De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, een 64-jarige vrouw met een schizoaffectieve stoornis. Eerder was een machtiging verleend voor zes weken, waarna de rechtbank de verdere behandeling aanhield vanwege het belang van aanvullend onderzoek door het UMC Utrecht.
Betrokkene wenst vrijwillig medicatie af te bouwen en verzet zich tegen verplichte medicatie, terwijl de verpleegkundige en het UMC adviseren over te stappen op clozapine vanwege minder bijwerkingen. De rechtbank constateert dat betrokkene nog steeds lijdt aan een psychische stoornis die bij ontregeling ernstig nadeel kan veroorzaken. De advocaat betwist het ernstig nadeel, maar de rechtbank acht verplichte zorg noodzakelijk omdat betrokkene zich anders aan zorg zal onttrekken.
De rechtbank beveelt een onafhankelijk deskundigenonderzoek om te beoordelen welke risico's en nadelen betrokkene loopt bij het stoppen van medicatie. De zorgmachtiging wordt verlengd tot 6 januari 2026, waarbij verplichte zorgmaatregelen zoals medicatietoediening en bewegingsbeperkingen kunnen worden toegepast. De verdere behandeling van het verzoek wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting uiterlijk 6 januari 2026.