ECLI:NL:RBDHA:2025:26441

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
C/09/684668 / HA ZA 25-384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inzage in nalatenschap door mede-erfgenaam

In deze zaak vordert eiser, een zoon van de erflaatster, inzage in de stukken van de nalatenschap van zijn moeder, die op [dag] 2021 is overleden. De erflaatster was gehuwd met gedaagde, die als executeur van de nalatenschap optreedt. Eiser stelt dat hij recht heeft op deze informatie om de omvang van de nalatenschap te kunnen beoordelen. Gedaagde heeft eerder aan eiser medegedeeld dat de andere kinderen al zijn uitbetaald en dat hij bereid is om informatie te verstrekken, maar heeft dit tot nu toe niet gedaan. De rechtbank oordeelt dat eiser als erfgenaam recht heeft op inzage in de stukken die relevant zijn voor de beoordeling van de nalatenschap. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser toe en legt gedaagde een dwangsom op voor het geval hij niet aan de veroordeling voldoet. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer: C/09/684668 / HA ZA 25-384
Vonnis van 31 december 2025
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
hierna te noemen: ‘ [eiser] ’,
advocaat: mr. P.M. Boiten,
tegen
[gedaagde] en QQ, in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster]te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: ‘ [gedaagde] ’,
advocaat: mr. J.C. Herweijer.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 2 april 2025, met producties 1 tot en met 6;
  • de conclusie van antwoord, zonder producties;
  • het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Daarbij zijn verschenen namens [eiser] mr. Boiten voornoemd en [gedaagde] bijgestaan door mr. Herweijer voornoemd. [eiser] was niet aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken.
1.3.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

Inleiding, feiten en omstandigheden die niet in geschil zijn
2.1.
Op [dag] 2021 is overleden mevrouw [erflaatster] (‘erflaatster’).
2.2.
Erflaatster was ten tijde van haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde] . Erflaatster is eerder gehuwd geweest en heeft vier kinderen uit die huwelijken. [eiser] is een van haar kinderen.
2.3.
Erflaatster heeft bij testament van 12 november 1996 over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft zij [gedaagde] benoemd tot executeur en bepaald dat voor de tenuitvoerlegging van het testament Nederlands (erf)recht van toepassing zal zijn. In het testament heeft erflaatster aan [gedaagde] gelegateerd:
  • het recht van vruchtgebruik van het gedeelte van de nalatenschap dat hij niet als erfgenaam heeft verkregen; en
  • alle roerende en onroerende zaken die hij verkiest, zulks tegen inbreng van de waarde in de nalatenschap.
2.4.
[eiser] heeft [gedaagde] verzocht informatie te verschaffen over de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflaatster.
2.5.
[gedaagde] heeft notaris mr. A.M.C. van Steenderen bezocht, waarna deze notaris bij e-mailbericht van 7 februari 2025 aan (de advocaat van) [eiser] heeft geschreven dat een ander notariskantoor werkzaamheden heeft verricht zonder dat een verklaring van erfrecht is opgemaakt, dat de andere drie kinderen reeds zijn uitbetaald en dat [gedaagde] heeft gezegd dat hij [eiser] een overzicht van de financiën zal sturen.
2.6.
[gedaagde] heeft nadien aan [eiser] geschreven dat de nalatenschap van erflaatster als volgt is samengesteld:
Rabobank
€ 1.600
ING Bank
€ 2.000
Inboedel
€ 450
Auto
€ 1.500
Sieraden en andere spullen
in bezit bij dochter [gedaagde]
Koelkast
€ 750
Totaal bezittingen
€ 6.300
Kosten notaris
€ 2.500
Bril
€ 750
Uitvaart / kerkdiensten
€ 4.500
Totaal schulden
€ 7.750
2.7.
Bij de in 2.6 genoemde brief heeft [gedaagde] drie (ondertekende) verklaringen gevoegd, waarin staat dat de andere drie kinderen € 2.000 hebben ontvangen uit de nalatenschap.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
een afschrift van de aangifte en aanslag erfbelasting (indien aanwezig);
een opgave van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap met bescheiden waaruit het saldo op de dag van overlijden blijkt, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen het saldo op de bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] ;
een afschrift van de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden;
een afschrift van de bankafschriften van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap dan wel van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen de bankafschriften van bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] ;
en opgave van alle bezittingen van erflaatster (sieraden, voertuig, inboedel etc.);
een opgave van alle schulden van erflaatster;
een opgave van alle levensverzekeringen en een overzicht van (inmiddels) tot uitkering gekomen (levens)verzekeringen;
een opgave van alle gedane giften van de afgelopen vijf jaar.
een en ander op straffe van een dwangsom van € 100 per dag(deel) dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000 en met veroordeling van [gedaagde] in de (werkelijke) kosten van deze procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij als mede-erfgenaam en deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster recht op en belang heeft bij verstrekking van de gevraagde informatie, omdat hij enkel aan de hand hiervan zijn rechtspositie kan bepalen. [eiser] heeft meerdere grondslagen aan zijn vordering ten grondslag gelegd: artikel 3:15j onder a van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’), artikel 3:166 BW in samenhang met artikel 6:2 BW, artikel 4:142 BW e.v., artikel 4:148 BW en artikel 4:184 BW en artikel 162 en 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’).
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan. [eiser] heeft 30 jaar lang geen contact gehad met erflaatster en heeft haar geschreven dat hij afstand deed van zijn erfdeel. [eiser] kan daar dan ook geen aanspraak meer op maken althans de redelijkheid en billijkheid verzetten zich ertegen dat hij nu alsnog zijn erfdeel kan opeisen. [gedaagde] heeft al aan zijn informatieplicht voldaan (2.6) en is bereid bankafschriften te verstrekken en mee te werken aan dat wat de rechtbank hem opdraagt. Oplegging van een dwangsom is dus niet nodig. De proceskosten moeten worden gecompenseerd.
3.4.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eiser] heeft als erfgenaam recht op stukken
4.1.
[eiser] is erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster. Dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn erfdeel en daar geen aanspraak meer op kan maken, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd en [eiser] heeft bestreden, blijkt uit niets. Niet gebleken is dat [eiser] een verklaring heeft afgelegd waarin hij afstand doet van erfrecht althans een verklaring nalatenschap heeft ingediend bij de griffie van de rechtbank, waarin hij de nalatenschap verwerpt. Een enkele – terloopse – opmerking dat [eiser] niets hoeft te hebben, welke opmerking wordt betwist, is onvoldoende om als afstandsverklaring te kunnen worden aanvaard. Ook de omstandigheid dat er dertig jaar geen contact geweest is tussen [eiser] en erflaatster, hetgeen overigens betwist wordt door [eiser] , maakt ook niet dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nu geen aanspraak kan maken op zijn erfdeel.
4.2.
[gedaagde] heeft de benoeming als executeur aanvaard. [gedaagde] heeft toegelicht dat erflaatster en hij ten tijde van haar overlijden tegelijkertijd in het ziekenhuis lagen en dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten pas enkele weken daarna weer is thuisgekomen. De andere kinderen hebben in de tussentijd de feitelijke verdeling op zich genomen en vervolgens afgewikkeld, waartegen [gedaagde] zich niet heeft verzet. Naderhand heeft [gedaagde] de andere kinderen verteld hoeveel geld er nog was en welk deel daarvan hem toekwam. Hij heeft ieder van hen, met uitzondering van [eiser] , vervolgens € 2.000 gegeven ter afwikkeling van de nalatenschap, waarmee zij akkoord zijn gegaan, aldus [gedaagde] .
4.3.
[eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Dit brengt met zich mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van alle stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn. Dit is ook niet in geschil.
4.4.
Daarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat [gedaagde] gehouden is inlichtingen te geven en inzage en afschrift te verstrekken van bescheiden die nodig zijn voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de nalatenschap althans dat op hem als executeur de plicht rust om een erfgenaam alle gewenste inlichtingen over de uitvoering van zijn taak te geven.
Bankafschriften, belastingaangiften en -aanslagen en levensverzekeringen
4.5.
[eiser] wenst over dezelfde informatie te beschikken als de andere erfgenamen voor het vaststellen van zijn aanspraak. De vordering heeft in eerste instantie betrekking op bankafschriften en belastingaangiften en -aanslagen. [eiser] heeft als erfgenaam recht om kennis te nemen van deze stukken, omdat deze stukken relevant zijn voor het bepalen van de omvang en de waarde van de nalatenschap van erflaatster.
4.6.
[eiser] wil weten wat het banksaldo was ten tijde van het overlijden van erflaatster en wil aan de hand van (de mutaties op) de bankafschriften nagaan of er nog meer bankrekeningen werden aangehouden en of er premies voor (levens)verzekeringen werden geïnd die mogelijk tot uitkering zijn gekomen. In 2024 is een levensverzekering uitgekeerd van zodanige omvang dat afwikkeling van de nalatenschap tegen € 2.000 niet volstaat, aldus [eiser] .
4.7.
[gedaagde] bestrijdt niet dat hij gedurende het huwelijk al dan niet samen met erflaatster de administratie van hun huwelijksgoederengemeenschap heeft gevoerd, maar wijst erop dat erflaatster “
altijd alles regelde”. Hoewel [gedaagde] niet weet welke (gezamenlijke) bankrekeningnummers er ten tijde van het overlijden van erflaatster werden aangehouden, betwist hij niet dat dit de vier door [eiser] genoemde bankrekeningnummers kan betreffen en dat mogelijk sprake is van meer bankrekeningnummers. Uitgangspunt is dat het aandeel van erflaatster in de gelden op deze (en eventueel nog te blijken) bankrekeningen op het moment van haar overlijden tot de nalatenschap behoort. Niet in geschil is dat [eiser] een rechtmatig belang heeft bij de inzage althans afgifte.
4.8.
[gedaagde] voert aan dat hij geen afschrift van een belastingaangifte en -aanslag erfbelasting kan verstrekken, omdat hij vanwege de geringe omvang van de nalatenschap geen aangifte erfbelasting heeft hoeven doen. [eiser] wijst erop dat er dan een brief van de Belastingdienst moet zijn waarin dit wordt bevestigd en dat [gedaagde] dus een afschrift van of het een of het ander moet kunnen verstrekken. Daarop heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat hij niet weet of hij een dergelijke brief heeft ontvangen, omdat de andere kinderen een en ander hebben afgewikkeld toen hij in de weken naar het overlijden van erflaatster in het ziekenhuis lag. [gedaagde] weet wel dat er gedurende het huwelijk aangifte inkomstenbelasting is gedaan en dat die aangiftes werden verzorgd door een tussenpersoon. [gedaagde] weet niet of er in 2024 een levensverzekering is uitgekeerd en voert aan dat een levensverzekering niet in de nalatenschap valt, omdat er een begunstigde is.
4.9.
[gedaagde] betwist niet dat hij beschikt over de gevraagde stukken of daar toegang tot kan verkrijgen en is bereid dit te regelen, maar vindt dit lastig, omdat hij niet handig is met computers en geen gebruikmaakt van online bankieren of de beschikking heeft over een DigiD. De advocaat van [gedaagde] is bereid zijn cliënt hierbij te helpen, mits er rekening mee wordt gehouden dat hij een groot deel van de tijd in het buitenland verblijft.
4.10.
Gelet op dit een en ander zal de rechtbank de vorderingen onder 3.1.a) tot en met 3.1.d) en 3.1.g) toewijzen zoals in het dictum verwoord, waarbij een langere termijn gegeven wordt dan gevorderd. Voor zover [gedaagde] niet over genoemde bankafschriften en belastingaangiftes en -aanslagen beschikt en daar zelf een kopie van kan maken, dient hij afschriften op te vragen bij de desbetreffende bank(en), de Belastingdienst en/of voornoemde tussenpersoon. Eventuele kosten die hiermee gemoeid zijn komen voor rekening van de nalatenschap.
4.11.
De rechtbank zal hierbij een dwangsom opleggen. [eiser] heeft ten opzichte van de mede-erfgenamen een informatieachterstand die [gedaagde] had kunnen wegnemen. Hoewel aannemelijk is dat het voor [gedaagde] wellicht niet eenvoudig is om online informatie op te vragen, heeft hij genoeg tijd gehad om al dan niet met hulp van iemand anders op enige wijze contact op te nemen met (de nabestaandendesk van) de betreffende banken en de Belastingdienst. Dat [gedaagde] hiertoe enige poging heeft gedaan, blijkt uit niets. [gedaagde] heeft [eiser] niet vooraf voorzien van de gevraagde informatie en heeft zich in het kader van deze procedure ook niet bereidwillig getoond door iets van stukken te overleggen, ondanks zijn toezegging dat hij wil meewerken. [eiser] en de overige erfgenamen, waaronder ook [gedaagde] , hebben er belang bij dat de nalatenschap zo spoedig mogelijk wordt afgewikkeld. Gelet op dit een en ander is een prikkel tot nakoming op zijn plaats.
Opgave van alle bezittingen en schulden
4.12.
[gedaagde] heeft opgave gedaan van de waarde van de inboedel, de auto en de koelkast en de schulden (2.6). Nu [eiser] onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat deze opgave niet juist of onvolledig is en er ook voor het overige geen aanwijzingen zijn voor een hogere waarde van de bezittingen of een grotere omvang van de schulden, ontbreekt het de gevorderde nadere opgave aan belang.
4.13.
Als onweersproken staat vast dat [gedaagde] niet meer beschikt over de sieraden uit de nalatenschap, omdat, zo heeft [gedaagde] aangevoerd, een dochter deze inmiddels onder zich heeft. Nu [eiser] , blijkens de toelichting van zijn advocaat ter zitting, contact met haar heeft, is de meest geëigende weg dat [eiser] bij haar nadere informatie over (de waarde van) deze sieraden opvraagt, ook al is [gedaagde] aangesteld als executeur. Per slot van rekening rust op deze dochter van erflaatster, en mede-erfgenaam van [eiser] , de verplichting inzage te geven in de gegevens die zij onder zich heeft voor zover [eiser] als mede-erfgenaam die gegevens nodig heeft voor het bepalen van zijn erfrechtelijke aanspraken. [1]
4.14.
Het voorgaande leidt tot afwijzing van de vorderingen onder 3.1.e) en 3.1.f).
Opgave van alle giften over de afgelopen vijf jaar
4.15.
De rechtbank ziet geen aanleiding te gelasten dat [gedaagde] opgave moet doen van alle giften van de afgelopen vijf jaren. Erflaatster is overleden in 2021. [eiser] heeft niet gesteld en onderbouwd welk belang hij heeft bij informatie over eventuele giften die zijn gedaan na het overlijden van erflaatster. [eiser] heeft hoe dan ook niet gesteld dat sprake is van vermoedens of aanwijzingen dat erflaatster schenkingen heeft gedaan en daarvan is ook niet gebleken. Bij deze stand van zaken volstaat vooralsnog informatie over giften voor zover die blijken uit de nog af te geven bankafschriften en belastingaangiftes.
Proceskosten
4.16.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken:
a) een opgave van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap met bescheiden waaruit het saldo op de dag van overlijden blijkt, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen het saldo op de bankrekeningen:
- [rekeningnummer 1] ;
- [rekeningnummer 2] ;
- [rekeningnummer 3] ; en
- [rekeningnummer 4] ;
b) een afschrift van de bankafschriften van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap dan wel van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen de bankafschriften van bankrekeningen:
- [rekeningnummer 1] ;
- [rekeningnummer 2] ;
- [rekeningnummer 3] ; en
- [rekeningnummer 4] ;
c) een afschrift van de aangifte en aanslag erfbelasting of een afschrift van een brief van de Belastingdienst waaruit blijkt dat er geen aangifte erfbelasting hoeft te worden gedaan;
d) een afschrift van de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden;
e) voor zover uit de bankafschriften blijkt dat sprake is van levensverzekeringen: een opgave van alle levensverzekeringen en een overzicht van (inmiddels) tot uitkering gekomen (levens)verzekeringen;
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat [gedaagde] nalaat aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 5.000,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; en
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
Type: 2513.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3:166 lid 3 BW in samenhang met artikel 6:2 BW.