Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de dagvaarding van 2 april 2025, met producties 1 tot en met 6;
- de conclusie van antwoord, zonder producties;
- het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald.
2.De feiten
- het recht van vruchtgebruik van het gedeelte van de nalatenschap dat hij niet als erfgenaam heeft verkregen; en
- alle roerende en onroerende zaken die hij verkiest, zulks tegen inbreng van de waarde in de nalatenschap.
3.Het geschil
4.De beoordeling
altijd alles regelde”. Hoewel [gedaagde] niet weet welke (gezamenlijke) bankrekeningnummers er ten tijde van het overlijden van erflaatster werden aangehouden, betwist hij niet dat dit de vier door [eiser] genoemde bankrekeningnummers kan betreffen en dat mogelijk sprake is van meer bankrekeningnummers. Uitgangspunt is dat het aandeel van erflaatster in de gelden op deze (en eventueel nog te blijken) bankrekeningen op het moment van haar overlijden tot de nalatenschap behoort. Niet in geschil is dat [eiser] een rechtmatig belang heeft bij de inzage althans afgifte.