ECLI:NL:RBDHA:2025:26453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/692115 / FA RK 25-7248
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Internationale kinderontvoering; teruggeleiding naar ander land dan van waaruit de minderjarige is meegenomen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025 een beschikking gegeven in een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige, [de minderjarige], naar Zweden. De moeder, die in Zweden verblijft, heeft het verzoek ingediend na de ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige door de vader van [land 2] naar [land 1]. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader de minderjarige op of omstreeks 15 februari 2021 heeft meegenomen naar [land 1] en dat de moeder haar gezagsrecht daadwerkelijk heeft uitgeoefend. De rechtbank heeft de Zweedse liaisonrechter geraadpleegd over de verblijfsstatus van de minderjarige in Zweden, en na consultatie is geconcludeerd dat de teruggeleiding naar Zweden mogelijk is. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van worteling van de minderjarige in Nederland, en dat de teruggeleiding naar Zweden in het belang van het kind is. De vader is veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de moeder. De rechtbank heeft de terugkeer van de minderjarige naar Zweden gelast, uiterlijk op 2 januari 2026, en heeft de vader opgedragen de benodigde reisdocumenten te verstrekken.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG
Meervoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7248
Zaaknummer: C/09/692115
Datum beschikking: 15 december 2025

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 25 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Mulder te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: J.A.M. Schoenmakers te Breda.

De verdere procedure

Bij tussenbeschikking van deze rechtbank van 14 november 2025 is overwogen dat de rechtbank de Zweedse liaisonrechter wenst te consulteren op grond van artikel 24 van de Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming. Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering is met de voorlopige voogdij over de minderjarige [de minderjarige] belast en iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot teruggeleiding en de proceskosten is aangehouden.
De rechtbank heeft vervolgens - via de Nederlandse liaisonrechter - een Engelse vertaling van het bericht dat is opgenomen in de tussenbeschikking van 14 november 2025 aan de Zweedse liaisonrechter gestuurd. Na afronding van de consultatie heeft de rechtbank partijen laten weten dat vandaag een eindbeschikking zou worden gegeven en dat daarin ook verslag zou worden gedaan van de uitkomst van de consultatie.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook het bericht van 27 november 2025 van de zijde van de vader.

Het (resterende) verzoek en verweer

De rechtbank moet nog beslissen op het verzoek van de moeder om met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de vader de minderjarige dient terug te brengen naar Zweden, dan wel – indien de vader nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen op welke datum de vader de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij de minderjarige zelf mee kan nemen naar Zweden, met veroordeling van de vader in de kosten die de moeder heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover van belang – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest,
  • Zij zijn de ouders van het nog minderjarige kind, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , [land 1] ,
  • De moeder heeft de Syrische nationaliteit, de vader en de minderjarige hebben de Egyptische nationaliteit.
  • De moeder verblijft in Zweden en beschikt over een Zweedse permanente verblijfstitel, afgegeven op 15 september 2023 en geldig tot en met 14 september 2028.
  • De vader en de minderjarige verblijven in Nederland.

Verslag van consultatie Zweedse liaisonrechter

Aan de Zweedse liaisonrechter is de volgende vraag gesteld:
Stel dat de rechtbank de teruggeleiding van de minderjarige naar Zweden zou bevelen, zou de minderjarige dan in Zweden voor een verblijfsvergunning in aanmerking komen (gelet op de Zweedse permanente verblijfstitel van de moeder)?
De Zweedse liaisonrechter antwoordde de Nederlandse liaisonrechter als volgt:

Thank you for your question. However, matters regarding residence permits are not dealt with in the District Court. For an answer to your question, I would advise you to contact the Swedish Migration Agency, Start page – Swedish Migration Agency or perhaps contact the Swedish Central Authority via the Dutch Central Authority.
I regret not being able to answer the question, but hopefully the Agency or Central Authority will be able to!
Daarop heeft de Nederlandse liaisonrechter de vraag voorgelegd aan de Zweedse Centrale Autoriteit. De Zweedse Centrale autoriteit heeft als volgt gereageerd:

Thank you for your email.
Although we cannot provide any specific information about the prerequisites or give predictions in the case at hand, please see below some general information from the Swedish Migration Agency regarding residence permits for children and contact information.
Citizens of countries outside the EU/EEA and EU citizens without the right of residence in most cases need a residence permit to live with someone in Sweden.
These requirements must be met in order for a child to be granted a residence permit:
  • The application must be made by an adultThe application must be made by a parent or other adult who has the legal right to represent the child in the child’s country of origin.
  • The child must be under 18 years of age and unmarried
  • The parent in SwedenThe parent must have one of the following:

Swedish citizenship

permanent residence permit

permanent right of residence

permanent residence card

temporary residence permit due to a need for protection or exceptionally distressing circumstances.

temporary residence permit on the grounds of their ties to a partner.

The parent must meet the maintenance requirementThe child’s parent in Sweden must be able to support both themselves and the child and have a home of sufficient size and standard for both of them to live there. Some people may be exempt from the maintenance requirement.Maintenance requirement for the person in Sweden (https://www.migrationsverket.se/en/word-explanations/maintenance-requirement-for-the-person-in-sweden.html)
The information above can be found on the Migration Agency’s website:Apply for a residence permit for a child who is moving to Sweden to live with a parent – Swedish Migration Agency (https://www.migrationsverket.se/en/you-want-to-apply/live-with-someone/residence-permits-for-children/children-who-will-live-with-a-parent.html).
Please note that it is always a case-by-case assessment.
Contact information to the Migration Agency:
  • +46 771 235 235,Monday-Friday 09:00-15:00 (press 3 to get to the switchboard).
  • Emailscan be sent through this formEmail the Swedish Migration Agency – Swedish Migration Agency (https://www.migrationsverket.se/en/contact-us/email-us.html).
Even though I do not think that the Migration Agency can give any advance ruling in the individual case, the court or the EJN/IHNJ Network Judge for the Netherlands can of course make a formal Brussels II request through our central authorities if they wish to request any further information.
Please don’t hesitate to contact us again should you have any further questions.

Beoordeling

Rechtsmacht
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek op grond van artikel 3 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, aangezien de vader zijn woonplaats in Nederland heeft (vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1085).
De moeder heeft haar verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (het Verdrag). Hoewel [land 2] geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.
Relatieve bevoegdheid
Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Inhoudelijke beoordeling
Toepassing Verdrag
De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
Moment van overbrenging
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat [de minderjarige] op of omstreeks 15 februari 2021 door de vader vanuit [land 2] is meegenomen naar [land 1] . De moeder stelt zich primair op het standpunt dat het teruggeleidingsverzoek ziet op dat moment van overbrenging, zodat de rechtbank dit zal beoordelen.
Gewone verblijfplaats
[de minderjarige] is op [geboortedatum] 2017 geboren in [land 1] en heeft daar vervolgens met zijn ouders gewoond, zodat [land 1] in die periode zijn gewone verblijfplaats was. Dit is ook tussen de ouders niet in geschil. In december 2019 zijn de ouders en [de minderjarige] naar [land 2] gegaan voor een bezoek aan familie van de vader. Daar werd duidelijk dat de moeder niet terug kon keren naar [land 1] in verband met verblijfsrechtelijke problemen. Om die reden zijn de moeder en [de minderjarige] in [land 2] gebleven. De vader, de moeder en [de minderjarige] hebben eerst korte tijd verbleven bij de ouders van de vader. Vervolgens hebben zij in [land 2] een eigen huis gehuurd, waar zij eerst nog met zijn drieën hebben verbleven. Daarna is de vader voor zijn werk teruggekeerd naar [land 1] en zijn de moeder en [de minderjarige] in [land 2] gebleven. De vraag is nu in hoeverre de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in die periode, voorafgaand aan het moment van overbrengen van [de minderjarige] van [land 2] naar [land 1] , is overgegaan naar [land 2] .
De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat het de bedoeling van de ouders was dat [de minderjarige] en de moeder voor vijf jaar in [land 2] zouden verblijven, gedurende de tijd dat de moeder niet naar [land 1] kon terugkeren in verband met de verblijfsrechtelijke problemen. Een duur van vijf jaar is een dermate langdurige periode die, in combinatie met de overige concrete omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigt dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] is overgegaan naar [land 2] . [de minderjarige] was slechts twee en half jaar jong toen hij met zijn ouders naar [land 2] ging en hij zou in [land 2] op een leeftijd komen waarop hij naar school zou gaan en aldaar vriendjes zou maken. Ook hebben de ouders in [land 2] een huis gehuurd, waar de moeder en [de minderjarige] op zichzelf woonden en zij waren daarbij dus niet afhankelijk van de ouders van de vader. [de minderjarige] heeft bovendien de Egyptische nationaliteit.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] voorafgaand aan de overbrenging van [land 2] naar [land 1] in [land 2] was.
Gezagsrecht
In [land 2] wordt onderscheid gemaakt tussen het hanefitische recht en het koptisch-orthodoxe recht. Nu beide ouders moslim zijn is het hanefitische recht van toepassing.
Uit de jurisprudentie en literatuur volgt dat ouderlijk gezag en voogdij in [land 2] voor moslims ten dele geregeld is in Decreet-wet 118 van 1952 betreffende de ontzetting uit de ouderlijke macht en in Decreet-wet 119 van 1952 betreffende de wettelijke vertegenwoordiging van handelingsonbekwamen. Ten dele worden ouderlijk gezag en voogdij ook in het religieuze recht geregeld. Volgens het hanefitische recht geldt dat de wettelijk vertegenwoordiger van een kind in beginsel een man is. De wettelijke vertegenwoordiging wordt ook wel “wilaya” genoemd. In de eerste plaats is dat de vader van het kind en in zijn afwezigheid de (over)grootvader van vaders zijde (artikel 1 Decreet-wet 119). Vrouwen zijn in beginsel belast met het zorgrecht over kinderen. Het zorgrecht wordt ook wel “hadana” genoemd. Het zorgrecht over zowel jongens als meisjes eindigt op het moment van het bereiken van de leeftijd van vijftien jaar (art. 20 Wet 25 van 1929). De rechter kan het zorgrecht verlengen voor jongens tot de meerderjarige leeftijd en voor meisjes tot zij in het huwelijk treden. De personen belast met het zorgrecht zijn in eerste instantie de moeder van het kind en in haar afwezigheid de (over)grootmoeder van moeders zijde (art. 20 Wet 25 van 1929). In hun afwezigheid komt het zorgrecht toe aan vrouwelijke familieleden van de vader van het kind (in eerste instantie de grootmoeder).
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de vader en de moeder ieder een eigen verantwoordelijkheid hebben als het gaat om het nemen van belangrijke beslissingen in het leven van de kinderen; de vader heeft de wettelijke verantwoordelijkheid en de moeder heeft het zorgrecht. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat zowel de vader als de moeder op het moment van overbrenging naar Egyptisch recht gerechtigd was tot het nemen van belangrijke beslissingen over [de minderjarige] , waaronder de beslissing ten aanzien van zijn verblijfplaats. De ouders waren niet gerechtigd een dergelijke beslissing te nemen zonder toestemming van de andere ouder.
Uitoefening gezagsrecht
De vader is van mening dat de moeder haar gezagsrecht niet uitoefende op het moment van overbrenging. Daar gaat de rechtbank niet in mee. [de minderjarige] verbleef immers bij de moeder voorafgaand aan de overbrenging en zij verzorgde hem. Zij heeft er daarmee blijk van gegeven dat zij zich de belangen van [de minderjarige] aantrekt en heeft daarmee het gezag daadwerkelijk uitgeoefend.
Toestemming?
De moeder heeft gemotiveerd uiteengezet onder welke omstandigheden de vader [de minderjarige] van het ene op het andere moment bij haar in [land 2] heeft weggehaald, waarbij de moeder door de vader en derden is mishandeld. De vader heeft de door de moeder gestelde omstandigheden niet of onvoldoende weersproken. De vader stelt dat de moeder tegen hem heeft gezegd dat hij [de minderjarige] mee mocht nemen naar [land 1] . De moeder heeft op de zitting toegelicht dat zij, toen zij in haar woning werd mishandeld, inderdaad voor haar veiligheid en die van [de minderjarige] heeft gezegd dat de vader [de minderjarige] kon meenemen, maar betwist dat zij hiermee toestemming aan de vader heeft gegeven om [de minderjarige] mee te nemen naar [land 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt nergens uit dat de moeder toestemming heeft gegeven aan de vader om [de minderjarige] mee te nemen vanuit [land 2] naar [land 1] .
De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat de overbrenging van [de minderjarige] naar [land 1] aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
[de minderjarige] is op 15 februari 2021 vanuit [land 2] meegenomen naar [land 1] . De vader heeft [de minderjarige] vervolgens via Griekenland en België overgebracht naar Nederland. Volgens de vader verblijft [de minderjarige] sinds januari 2024 in Nederland. Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat [de minderjarige] sinds 1 september 2024 in Nederland staat ingeschreven.
Het verzoekschrift tot teruggeleiding is ingediend op 25 september 2025, zodat vaststaat dat de termijn van één jaar is verstreken.
Worteling
Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving. Nu de vader heeft gesteld dat [de minderjarige] in zijn nieuwe omgeving in Nederland is geworteld, dient de rechtbank te beoordelen of er sprake is van worteling – in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag – van [de minderjarige] in Nederland.
De vraag of sprake is van worteling dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het concrete geval, waarbij tijdsverloop slechts één van de factoren is. Er dient gekeken te worden naar zowel de fysieke als de emotionele band die een kind inmiddels met zijn of haar nieuwe omgeving heeft gekregen. De rechtbank overweegt in dit kader dat het bij worteling niet alleen gaat om het nieuwe ‘gezinsverband’, maar ook om externe relaties, zoals overige familie, vriendjes, school en sport.
De vader meent dat [de minderjarige] in Nederland geworteld is, nu hij hier al ruim 20 maanden woont, naar school gaat, daar vriendjes heeft en deelneemt aan sociale activiteiten. De moeder daarentegen stelt dat geen sprake is van worteling. Zij voert daartoe aan dat [de minderjarige] weliswaar ruim vier jaar geleden is meegenomen vanuit [land 2] , maar dat hij nergens een (permanente) verblijfsstatus heeft verkregen en daarom niet in een ander land geworteld kan zijn. De toekomst van [de minderjarige] in Nederland is onzeker.
De rechtbank overweegt dat de toekomst van [de minderjarige] (en de vader) in Nederland hoogst onzeker en onduidelijk is. De uitkomst van de asielprocedure is nog niet bekend. [de minderjarige] en de vader hebben lange tijd in het asielzoekerscentrum verbleven en verblijven nu in het huis van een vriend, dat de vader via via geregeld heeft. Dit is geen huis dat aan hen toegewezen is, zodat de situatie niet stabiel is. Onduidelijk is voor hoe lang de vader en [de minderjarige] daar kunnen verblijven. De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat de wereld van [de minderjarige] in Nederland heel klein is. Er is een beperkt netwerk. [de minderjarige] zit op de taalschool in [plaats] en is nog niet doorgestroomd naar het reguliere onderwijs. Zijn contacten in de vorm van vriendjes en vriendinnetjes heeft hij dus in het asielzoekerscentrum gehad en nu op de taalschool. [de minderjarige] spreekt daarnaast een beetje de Nederlandse taal, maar nog niet voldoende. Dit geldt eveneens voor het Engels, Turks en Arabisch. Hij spreekt van alles een beetje. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van worteling van [de minderjarige] in Nederland.
Nu geen sprake is van worteling in de zin van artikel 12 lid 2 van het Verdrag, dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te worden gelast.
Terugkeer naar een ander land dan de gewone verblijfplaats van het kind voorafgaand aan de overbrenging
Als uitgangspunt van het Verdrag geldt dat de onmiddellijke terugkeer van een kind wordt gelast naar het land van zijn gewone verblijfplaats voorafgaand aan de overbrenging. Dat is in dit geval [land 2] . De moeder heeft echter gevraagd om teruggeleiding naar Zweden, omdat zij niet meer in [land 2] woont. De moeder woont inmiddels in Zweden.
De rechtbank overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Verdrag kan worden afgeleid dat een teruggeleidingsbevel beoogt de feitelijke situatie vóór de ontvoering van het kind te herstellen, wat in beginsel betekent dat een ontvoerd kind teruggeleid zal moeten worden naar de feitelijke omgeving van waaruit het is ontvoerd. Volgens het Toelichtend rapport van Pérez-Vera is het echter mogelijk hiervan af te wijken, bijvoorbeeld indien de achtergebleven ouder daar niet langer woont. De tekst van artikel 12 lid 1 van het Verdrag biedt daartoe ook ruimte en in de rechtspraak en literatuur wordt dit ook onderkend en onder omstandigheden toegestaan, De rechtbank zal dit in de onderstaande beoordeling meenemen.
Weigeringsgronden
Teruggeleiding zal niet plaatsvinden, indien sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag of van een omstandigheid als bedoeld in artikel 20 van het Verdrag.
De vader heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in de artikelen 13 lid 1 sub a en 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind, het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.
De rechtbank heeft in het voorgaande al overwogen dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een situatie waarin de moeder haar gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende dan wel dat zij toestemming heeft gegeven voor de overbrenging. De vader heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de moeder naderhand heeft berust in de overbrenging van [de minderjarige] van [land 2] naar [land 1] . De vader voert daartoe aan dat de moeder niet eerder acties heeft ondernomen om de terugkeer van [de minderjarige] te bewerkstelligen. Zo heeft zij geen beroep gedaan op de uitspraak van de rechter in [land 2] , waarin de moeder, naar zij stelt, het eenhoofdig gezag heeft verkregen over [de minderjarige] . De moeder betwist dat zij in de overbrenging heeft berust. Zij heeft geprobeerd in [land 2] de politie in te schakelen, zij heeft daar een procedure gestart en zij heeft een verzoek tot teruggeleiding ingediend nadat zij op de hoogte was gebracht van de verblijfplaats van [de minderjarige] .
De rechtbank volgt de vader niet in zijn betoog dat sprake is van berusting. Uit de jurisprudentie volgt dat strenge eisen gelden om berusting aan te kunnen nemen. Enkel tijdsverloop is in dit geval niet voldoende. De moeder heeft op de zitting toegelicht dat zij geen teruggeleidingsverzoek heeft ingediend in [land 1] vanuit [land 2] , omdat een advocaat in [land 2] haar dit heeft afgeraden en zij vreesde al haar rechten ten aanzien van [de minderjarige] te verliezen. Zij heeft in [land 2] de scheiding aangevraagd en is aldaar ook een procedure omtrent het gezag over [de minderjarige] gestart. De moeder is vervolgens naar Zweden verhuisd en het staat vast dat partijen erover gesproken hebben dat [de minderjarige] naar Zweden zou komen, zodat ook op dat moment geen sprake geweest kan zijn van berusting. De moeder is er pas op een later moment achter gekomen dat de vader en [de minderjarige] in Nederland verbleven en dat de vader daar daadwerkelijk met [de minderjarige] wilde blijven. Met een teruggeleidingsverzoek heeft zij gewacht totdat zij een omgangsmoment heeft gehad met [de minderjarige] , omdat zij bang was dat dit door het indienen van het verzoek niet meer door zou gaan. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit niets dat de moeder heeft berust in de overbrenging van [de minderjarige] , zodat het beroep van de vader op deze weigeringsgrond niet slaagt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de vader in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder niet heeft aangetoond dat de situatie van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag zich hier voordoet en overweegt daartoe het volgende.
De omstandigheid dat [de minderjarige] , bij terugkeer naar de moeder in Zweden, vermoedelijk van de vader zal worden gescheiden, omdat de vader niet in Zweden kan verblijven, acht de rechtbank niet doorslaggevend, omdat het de vader is geweest die deze situatie zelf heeft veroorzaakt. De rechtbank gaat ook voorbij aan de stelling van de vader dat [de minderjarige] zich tegen terugkeer naar Zweden zou verzetten, omdat duidelijk is dat [de minderjarige] dit niet kan overzien. Uit het verslag van de bijzondere curator en het gesprek dat de rechtbank met [de minderjarige] heeft gevoerd blijkt dat de vader zich negatief over Zweden en de moeder naar [de minderjarige] heeft uitgelaten en dat [de minderjarige] die uitlatingen heeft overgenomen.
De moeder heeft in de eerste drieënhalf jaar van het leven van [de minderjarige] voor hem gezorgd en uit niets blijkt dat dit niet goed is gegaan. De Raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat [de minderjarige] in die eerste jaren aan zijn moeder is gehecht. De moeder heeft na de overbrenging van [de minderjarige] naar [land 1] ook intensief (videobel)contact met [de minderjarige] onderhouden. Bij het begeleide omgangsmoment dat onlangs heeft plaatsgevonden, is bovendien gezien dat er een fijn contact was tussen de moeder en [de minderjarige] en dat de moeder voor [de minderjarige] geen vreemde is. Dat vormt een goede basis om het contact te herstellen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de Raad naar voren heeft gebracht dat ook in Zweden de juiste hulpverlening aanwezig is. De moeder heeft op de zitting naar voren gebracht dat zij bereid is om hulpverlening voor [de minderjarige] te accepteren en ook om het contact met de vader te stimuleren.
De rechtbank overweegt dat wél sprake zou kunnen zijn van een situatie als opgenomen in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag, indien de rechtbank de teruggeleiding van [de minderjarige] uitspreekt naar Zweden en [de minderjarige] vervolgens verblijfsrechtelijk gezien niet in Zweden mag verblijven. Hij zou dan wéér naar een ander land moeten en dat acht de rechtbank niet in het belang van [de minderjarige] . Gelet op het antwoord van de Zweedse Centrale autoriteit heeft de rechtbank er voldoende vertrouwen in dat [de minderjarige] duurzaam bij zijn moeder in Zweden mag verblijven en dat een teruggeleiding naar Zweden ook om die reden niet leidt tot een ondragelijke toestand voor [de minderjarige] .
Nu er geen sprake is van een van de weigeringsgronden, dient ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te volgen, in dit geval naar Zweden, nu de moeder daar verblijft.
Uitvoerbaar bij voorraad
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat [de minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 2 januari 2026, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
(Proces)kosten
Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet kan de rechter, voor zover hier van belang, desverzocht of ambtshalve elke persoon die voor de internationale ontvoering van het kind verantwoordelijk is, of medeverantwoordelijk is, veroordelen tot betaling aan de persoon aan wie het gezag over het kind toekomt, van de door deze in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten.
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de door de moeder gemaakte en nog te maken (proces)kosten in het kader van de ontvoering en teruggeleiding van [de minderjarige] , nader op te maken bij staat. Vervolgens heeft de moeder bij F9 formulier van 5 november 2025 een specificatie van de kosten met onderliggende bewijsstukken overgelegd. Dit betreffen de volgende kosten:
 proceskosten teruggeleidingsprocedure: € 507,-
 reiskosten ten behoeve van de regiezitting, bezoek aan [de minderjarige] , crossborder mediation, MK en het eventueel zelf ophalen van [de minderjarige] : € 1.038,52
De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken volgt dat deze (proces)kosten verband houden met de ontvoering en teruggeleiding van [de minderjarige] en de kosten komen de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank zal daarom bepalen dat de vader deze kosten aan de moeder moet voldoen.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het Gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
gelast de terugkeer van de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , [land 1] ,
naar Zweden uiterlijk op 2 januari 2026, waarbij de vader [de minderjarige] naar Zweden moet brengen en beveelt, indien de vader nalaat [de minderjarige] naar Zweden te brengen, dat de vader [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven uiterlijk op 2 januari 2026, opdat de moeder [de minderjarige] zelf mee kan nemen naar Zweden;
*
veroordeelt de vader tot betaling aan de vader van proceskosten en de door haar in verband met de onderhavige teruggeleidingsprocedure gemaakte kosten van in totaal € 1.545,52;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 2 januari 2026 als beëindigd;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. van der Vliet, C. de Jong-Kwestro en F. van Overbeeke, rechters, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Meijer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 december 2025.
Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.