ECLI:NL:RBDHA:2025:26525

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/09/676042 / FA RK 24-8361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie in een geschil tussen ouders na scheiding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025 een beschikking gegeven over de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie van de minderjarige kinderen van de ouders, die in mei 2023 uit elkaar zijn gegaan. De moeder heeft verzocht om de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen, terwijl de vader verweer heeft gevoerd en zelfstandig verzoeken heeft ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben, gezien het feit dat zij de meeste zorg voor de kinderen op zich neemt en de kinderen grotendeels bij haar verblijven. De rechtbank heeft ook een zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen iedere week van vrijdag uit school tot 20:30 uur en om de week op zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur bij de vader verblijven. Daarnaast is de vader verplicht om de paspoorten van de kinderen aan de moeder af te geven, op straffe van een dwangsom. Wat betreft de kinderalimentatie heeft de rechtbank bepaald dat de vader € 158,- per maand per kind moet betalen, met een verhoging per 1 januari 2025. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8361
Zaaknummer: C/09/676042
Datum beschikking: 16 december 2025

Hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie

Beschikking op het op 20 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.C. Herweijer te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
nu zonder advocaat (voorheen: mr. F.G.T. Meershoek).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweer tegen de zelfstandige verzoeken;
  • het bericht van 5 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • het F9-formulier van 9 september 2025 van de zijde van de moeder;
  • de F9-formulieren van 5 november 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verzoeken, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De kinderen staan ingeschreven op het adres van de vader.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging –:
  • te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben;
  • een zorgregeling vast te stellen, waarbij de kinderen om de week van zondag 11:00 uur tot 19:00 uur bij de vader zijn;
  • de vader te bevelen om de paspoorten van de kinderen binnen twee weken na datum van deze beschikking aan de moeder af te geven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag per paspoort, met een maximum van € 10.000,-;
  • een bedrag aan kinderalimentatie vast te stellen, bij vooruitbetaling te voldoen door de vader aan de moeder:
  • met ingang van indiening van het verzoekschrift tot 1 april 2025: ad € 434,- per kind per maand;
  • vanaf 1 april 2025: ad € 214,- per kind per maand;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • primair: te bepalen dat de kinderen volgens de BRP ingeschreven zullen blijven staan op het adres van de vader;
  • subsidiair: te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben op het adres van de vader;
  • meer subsidiair: te bepalen dat [de minderjarige 1] de hoofdverblijfplaats zal hebben op het adres van de moeder en [de minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats op het adres van de vader;
  • te bepalen dat de kinderen volgens een week-op-week-af-regeling bij de ouders zullen verblijven, in die zin dat zij de oneven weken bij de vader en de even weken bij de moeder zullen verblijven, waarbij de overdracht wekelijks zal plaatsvinden op maandagmiddag, in die zin dat de ene ouder de kinderen op maandag naar school brengt waarna de week bij die ouder eindigt en de andere ouder de kinderen op maandag van school ophaalt waarna de week bij die ouder begint;
  • te bepalen dat de kinderen gedurende de helft van de vakanties- en feestdagen bij de ouders zullen verblijven volgens het schema zoals opgenomen in het verweerschrift;
  • te bepalen dat de moeder gehouden is om aan de vader een nog nader te becijferen bijdrage te leveren in de kosten van de kinderen, met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen ingangsdatum;
dan wel een andere beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats, inschrijving BRP en zorgregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechtbank in een voorkomend geval een regeling vaststellen over de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan de vaststelling van een zorgregeling alsook de vaststelling van de hoofdverblijfplaats omvatten.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank – kort samengevat – het volgende gebleken. De ouders hebben met elkaar samengewoond in [plaats 1] . In mei 2023 is hun relatie beëindigd en is de moeder bij haar ouders in [plaats 1] gaan wonen. De vader is in de gezamenlijke woning gebleven. In eerste instantie verbleven de kinderen volgens een week-op-week-af-regeling bij de ouders. Uiteindelijk is het de vader niet gelukt de gezamenlijke woning over te nemen, waarna deze is verkocht. Vervolgens is de vader in maart 2024 naar [plaats 2] verhuisd. De vader heeft de kinderen – zonder instemming van de moeder – in de BRP op zijn nieuwe adres laten inschrijven. De moeder woont sinds 1 januari 2025 in een eigen woning in [plaats 1] .
In september 2024 heeft de moeder aangifte gedaan van bedreiging door de vader. De vader is hier strafrechtelijk voor veroordeeld en heeft een taakstraf opgelegd gekregen. Ook is Veilig Thuis betrokken geraakt. Veilig Thuis heeft een onderzoek verricht naar de veiligheid en het welzijn van de kinderen en hiervan op 6 december 2024 verslag gedaan. In dit verslag is – onder meer – het volgende opgenomen:

“Grootste zorg

-Veilig Thuis maakt zich zorgen om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat zij getuige zijn van de dreigementen van u, vader, naar uw ex-partner. De kinderen kunnen angstig worden voor hun eigen vader en ze kunnenstress ervaren. Bovenstaand kan invloed hebben op de hechting en het omgaan met emoties.
-Veilig Thuis maakt zich zorgen om u, vader, omdat u uw boosheid niet altijd kan reguleren met tot gevolg dreigementen richting uw ex-partner in het bijzijn van de kinderen. Dit kan tot gevolg hebben dat de kinderen angstig worden voor hun eigen vader en heeft mogelijk gevolgen voor de hechting.
-Veilig Thuis maakt zich zorgen om [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] , omdat ouders in een conflictscheiding lijken te zitten. De kinderen krijgen de ruzies mee en kunnen mogelijk klem komen te zitten tussen hun ouders.
-Veilig Thuis maakt zich zorgen om u, vader, omdat u meerdere keren heeft gedreigd een einde aan uw leven te maken.
-Veilig Thuis maakt zich zorgen om moeder omdat zij meerdere malen bedreigd is door vader. Veilig Thuis is bezorgd dat moeder angstig is en dat er een kans is dat zij emotioneel verminderd beschikbaar is voor de kinderen.
Wat is er nodig om de grootste zorg weg te nemen en tot de gewenste situatie te komen?
Het is van belang dat de veiligheidsvoorwaarden worden nageleefd en dat u actief nadenkt hoe u kunt voorkomen dat de emoties hoog oplopen als het gaat over uw ex-partner. Wij denken dat hulpverlening kan helpen voor u; POH kan u mogelijk helpen met betrekking tot uw emotie-regulatie. Een training voor de kinderen kan voor hen helpend zijn zodat zij niet in de knel komen te zitten. De rechter zal mogelijk met advies komen rondom de omgangsregeling en eventuele hulp hiervoor.”
Daarbij is een MASIC uitgevoerd met als onderzoeksvraag:
Is er sprake van kindermishandeling/huiselijk geweld?Hieruit is het volgende naar voren gekomen:

“Onze overwegingen / analyse

Analyse vanuit de MASIC (interview):
Wat duidelijk naar voren komt is dat u en uw ex-partner lang bij elkaar zijn geweest en dat er tijdens de relatie geen sprake was van dreigementen of ernstige vormen van geweld. De breuk was voor u onverwacht. Sinds u beiden uit elkaar bent gegaan is er veel boosheid en onbegrip. Er is geen fijne manier van communiceren tussen u beiden. Dit heeft ook geleid tot de dreigementen. U heeft het gevoel gehad dat u uit de tent werd gelokt door uw ex-partner en dat zij uit was op uw geld (bijv, alimentatie). Als conclusie kan er worden getrokken dat er sprake is van 'door de scheiding uitgelokt geweld' (Separation-instigated Violence).
Uit de MASIC komt naar voren dat u beiden niet met elkaar in één ruimte willen en kunnen zijn. Communiceren over de opvoeding en het maken van een ouderschapsplan is op dit moment nog niet gelukt op een constructieve manier. Afgelopen 1.5 jaar is er gecommuniceerd via de mail. Een andere manier van communiceren is niet haalbaar. Wat dat betreft is communiceren over de mail een goed alternatief, echter, er zijn afgelopen jaar forse dreigementen via de mail gekomen. Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt wat er via de mail wordt gecommuniceerd (alleen als het de kinderen betreft) en hoe u met elkaar communiceert (zakelijk). Er loopt nu ook een rechtszaak om vast te stellen hoe de verdeling voor de kinderen gaat zijn.”
Gelet op het incident tussen de ouders, waarvoor de vader is veroordeeld, en de tussenkomst van Veilig Thuis is er in de periode tussen september 2024 en december 2024 weinig contact geweest tussen de vader en de kinderen. Uiteindelijk is de week-op-week-af-regeling weer hervat tot 7 juli 2025. Op die datum heeft de vader de moeder twee e-mails gestuurd met de volgende inhoud:
“Ik heb geen werk meer en heb geen contact meer met familie contact met niemand en
ja ik zal 1 deze dagen op straat staan . Maar dat doet er niet toe . Wil dat de kinderen
gelukkig zijn en dat moet dan zonder mij ??
Ik kan niet meer voor mij kinderen zorgen.dat is het allerbelangrijkste en het
allerlaatste wat ik kwijt ben je hebt gewonnen [de moeder] jij hebt wat je zo graag wou”
Naar aanleiding van deze e-mails werd de week-op-week-af-regeling (opnieuw) niet langer nageleefd. Inmiddels gaat het volgens de vader veel beter met hem. Hij spreekt de kinderen telefonisch op vaste momenten en ziet hen in beginsel om de week op de zondag. Volgens de moeder gaan veel contactmomenten niet door of verlopen deze niet volgens afspraak (de vader haalt ze later op of brengt ze eerder terug). Volgens de vader klopt dat niet.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt de rechtbank als volgt. De moeder heeft de afgelopen jaren het grootste gedeelte van de zorg op zich genomen. Het (sociale) leven van de kinderen speelt zich dan ook grotendeels af bij de moeder in [plaats 1] . Gelet daarop zal de rechtbank bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben. Dit betekent dat de kinderen ook op het adres van de moeder moeten worden ingeschreven.
Met betrekking tot de zorgregeling heeft de moeder aangevoerd dat zij idealiter een week-op-week-af-regeling wenst, maar dat de fysieke en mentale toestand van de vader momenteel niet goed genoeg is om dit te realiseren. Daarom heeft zij in oktober 2025 voorgesteld dat de kinderen om de week van vrijdagmiddag na school tot vrijdagavond 20:30 uur en van zondag 11:00 uur tot 19:00 uur bij hem zijn.
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, constateert de rechtbank dat sprake is van een zorgelijke situatie, waarin veel onduidelijkheden bestaan voor de kinderen. De zorgregeling is meerdere keren drastisch gewijzigd. Dat is niet in het belang van de kinderen: zij moeten weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast blijkt uit het verslag van Veilig Thuis dat de vader, tegen de adviezen in, geen hulp heeft gezocht. Daarom zal de rechtbank een zorgregeling vaststellen, waarbij de kinderen iedere week van vrijdag uit school tot 20:30 uur en om de week op zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur bij de vader zijn. Omdat de vader op de zitting heeft aangegeven dat hij met zijn werkgever kan regelen dat hij iedere vrijdag vrij is, gaat de rechtbank ervan uit dat hij deze regeling kan nakomen.
Op dit moment is van groot belang dat deze zorgregeling wordt uitgevoerd, zodat de kinderen weten waar ze aan toe zijn en de moeder het vertrouwen kan krijgen dat de vader zich verantwoordelijk gedraagt en de kinderen niet langer belast met negatieve uitlatingen over haar of zichzelf. Deze regeling dient daarom de komende tijd ook in de vakanties door te lopen, zodat de rechtbank geen vakantieregeling zal vaststellen.
Beheer paspoorten en opleggen dwangsom
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt het volgende. De hoofdverblijfplaats van de kinderen is bij de moeder. Daarbij neemt zij het grootste deel van de zorg en verantwoordelijkheid voor de kinderen op zich. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de moeder de paspoorten van de kinderen in beheer zal hebben. De rechtbank acht het daarbij niet van belang dat de vader de paspoorten kennelijk heeft betaald. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder de paspoorten van de kinderen aan de vader zal meegeven als dat nodig is.
Verder is de rechtbank op de zitting gebleken dat de vader niet inziet waarom de moeder de paspoorten van de kinderen zou moeten beheren. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om, zoals verzocht, een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal deze wel matigen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken. De moeder verzoekt om uit te gaan van de datum van indiening van haar verzoek, 20 november 2024. De vader refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank bepaalt de ingangsdatum van de kinderalimentatie op de datum van indiening van het verzoekschrift, omdat de vader vanaf dat moment er rekening mee heeft kunnen houden dat hij kinderalimentatie zou moeten gaan betalen.
Behoefte
Bij berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn.
De ouders zijn in mei 2023 uit elkaar gegaan.
De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen € 1.100,- per maand bedraagt, te weten € 550,- per maand per kind. Zij gaat daarbij uit van een inkomen van € 1.600,- netto per maand aan de zijde van de moeder en € 2.400,- netto per maand aan de zijde van de vader.
Deze behoefte komt de rechtbank niet onredelijk voor en is door de vader niet weersproken, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. De rechtbank indexeert dit bedrag naar 2024, zodat de behoefte van de kinderen € 1.168,- bedraagt, te weten € 584,- per maand per kind.
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld. Daarvoor is het van belang de draagkracht van de ouders te berekenen.
Draagkracht moeder
De moeder heeft haar eigen draagkracht inclusief kindgebonden budget berekend op € 673,- per maand op basis van een NBI van € 3.245 per maand en een bruto arbeidsinkomen van € 2.575,- per maand. Dit is in lijn met de door de moeder overgelegde salarisstroken en door de vader niet weersproken.
De rechtbank zal daarom de berekening van de moeder volgen en uitgaan van een draagkracht van € 673,- per maand.
Draagkracht vader
De vader heeft geen financiële gegevens overgelegd. De moeder heeft in de draagkrachtberekening van de vader rekening gehouden met de uitlatingen die hij heeft gedaan over zijn inkomen in het kader van de kortgedingprocedure over de verdeling van de woning. Het komt de rechtbank onredelijk voor om de vader aan die uitlatingen te houden. Deze zijn gedaan in een ander juridisch kader, waarbij de vader er belang bij had zijn inkomen hoger te doen voorkomen dan daadwerkelijk het geval was.
Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij glaszetter is en dat hij € 2.720,- netto per maand verdient. De rechtbank constateert dat dit bedrag in lijn ligt met het gemiddelde inkomen van een glaszetter volgens
www.werkzoeken.nl. Ook ligt dit bedrag in lijn met het inkomen waarmee de moeder heeft gerekend in het kader van de behoefte. Gelet op het voorgaande sluit de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vader aan bij het door de vader genoemde netto inkomen, ook al heeft hij dat niet met financiële stukken onderbouwd. Genoemd bedrag komt neer op een bruto bedrag van € 3.209,-, per maand en dient vermeerderd te worden met 8% vakantietoeslag. De rechtbank berekent het NBI van de vader dan op € 2.870,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [ 2.870 – (861 + 1.310)] = € 489,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht en draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.162,- per maand (€ 673,- + € 489,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 6,- per maand.
Zorgkorting
De moeder gaat in haar berekening uit van een zorgkortingspercentage van 15%. De vader heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank een zorgkorting van 15% zal toepassen. De zorgkorting bedraagt dan € 175,- % (15 % van € 1.168,-)
Omdat sprake is van een tekort van € 6,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de vader. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 173,- per maand (€ 175, minus € 3,-).
Het aandeel van de vader in de kosten van de kinderen bedraagt dan € 316,- per maand (€ 489,- minus € 172,-), wat neerkomt op € 158,- per maand per kind.
Conclusie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader met ingang 20 november 2024 aan de moeder te betalen kinderalimentatie bepalen op € 158,- per maand per kind. Dit is geïndexeerd naar 2025 € 168,- en per 1 januari 2026 € 176,- per maand per kind. De indexering per 1 januari 2026 volgt uit de wet zodat de rechtbank dat niet in het dictum zal opnemen.
Het meer of anders verzochte met betrekking tot de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
*
bepaalt een zorgregeling, waarbij de kinderen iedere week van vrijdag uit school tot 20:30 uur en om de week op zondag van 11:00 uur tot 19:00 uur bij de vader verblijven;
*
beveelt de vader om de paspoorten van de kinderen binnen twee weken na deze beschikking aan de moeder af te geven, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25,- per dag per paspoort, met een maximum van € 1.000,-;
;
bepaalt dat de vader aan de moeder, over de periode 20 november 2024 tot en met 31 december 2024 een kinderalimentatie van € 158,- per maand per kind moet betalen, en met ingang van 1 januari 2025 € 168,- per kind per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2025.