ECLI:NL:RBDHA:2025:26509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/669999 / FA RK 24-5332
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing hoofdverblijfplaats bij moeder en aanhouding gezagsverzoek na ouderschapsbemiddeling

Partijen, ouders van een minderjarige geboren in 2018, hebben een moeizame relatie en zijn in geschil over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling. De moeder heeft momenteel het alleenrecht op het gezag en het kind verblijft bij haar. De vader verzoekt gezamenlijk gezag en een uitgebreide omgangsregeling, terwijl de moeder dit afwijst vanwege bedreigingen en communicatieproblemen.

De rechtbank oordeelt dat het belang van het kind het beste gediend is met het hoofdverblijf bij de moeder, ook als het gezamenlijk gezag wordt toegekend. Vanwege de bedreigingen en het risico op loyaliteitsconflicten wordt het verzoek tot gezamenlijk gezag aangehouden en wordt een traject ouderschapsbemiddeling opgelegd.

De omgangsregeling wordt voorlopig vastgesteld conform de bestaande afspraken, waarbij het kind in even weken van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verblijft en in oneven weken op woensdagmiddag tot 18.00 uur. Vakantie- en feestdagenregelingen worden eveneens vastgesteld zoals overeengekomen, met enkele afwijzingen van aanvullende verzoeken.

De rechtbank beveelt rapportage over het bemiddelingstraject en stelt een pro forma datum voor verdere beslissingen. De Raad voor de Kinderbescherming wordt betrokken bij een eventueel vervolgonderzoek indien het traject niet succesvol is.

Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en benadrukt het belang van samenwerking en communicatie tussen ouders in het belang van het kind.

Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van het kind wordt bij de moeder vastgesteld, het gezagsverzoek wordt aangehouden voor ouderschapsbemiddeling en de omgangsregeling voorlopig vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-5332
Zaaknummer: C/09/669999
Datum beschikking: 13 november 2025
Gezag, hoofdverblijfplaats, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 19 juli 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Hageman te Velsen-Zuid.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat voorheen: mr. L.L. Schipper-Heikens te Den Haag;
advocaat nu: mr. C. Ekholm te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 26 juli 2024 van de vader, met bijlage;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 14 augustus 2025;
  • het F9-formulier van 26 september 2025 van de vader, met wijziging petitum en bijlagen;
  • het F9-formulier van 12 oktober 2025 van de moeder, met brief en bijlagen;
  • het F9-formulier van 15 oktober 2025 van de vader, met brief en bijlagen.
Op 16 oktober 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad tot juni 2023.
  • Zij zijn de ouders van de nu nog minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats].
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • [minderjarige] verblijft bij de moeder.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, na wijziging:
  • de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige];
  • een zorg- dan wel omgangsregeling vast te stellen waarbij de vader zorg draagt voor [minderjarige]:
  • om de week van vrijdagavond tot zondagavond, waarbij de moeder [minderjarige] op vrijdag na de files naar de vader brengt en de vader [minderjarige] zondagavond weer naar de moeder brengt;
  • alsmede elke week van woensdag uit school tot donderdagochtend naar school inclusief overnachting, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt uit school en haar op donderdagochtend weer naar school brengt;
  • een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals geformuleerd door de moeder in randnummer 4 van haar verweerschrift, met aanvulling dat [minderjarige] gedurende de studiedagen bij de vader verblijft;
  • te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder zal zijn;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken en verzoekt zelfstandig:
  • een omgangs- dan wel zorgregeling vast te leggen zoals uiteengezet in punt 3 en 4;
  • de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen, indien partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden belast;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats
Partijen verzoeken allebei, met dien verstande dat de moeder het verzoek doet onder de voorwaarde dat de vader mede het gezag over [minderjarige] verkrijgt, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen. Hoewel strikt genomen de moeder kan bepalen waar [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft omdat zij op dit moment alleen het gezag over [minderjarige] heeft, zal de rechtbank het verzoek toewijzen. Het is namelijk geen discussiepunt tussen partijen dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de moeder heeft, ook als de vader mede het gezag verkrijgt en het voor beide ouders van belang is dat dit duidelijk is. De rechtbank zal aldus beslissen, ook nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet.
Gezag
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder daarmee niet instemt, het verzoek slechts afgewezen als a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader stelt dat hij al sinds de geboorte van [minderjarige] het gezamenlijk gezag wil regelen maar dat de moeder hier niet aan meewerkt. De vader heeft altijd een grote rol in het leven van [minderjarige] gespeeld en is zeer betrokken. [minderjarige] stond tot april 2024 nog bij de vader ingeschreven en is op de polis van de vader verzekerd. De vader is degene die met [minderjarige] naar de huisarts gaat. Ook neemt de vader geregeld gezagsbeslissingen samen met de moeder, terwijl hij niet met gezag is belast. Het is in het belang van [minderjarige] dat de ouders het gezamenlijk gezag hebben. De vader zou ook willen dat [minderjarige] de mogelijkheid krijgt om met iemand te praten over de scheiding van haar ouders, omdat zij daar last van heeft. Omdat de vader geen gezag heeft, kan hij geen hulpverlening via de huisarts organiseren. Ook plande de moeder geen tandartsafspraken in voor [minderjarige] en is vader uiteindelijk gegaan, en toen bleek dat [minderjarige] meerdere gaatjes had. De moeder zegt afspraken om dit aan te pakken af. In het verleden was er ook veel schoolverzuim waardoor [minderjarige] een jaar over moest doen. De vader heeft nu geen inzage in de schoolgang van [minderjarige], omdat hij geen gezag heeft. De vader zou graag weer betrokken zijn bij haar schoolleven. De vader heeft enkel de beste intenties en is bereid om de nodige hulpverlening te accepteren om de verstandhouding met de moeder te verbeteren.
De moeder vindt het niet in het belang van [minderjarige] als de ouders gezamenlijk gezag hebben. Partijen hebben een moeizame relatie gehad, waarin de communicatie niet goed was. Er is sprake geweest van fysiek en verbaal geweld binnen de relatie, waar [minderjarige] getuige van was. De moeder werd bedreigd door de vader als hij het ergens niet mee eens was. Zo heeft vader bijvoorbeeld gedreigd haar knieschijven kapot te maken. Vanwege het milieu waar de vader zich in bevindt, nam de moeder de bedreigingen serieus en leefde zij in angst. De breuk in de zomer van 2023 heeft de communicatie niet verbeterd. In de zomer 2023 is de vader vijf weken met [minderjarige] in [land] geweest, terwijl partijen hadden afgesproken dat [minderjarige] na twee tot drie weken terug zou komen. Ook tijdens de omgang in Nederland heeft de vader [minderjarige] regelmatig langer bij zich gehouden dan afgesproken, waarbij hij berichten stuurt als ‘
je ziet wel wanneer ze terugkomt’. In augustus 2025 zou [minderjarige] ook terugkomen op 10 augustus 2025, maar de vader bleef voortdurend vragen of zij langer mocht blijven, waarbij hij [minderjarige] die vraag ook steeds aan moeder liet stellen tijdens de telefoongesprekken. Deze verantwoordelijkheid moet niet bij [minderjarige] worden gelegd. Op deze manier wordt zij voor het blok gezet en kan een loyaliteitsconflict ontstaan. De vader weigert directe communicatie met de moeder, blokkeert haar op whatsapp en communiceert via [minderjarige]. Dit is schadelijk en niet in het belang van [minderjarige]. De bedreigingen die de vader uit, komen niet overeen met zijn beweerdelijk goede intenties. De moeder ervaart dat de vader een zekere mate van controle op de moeder wil blijven uitoefenen en dat vergroot haar angst op misbruik van het gezag.
De rechtbank oordeelt dat op dit moment sprake is van onvoldoende handvatten om tot gezamenlijk gezag te komen. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank aanwijzingen dat [minderjarige] klem en verloren zou kunnen raken tussen de ouders, gelet op de bedreigingen die vanuit de vader naar de moeder geuit worden en gelet op de telefoongesprekken tussen de ouders waar [minderjarige] bij betrokken wordt. Zij wordt daarin belast met volwassenenproblematiek en er kan een loyaliteitsconflict ontstaan waar [minderjarige] last van heeft.
De rechtbank heeft dit met de ouders op de zitting besproken. Beide ouders hebben op de zitting de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank verzoekt de ouders om de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van voornoemd traject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat – zoals op de zitting met de ouders is besproken – zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is. Als het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat dient de instantie de eindrapportage ook tegelijkertijd te zenden aan de Raad voor de Kinderbescherming. Aan de hand van de eindrapportage zal de Raad bezien of er een onderzoek van de Raad noodzakelijk is. De Raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage de rechtbank hierover te informeren en, indien de Raad onderzoek noodzakelijk acht, dit te verrichten en daarvan bij de rechtbank een rapport in te dienen. De Raad wordt in dat geval verzocht om onderzoek te doen naar het gezag en de omgang c.q. zorgregeling. Deze beschikking geldt als voorwaardelijke opdracht aan de Raad om een onderzoek te verrichten voor het geval dat het traject volgens de uitvoerende hulpverleningsinstantie niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
De rechtbank complimenteert de ouders met het feit dat zij bereid zijn met elkaar een traject ouderschapsbemiddeling aan te gaan. Dat kan eraan bijdragen dat de ouders gaan samenwerken in het belang van [minderjarige] en dat hun communicatie wordt verbeterd.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het gezag aanhouden tot na te melden pro forma datum, in afwachting van het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Voor die datum dienen de advocaten zich uit te laten over de stand van zaken en wat dat betekent voor het nog voorliggende verzoek.
Omgang c.q. zorgregeling
Partijen hebben in juli 2025 tijdelijke afspraken gemaakt over de omgangsregeling, waarbij [minderjarige] inmiddels bij de vader verblijft:
  • even weken: vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur naar school, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de moeder [minderjarige] zondagavond bij de vader ophaalt;
  • oneven weken: woensdagmiddag uit school tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] naar zwemles en taekwondo brengt en [minderjarige] na het eten terug bij de moeder brengt.
De vader wil een uitgebreidere omgangsregeling waarbij [minderjarige] iedere week op woensdag uit school tot donderdagochtend naar school bij de vader is en waarbij het halen en brengen op vrijdag en zondag tussen de ouders wordt omgewisseld. De vader vindt nu dat hij [minderjarige] te weinig ziet. Ook maakt de vader zich zorgen om het welzijn van [minderjarige]. De vader ziet liever dat de moeder vaker een beroep doet op de vader om voor [minderjarige] te zorgen.
De moeder stelt dat het omwisselen van de afspraken rond het halen en brengen voor haar niet handig is in verband met haar werk, zij wil vasthouden aan de bestaande afspraak. Verder is het volgens de moeder te druk voor [minderjarige] om iedere woensdag na school tot donderdagochtend bij de vader te zijn. Zoveel wisselingen acht de moeder niet in het belang van [minderjarige]. De regeling zoals die nu loopt, is ook slechts een paar maanden oud, zodat die regeling wat de moeder betreft kan worden vastgelegd.
Omdat de rechtbank het verzoek ten aanzien van het gezag zal aanhouden, zal de rechtbank het verzoek tot omgang c.q. zorgregeling ook aanhouden. De rechtbank zal de huidige omgangsregeling vastleggen als
voorlopigeregeling. Om op dit moment deze regeling uit te breiden naar iedere week van woensdag na school tot donderdagochtend acht de rechtbank te belastend voor [minderjarige]. Zij gaat in [plaats 2] naar school terwijl haar vader in [plaats 1] woont. Dat zou betekenen dat de vader [minderjarige] iedere donderdagochtend naar [plaats 2] moet brengen. Dat is gelet de reisafstand niet in het belang van [minderjarige]. Ook zal de rechtbank bepalen dat het halen en brengen zal worden verdeeld zoals de ouders hebben afgesproken, namelijk dat de vader [minderjarige] op vrijdag ophaalt en de moeder [minderjarige] zondagavond bij de vader ophaalt. De vader heeft niet onderbouwd waarom hij het halen en brengen wil omwisselen terwijl de moeder heeft aangegeven waarom het voor haar grote praktische gevolgen heeft als zij [minderjarige] op vrijdag naar de vader moet brengen. De rechtbank zal deze regeling voorlopig vaststellen en het verzoek ten aanzien van de definitieve omgang c.q. zorgregeling aanhouden tot na te melden pro forma datum.
Wellicht kunnen de ouders bij het traject ouderschapsbemiddeling nadere afspraken maken over de omgang c.q. zorgregeling. Voor de pro forma datum dienen de advocaten zich uit te laten over de stand van zaken en wat dat betekent voor de nog voorliggende verzoeken.
Vakanties en feestdagen
De ouders zijn het in ieder geval eens over de volgende vakantie- en feestdagenverdeling:
- gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie verblijft [minderjarige] bij de vader en de
tweede drie weken bij de moeder, waarbij het wisselmoment op de zaterdag tussen week 3 en 4 plaatsvindt om 17.00 uur;
- gedurende de eerste week van de kerstvakantie en de meivakantie verblijft [minderjarige] bij de
vader en de tweede week bij de moeder, waarbij het wisselmoment op de zaterdag tussen
week 1 en 2 plaatsvindt om 17.00 uur;
- gedurende de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] bij de vader en gedurende de herfstvakantie bij de moeder, waarbij een schoolvakantie begint na de laatste schooldag voor de vakantie
(meestal vrijdagmiddag uit school) en loopt tot de eerste schooldag na de vakantie
(meestal maandagochtend naar school);
- gedurende het Suikerfeest brengt [minderjarige] bij beide ouders een dagdeel door, hetgeen in
onderling overleg afgestemd zal worden. Tijdens het Offerfeest verblijft [minderjarige] eveneens bij
beide ouders een dagdeel op dag 1 en bij allebei de ouders een van de tweede of derde
dag indien dit tijdens het weekend valt of [minderjarige] vrij is. Indien zij niet vrij is op dag 2 en 3
geldt gewoon de reguliere regeling;
- gedurende de overige officiële feestdagen conform de reguliere regeling.
De rechtbank zal overeenkomstig deze overeenstemming van de ouders beslissen, ook omdat niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet.
Verder verzoekt de vader nog aanvullend te bepalen dat [minderjarige] gedurende de studiedagen bij hem zal verblijven. De moeder is het daar niet mee eens. De vader zou [minderjarige] wat de moeder betreft wel op een dinsdagavond kunnen ophalen als [minderjarige] op de woensdag dat zij bij de vader is studiedag heeft, waarna de vader haar woensdagavond weer naar huis kan brengen.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de studiedagen afwijzen. Omdat studiedagen op verschillende dagen vallen, zijn de praktische gevolgen van een verdeling van die dagen niet te overzien. Het is aan de ouders om in onderling overleg afspraken te maken als de studiedag op een woensdag valt dat [minderjarige] bij de vader verblijft. De rechtbank geeft de moeder verder mee dat zij een beroep op de vader zou kunnen doen als dat nodig is of indien een studiedag op woensdag valt.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats], de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de moeder;
*
bepaalt dat [minderjarige]
voorlopigbij de vader zal zijn:
  • even weken: vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 18.00 uur naar school, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en de moeder [minderjarige] zondagavond bij de vader ophaalt;
  • oneven weken: woensdagmiddag uit school tot 18.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] naar zwemles en taekwondo brengt en [minderjarige] na het eten terug bij de moeder brengt;
*
bepaalt de volgende vakantie- en feestdagenregeling:
- gedurende de eerste drie weken van de zomervakantie verblijft [minderjarige] bij de vader en de
tweede drie weken bij de moeder, waarbij het wisselmoment op de zaterdag tussen week 3 en 4 plaatsvindt om 17.00 uur;
- gedurende de eerste week van de kerstvakantie en de meivakantie verblijft [minderjarige] bij de
vader en de tweede week bij de moeder, waarbij het wisselmoment op de zaterdag tussen week 1 en 2 plaatsvindt om 17.00 uur;
  • gedurende de voorjaarsvakantie verblijft [minderjarige] bij de vader en gedurende de herfstvakantie bij de moeder, waarbij een schoolvakantie begint na de laatste schooldag voor de vakantie (meestal vrijdagmiddag uit school) en loopt tot de eerste schooldag na de vakantie (meestal maandagochtend naar school);
  • gedurende het Suikerfeest brengt [minderjarige] bij beide ouders een dagdeel door, hetgeen in
onderling overleg afgestemd zal worden. Tijdens het Offerfeest verblijft [minderjarige] eveneens bij beide ouders een dagdeel op dag 1 en bij allebei de ouders een van de tweede of derde dag indien dit tijdens het weekend valt of [minderjarige] vrij is. Indien zij niet vrij is op dag 2 en 3 geldt gewoon de reguliere regeling;
- gedurende de overige officiële feestdagen conform de reguliere regeling;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] (
de vader),
wonende op het adres [adres 1] te [plaats 1], [gemeente],
en
[de moeder] (
de moeder),
wonende op het adres [adres 2] te [plaats 2],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
en de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders en daarvan, indien het traject niet positief is afgerond, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier binnen één week na ontvangst van de rapportage van een niet positief afgerond traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst het meer of anders verzochte met betrekking tot de vakantie- en feestdagenregeling en studiedagen af;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het
gezag en de definitieve omgang c.q. zorgregelingaan tot
1 mei 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2025.