ECLI:NL:RBDHA:2025:26457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688702 / FA RK 25-5450
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap en gezag

Op 15 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een zaak betreffende de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en gezag over een minderjarige. Het verzoekschrift was ingediend op 17 juli 2025 door de vrouw, die de moeder van de minderjarige is. De man, die de biologische vader is, werd als belanghebbende aangemerkt. De minderjarige is geboren op [geboortedatum 1] 2017 en is niet erkend door de man. De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarige en heeft de Nederlandse nationaliteit, terwijl de man de Iraakse nationaliteit heeft. De rechtbank heeft kennisgenomen van verschillende stukken, waaronder een DNA-rapport waaruit blijkt dat de man met meer dan 99,999% zekerheid de biologische vader is van de minderjarige. De rechtbank heeft vastgesteld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft op basis van de verblijfplaats van de betrokkenen en dat het Nederlandse recht van toepassing is. De rechtbank heeft het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap toegewezen, onder de voorwaarde dat een eerdere beschikking tot ontkenning van het vaderschap van een andere man onherroepelijk is geworden. Tevens is het verzoek tot gezamenlijk gezag over de minderjarige in het belang van het kind toegewezen, maar de definitieve beslissing hierover wordt aangehouden tot 1 april 2026. De werkzaamheden van de bijzondere curator zijn beëindigd, aangezien deze niet meer nodig zijn in deze procedure.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5450
Zaaknummer: C/09/688702
Datum beschikking: 15 december 2025

Gerechtelijke vaststelling ouderschap en gezag

Beschikking op het op 17 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. Arslan in Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,

de minderjarige of [minderjarige] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.E.M. Beijersbergen, advocaat in Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het verslag van 2 oktober 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht met bijlage van 3 oktober 2025 van de vrouw;
  • het bericht van 11 december 2025 van de vrouw.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt – na wijziging – tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man over [minderjarige] , alsmede de man mede met het gezag te belasten over [minderjarige] , een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De bijzondere curator verzoekt namens [minderjarige] eveneens de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van [minderjarige] .

Feiten

  • Uit de vrouw is geboren voornoemde minderjarige.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De vrouw heeft het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Iraakse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 6 augustus 2025 is mr. M.E.M. Beijersbergen benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.
  • Uit een rapport van DNA-onderzoek door Verilabs blijkt dat de man met meer dan 99,999% zekerheid de biologische vader is van de minderjarige;
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 2 december 2025 (rekestnummer FA RK 25-5455 en zaaknummer C/09/688717) is het verzoek tot ontkenning van het vaderschap van [naam] over [minderjarige] gegrond verklaard.

Beoordeling

Gerechtelijke vaststelling vaderschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vrouw en de biologische vader in Nederland wonen, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 aanhef sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht.
Op grond van artikel 10:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt of en onder welke voorwaarden ouderschap van een persoon gerechtelijk kan worden vastgesteld, bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van die persoon en de moeder of, indien dit ontbreekt, door het recht van de staat waar de persoon en de moeder elk hun gewone verblijfplaats hebben of, indien ook dit ontbreekt, door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Het tijdstip van de indiening van het verzoek is hierbij bepalend.
De vrouw en de man hadden geen gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van indiening van het verzoekschrift, nu de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft en de man de Iraakse nationaliteit. De vrouw en de man hebben wel beiden op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland. Gelet hierop is het Nederlandse recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit het overgelegde DNA-rapport blijkt dat met meer dan 99,999% zekerheid is aangetoond dat de man de verwekker is van [minderjarige] . Nu van overige bezwaren als bedoeld in artikel 1:207 BW niet is gebleken en toewijzing van het verzoek in het belang is van [minderjarige] , ligt het verzoek voor toewijzing gereed. Voorwaarde is echter wel dat de hiervoor genoemde beschikking ten aanzien van de ontkenning van het vaderschap van [naam] onherroepelijk is geworden.
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkende verzoek afwijzen
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter rechtsmacht om te beslissen op het verzoek.
Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing wanneer de Nederlandse rechter bevoegd is.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt om haar met de man gezamenlijk te belasten met het gezag over [minderjarige] . Gelet daarop en omdat niet gebleken is dat aan de afwijzingsgronden uit artikel 1:253c lid 2 BW is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek in het belang van [minderjarige] kan worden toegewezen.
De rechtbank merkt op dat zij pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag kan beslissen nadat de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap tot stand is gebracht. Inschrijving van het gezamenlijk gezag in het gezagsregister kan niet eerder dan nadat de beslissing tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan. In afwachting hiervan zal de rechtbank de procedure pro forma aanhouden tot 1 april 2026. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vrouw uiterlijk op de pro forma datum te informeren of deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. Na ontvangst daarvan zal de beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden opgenomen in het dictum.
De rechtbank overweegt dat indien de vrouw aan het hiervoor bepaalde niet voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Rv zal worden afgedaan.
Ontslag bijzondere curator
Uit de te nemen beslissing volgt dat de vertegenwoordiging van [minderjarige] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast – onder de voorwaarde dat de beschikking van deze rechtbank van 2 december 2025 houdende de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [naam] (rekestnummer FA RK 25-5455 en zaaknummer C/09/688717) onherroepelijk is geworden – het ouderschap van:
- [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1976 in [land] ;
over:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ;
uit:
- [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 3] 1982 in [geboorteplaats 2] ( [land] );
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
bepaalt dat de beslissing op het verzoek tot
gezamenlijk gezagwordt aangehouden tot
1 april 2026 pro forma;
*
bepaalt dat de advocaat van de vrouw uiterlijk op de pro forma datum de rechtbank moet informeren of de beslissing van 2 december 2025 houdende de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap en de beslissing van vandaag tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde zijn gegaan;
*
bepaalt dat indien de vrouw aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoet, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. A.I. Knops als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 15 december 2025.