijk sprake is van een reëel gevaar dat het grondrecht op een eerlijk proces in de zin van artikel 47 EU-Handvest in de kern wordt aangetast. Dat blijkt volgens [eiser] uit de resolutie P10_TA(2025)0283 van het Europees Parlement en het rapport van de IND naar aanleiding van het verhoor van [eiser] op 22 januari 2024. [eiser] miskent echter dat hij deze argumenten al aan de orde heeft gesteld bij de procedure bij de IRK. De IRK heeft deze argumenten (al dan niet impliciet) meegewogen bij de beslissing. Door een en ander in dit kort geding nogmaals aan de orde stellen vraagt [eiser] de voorzieningenrechter om een herbeoordeling, en daarmee is sprake van een verkapt hoger beroep. De voorzieningenrechter gaat daarom aan deze stellingen van [eiser] voorbij.
4.6.
[eiser] stelt tot slot dat hij na afloop van zijn strafzaak of gevangenisstraf door Hongarije waarschijnlijk zonder deugdelijke procedure zal worden uitgezet naar Syrië of Servië. Omdat de IRK de vreemdelingrechtelijke consequenties van de overlevering niet kan toetsen, ontbreekt het [eiser] aan rechtsbescherming tegen die dreigende uitzetting en riskeert hij een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 EU-Handvest, aldus [eiser] . Ook dit betoog gaat niet op. Nog daargelaten of eventuele vreemdelingrechtelijke gevolgen na overlevering een weigeringsgrond opleveren, heeft de IRK dit aspect wel degelijk meegewogen bij haar beoordeling. Dat volgt uit onderdeel 3.1 van haar uitspraak, waarin de IRK verwijst naar haar oordeel (in onderdeel 5.1) dat geen sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van het recht op een eerlijk proces in Hongarije en dat de IRK daarom niet toekomt aan het verweer van [eiser] dat ziet op eventuele vreemdelingrechtelijke maatregelen zonder eerlijk proces die mogelijk aan de orde komen na zijn overlevering naar Hongarije. De IRK heeft het verweer van [eiser] dus beoordeeld, maar daarin kennelijk geen grond gezien om de overlevering te weigeren of nader onderzoek te (laten) verrichten. Daarmee is niet gebleken dat het [eiser] op dit onderdeel aan rechtsbescherming heeft ontbroken.
4.7.
[eiser] heeft in dit kader nog een beroep gedaan op een dreigende schending van artikel 3 EVRM, onder verwijzing naar het eindrapport ‘De Dublinverordening in de praktijk’ van mei 2025. Uit dit rapport van de IND volgt dat sinds 2015 geen vreemdelingen meer worden overgebracht naar Hongarije vanwege onmenselijke leefomstandigheden. Voor zover in dit kort geding nog ruimte bestaat voor (marginale) toetsing van dit aspect – [eiser] had dit rapport immers ook in de procedure bij de IRK kunnen inbrengen – staat dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg aan de overlevering. Zoals de Staat terecht heeft aangevoerd, wordt [eiser] immers niet op grond van de Dublinverordening naar Hongarije teruggestuurd, maar wordt hij aan Hongarije overgeleverd op basis van een EAB dat strekt tot tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. De IRK heeft de overlevering op basis van het EAB getoetst en de overlevering toegestaan.
4.8.
Slotsom is dat niet kan worden aangenomen dat de uitspraak van de IRK klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of dat na die uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand hebben doen ontstaan voor [eiser] die meebrengen dat (onverwijlde) overlevering niet aanvaardbaar is.
4.9.
De voorzieningenrechter rest dus niets anders dan de vorderingen af te wijzen.
4.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 1.999,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst de vorderingen van [eiser] af;
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00 (te weten griffierecht € 714,00, salaris advocaat € 1.107,00, nakosten € 178,00 (plus na te melden verhoging);
- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
- veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
fjs