ECLI:NL:RBDHA:2025:26644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
C/09/679985 / FA RK 25-980
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling begeleide omgangs- en informatieregeling voor kwetsbaar kind

De rechtbank Den Haag behandelde op 17 december 2025 een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag te verkrijgen over zijn minderjarige dochter en een omgangsregeling vast te stellen. De moeder oefent momenteel het gezag alleen uit en de vader heeft de dochter erkend. De vader verzocht primair een 50/50 omgangsregeling, subsidiair een minder frequente omgang en meer subsidiair een begeleide omgang. Tevens verzocht hij om een informatieregeling en de moeder te veroordelen tot nakoming.

De rechtbank oordeelde dat gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van het kind is vanwege de verstoorde communicatie tussen ouders, het gebrek aan vertrouwen en de complexe medische situatie van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens afwijzing van het gezamenlijk gezag omdat stabiele communicatie ontbreekt.

Ten aanzien van de omgang stelde de rechtbank vast dat het kind een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis heeft en veel behoefte heeft aan structuur en voorspelbaarheid. Contactherstel met de vader is in het belang van het kind, maar dient zorgvuldig en onder professionele begeleiding te gebeuren. De omgangsbegeleiding wordt voortgezet onder regie van een aangewezen instantie.

De informatieregeling werd toegewezen, waarbij de moeder de vader minimaal eenmaal per maand per e-mail informeert over belangrijke zaken zoals school, gezondheid en behandelingen, inclusief het sturen van een foto of filmpje. De rechtbank hield verdere beslissingen over de definitieve omgangsregeling en proceskosten aan tot na het begeleidingsproces en stelde een pro forma datum van 1 december 2026 vast.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen; begeleide omgangsregeling en maandelijkse informatieregeling toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-980
Zaaknummer: C/09/679985
Datum beschikking: 17 december 2025

Gezag, zorgregeling c.q. omgangsregeling en informatieregeling

Beschikking op het op 24 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.Th.L. Ubaghs te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9 formulier van 14 maart 2025, met bijlage, van de zijde van de vader;
  • de brief van 30 oktober 2025 van de zijde van de vader;
  • de brief van 30 oktober 2025 van de zijde van de moeder
  • Het F9 formulier van 7 november 2025, met bijlage, van de zijde van de vader.
  • het verweerschrift;
  • het F9 formulier van 18 november 2025, met bijlage, van de zijde van de moeder.
Op 19 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nu nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats].
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • [minderjarige] verblijft bij de moeder.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
  • Bij vonnis van deze rechtbank van 11 februari 2025 en verbeterd bij vonnis van deze rechtbank van 25 maart 2025 is – voor zover hier van belang – :
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is en of omgang met haar vader in het belang van [minderjarige] is;
- bepaald dat de moeder de vader voorlopig eenmaal per maand over [minderjarige] dient te informeren, in elk geval doch niet uitsluitend over haar school, opvang en gezondheid;
- vastgesteld dat de vader en de moeder zijn doorverwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – :
de vrouw tot nakoming van de tussen partijen overeengekomen 50/50 omgangsregeling te veroordelen;
-primair als omgangsregeling te bepalen dat [minderjarige] de helft van de week (in een 3-4-4-3 verdeling) bij de man zal zijn;
-subsidiair een omgangsregeling te bepalen, waarbij zij drie weekenden per maand van vrijdag na school althans vanaf [zorginstantie 1] om 13.15 uur tot maandagochtend naar school althans tot de kinderopvang om 8.30 uur en op de woensdagen van 10 uur tot 16.00 uur bij de man zal zijn;
-meer subsidiair een begeleide omgangsregeling vast te stellen, waarbij hij het kind
twee dagdelen op maandag of woensdag van 14.00 -18.00 uur en/ of vrijdag of
zondag van 10.00 uur- 14.00 uur, begeleid door een instantie en / of door een door de man te bepalen derde bij zich zal hebben althans elke andere regeling;
de man het gezamenlijk gezag toe te kennen;
te bepalen dat de vrouw de man eenmaal per maand over het wel en wee van [minderjarige], in elk geval doch niet uitsluitend over alle schoolaangelegenheden van [minderjarige], over haar opvang en haar gezondheid (alle behandelingen) vooraf en tijdig dient te informeren, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat de vrouw daarin nalatig is;
althans een andere omgangs- en informatieregeling vast te stellen die uw rechtbank in goede justitie redelijk acht;
de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Gezag
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253c eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Het verzoek om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind.
Standpunt van de ouders
De vader verzoekt gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast. Hij stelt daartoe dat het ontbreken van gezamenlijk gezag geen recht doet aan het contact en de band die hij met [minderjarige] heeft. De slechte communicatie tussen de ouders is onvoldoende reden om geen gezamenlijk gezag toe te kennen. Ook heeft de vader geen psychische klachten meer en staat hij enkel op vrijwillige basis onder behandeling. Volgens de vader is de communicatie tussen de ouder niet blijvend verstoord. De vader wil meer betrokken zijn in het leven van [minderjarige] en zeggenschap hebben bij belangrijke beslissingen. Hij vreest dat zolang hij niet mede met het gezag wordt belast er voor de moeder geen aanleiding bestaat om hem bij het leven van [minderjarige] te betrekken
De moeder voert verweer en is van mening dat het verzoek om gezamenlijk gezag dient te worden afgewezen. Volgens de moeder is er geen overleg of communicatie met de vader waardoor gezamenlijke besluitvorming niet mogelijk is. Als de beslissingen niet gezamenlijk kunnen worden genomen voorziet de moeder veel problemen. De moeder wijst erop dat, gelet op de medische situatie van [minderjarige], er continu beslissingen dienen te worden genomen. Daar komt bij dat de vader zich in het recente verleden instabiel heeft getoond, was hij vaak voor langere tijd afwezig en vertoonde hij agressief en onvoorspelbaar gedrag. Daarnaast heeft de moeder de ervaring dat de vader onvoldoende inlevingsvermogen en opvoedvaardigheden heeft, hetgeen risico’s oplevert voor de beslissingen die moeten worden genomen en de verzorging en ontwikkeling van [minderjarige].
Standpunt van de Raad
Bij vonnis van deze rechtbank van 11 februari 2025 welke is verbeterd bij vonnis van 25 maart 2025 is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten. De rechtbank heeft aan de Raad onder andere gevraagd om te onderzoeken of gezamenlijk gezag in het belang is van [minderjarige].
De Raad adviseert naar aanleiding van zijn onderzoek om het verzoek van de vader om hem mede met het ouderlijk gezag over [minderjarige] te belasten, af te wijzen. [minderjarige] en de vader hebben nu langer dan anderhalf jaar geen contact met elkaar gehad. Gezamenlijk gezag vereist dat er sprake is van stabiele communicatie en samenwerking tussen de ouders en die basis is nu onvoldoende aanwezig.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kinderen uitoefenen, omdat dit in het belang van de kinderen wordt geacht. Hiervoor is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Die situatie doet zich op dit moment niet voor. De communicatie tussen de ouders is zodanig verstoord dat zij niet in onderling overleg tot afspraken kunnen komen over [minderjarige] en er is, aan de zijde van de moeder, sprake van een gebrek aan vertrouwen. Bovendien vraagt de neurocognitieve aandoening van [minderjarige] continue afstemming tussen de ouders. Dat is op dit moment niet goed voorstelbaar en hier zal eerst aan gewerkt dienen te worden. Bovendien is er al anderhalf jaar geen contact tussen de vader en [minderjarige] en ziet de rechtbank ook niet in hoe de vader op dit moment kan overzien wat in het belang van [minderjarige] verstandige beslissingen zijn die in het kader van uitoefening van het gezag genomen moeten worden. De rechtbank is daarom van oordeel dat gezamenlijk gezag over [minderjarige] op dit moment niet in haar belang. De rechtbank ziet ook geen reden om de beslissing ten aanzien van het gezamenlijk gezag aan te houden en wijst het verzoek van de vader daarom af.
Nu de rechtbank het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige] te belasten zal afwijzen, wordt in het vervolg gesproken over de omgangsregeling.
Omgangsregeling
Wettelijk kaderOp grond van artikel 1:377a eerste lid BW heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met het kind. Op grond van artikel 1:377a tweede lid BW stelt de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Standpunten van de ouders
De vader verzoekt een omgangsregeling te bepalen. De vader heeft aangegeven dat de ouders na het beëindigen van hun relatie afspraken hebben gemaakt over een regeling tussen de vader en [minderjarige] die erop neer kwam dat [minderjarige] 50% van de tijd bij de moeder en 50% van de tijd bij de vader zou zijn. Aan deze regeling is langere tijd uitvoering gegeven, maar is nadat de vader terug was gekomen uit [land] niet meer nagekomen. De vader was vrijwillig onder behandeling in verband met verslavingsproblemen en is om de behandeling te versnellen vertrokken naar een kliniek in [land]. Bij terugkomst heeft de vader de vrijwillige behandeling voortgezet. Ook was de vader onder behandeling in verband met PTSS. Volgens de vader lukte het om die reden niet de tussen de ouders gemaakte afspraken altijd na te komen waardoor de omgang na enige tijd is gestopt. De vader verzoekt nu primair een omgangsregeling te bepalen waarbij [minderjarige] de helft van de week bij hem zal zijn. Subsidiair verzoekt de vader een regeling te bepalen waarbij [minderjarige] drie weekenden per maand van vrijdag na school/opvang tot maandagochtend naar school/opvang bij de vader zal zijn en meer subsidiair verzoekt de vader een begeleide omgangsregeling vast te stellen.
De moeder voert verweer en is van mening dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te leggen, dient te worden afgewezen. De moeder stelt dat omgang tussen de vader en [minderjarige] op dit moment niet in het belang is van [minderjarige]. Er is sprake van complexe problematiek en [minderjarige] heeft rust, structuur en voorspelbaarheid nodig. De moeder geeft daarnaast ook aan dat het raadsrapport onzorgvuldig tot stand is gekomen aangezien er in het rapport geen rekening is gehouden met het verleden tussen de vader en de moeder en de vervelende gebeurtenissen die tussen hen hebben plaatsgevonden.
Standpunt van de Raad
De rechtbank heeft in de hierboven genoemde vonnis ook aan de Raad gevraagd te onderzoeken welke omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is. Uit het raadrapport blijkt dat de Raad van mening is dat het in het belang van [minderjarige] is om contact te hebben met de vader. Het contact met de vader zal bijdragen aan de emotionele en sociale ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] is in haar ontwikkeling sterk afhankelijk van een voorspelbare en vertrouwde omgeving die haar communicatieve mogelijkheden en belevingswereld goed kent. [minderjarige] heeft een specialistische benadering nodig om goed met haar in contact te komen en blijven. Het blijft voor [minderjarige] essentieel dat de afspraken en de verwachtingen die zij mag hebben, helder zijn.
Het ontbreken van betekenisvol contact met de vader kan directe gevolgen hebben voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige], zo heeft de Raad aangegeven. Contact met belangrijke personen in haar leven is op haar leeftijd essentieel voor het ontwikkelen van een gevoel van veiligheid en verbondenheid. Wanneer dit ontbreekt ontstaat er onzekerheid over haar plaats en identiteit. De Raad is van mening dat gelet op haar ontwikkelingsstoornis en voorgeschiedenis zij juist nu behoefte heeft aan stabiele en voorspelbare relaties die haar hierin ondersteunen.
De vader en [minderjarige] hebben elkaar anderhalf jaar niet gezien waardoor het volgens de Raad belangrijk is om het contact zorgvuldig op te bouwen. De Raad adviseert contactherstel te laten plaatsvinden door middel van begeleiding vanuit [zorginstantie 2] en onder regie van [zorginstantie 3]. Dit biedt volgens de Raad voldoende structuur en veiligheid en helpt de ouders met elkaar in gesprek te gaan in het belang van [minderjarige]. De Raad adviseert het contact voorlopig onder begeleiding te laten plaatsvinden waarbij de frequentie en de duur wordt bepaald door de begeleidende instantie. Het is ook belangrijk dat eventuele toekomstige hulpverlening en school ook worden betrokken bij het (her)opstarten van contact met de vader, zodat het gedrag van [minderjarige] voor en na contactmomenten gemonitord kan worden door professionals.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is duidelijk geworden dat [minderjarige] een heel kwetsbaar kind is. [minderjarige] heeft een neurocognitieve ontwikkelingsstoornis en een taalontwikkelingsstoornis en heeft hierdoor moeite met praten en het verwerken van taal. [minderjarige] heeft daardoor veel behoefte aan structuur, voorspelbaarheid en duidelijkheid en vraagt om die reden ook veel van haar opvoeders en verzorgers. Daarnaast staat niet ter discussie dat [minderjarige] getuige is geweest van vervelende en heftige gebeurtenissen tussen de ouders.
Ondanks deze ontwikkelingen en de vervelende gebeurtenissen tussen de ouders heeft de moeder tot maart 2024 meegewerkt aan het faciliteren van omgang tussen de vader en [minderjarige]. De vader is vrijwillig in behandeling gegaan bij [zorginstelling] met het doel om te werken aan de verschillende problemen waarmee hij mee te kampen had en die ook de aanleiding zijn geweest voor de vervelende en heftige gebeurtenissen tussen de ouders. Hoewel ook duidelijk is dat de moeder er onvoldoende vertrouwen in heeft dat de vader voldoende geholpen is voor zijn problemen, wijzen het onderzoek van de Raad en de mededelingen van [zorginstelling] erop dat de vader de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt en stappen heeft gezet. [zorginstelling] heeft aangegeven dat de vader succesvol is behandeld voor PTSS en momenteel niet meer voldoet aan kenmerken van een posttraumatische stressstoornis. Door de behandelingen van de vader was hij niet altijd meer beschikbaar om de door de ouders afgesproken omgangsregeling na te komen waardoor de routine van [minderjarige] verstoord raakte. De vader heeft al geruime tijd geen contact met [minderjarige].
Tegen de hierboven geschetste achtergrond is de rechtbank van oordeel dat contactherstel met haar vader in het belang van [minderjarige] is. Hoewel de rechtbank de ogen niet sluit voor het verleden tussen de ouders en de problemen waar vader mee te kampen heeft, is voldoende duidelijk dat de vader met succes behandelingen heeft ondergaan. Uiteraard zal de moeder de tijd moeten krijgen om het vertrouwen in de vader terug te krijgen maar het belang van [minderjarige] brengt mee dat er op korte termijn contactherstel met haar vader moet plaatsvinden. Daar heeft [minderjarige] ook recht op. Bovendien is contactherstel nodig om de vader daadwerkelijk de kans te geven aan te sluiten bij [minderjarige] en voor haar de vader te zijn die hij zo graag wil zijn. De rechtbank ziet ook niet in waarom de moeder zich nu verzet tegen begeleide omgang om een begin te maken met contactherstel tussen de vader en [minderjarige]. Het is echter ook duidelijk dat contactherstel onder professionele begeleiding dient te gebeuren. De voorzieningenrechter heeft ook bij vonnis van begin dit jaar vooruitlopend op de bodemprocedure de ouders ambtshalve doorverwezen naar omgangsbegeleiding in afwachting van het advies van de Raad. Voorafgaand aan de zitting is geconstateerd dat die doorverwijzing niet goed is gegaan. Als dat wel goed was gegaan dan was het beoogde traject al gestart. De rechtbank heeft het proces-verbaal van doorverwijzing voorafgaand aan de zitting opnieuw verzonden naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking ook per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal verder iedere verder beslissing over de definitieve omgangsregeling aanhouden in afwachting van het omgangsbegeleidingstraject. De ouders en de uitvoerende hulpverleningsinstantie dienen de rechtbank voor de pro forma datum – 1 december 2026 – te berichten over het verloop van het traject en de voortgang van de procedure.
Informatieregeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen, tenzij dit niet in het belang van het kind is.
Standpunt van de ouders
De vader wil graag op de hoogte worden gehouden van de ontwikkelingen van [minderjarige] en verzoekt een informatieregeling vast te leggen waarbij de moeder hem minimaal
eenmaal per maand moet informeren over het wel en wee van [minderjarige], in het bijzonder
over (medische) behandelingen, school(voortgang) en vakanties zodat de vader weet wat er in het leven van [minderjarige] speelt en hij daarbij kan aansluiten in het contact met haar.
Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij graag wil weten wie zijn dochter is en naast informatie ook graag foto’s en filmpjes ontvangt. De moeder heeft aangegeven dat het informeren van de vader geen enkel probleem is. Als de vader aan de moeder per e-mail vragen zou stellen over [minderjarige] dan zal de moeder deze beantwoorden.
Inhoudelijke beoordeling
Aangezien op de zitting is gebleken dat de moeder geen bezwaar heeft tegen het verzoek van de vader om een informatieregeling te bepalen zal de rechtbank een informatieregeling vaststellen waarbij de moeder één keer per maand per e-mail de vader moet informeren over belangrijke dingen rondom [minderjarige] zoals over haar ontwikkelingen op school en op medische vlak. Daarbij moet de moeder ook een foto en een filmpje sturen van [minderjarige]. Het is van belang dat de moeder de vader informeert over de ontwikkelingen die [minderjarige] maakt zodat de vader te zijner tijd handvatten krijgt om in de omgangsmomenten goed bij [minderjarige] te kunnen aansluiten.
Proceskosten
Nu de rechtbank bij deze beschikking nog geen definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal nemen en de procedure verder zal aanhouden, zal ook een beslissing omtrent de proceskosten worden aangehouden.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek tot gezamenlijk gezag af;
bepaalt dat de moeder eenmaal per maand de vader dient te informeren over belangrijke aangelegenheden rond [minderjarige] waaronder in ieder geval begrepen het verschaffen van informatie over school en haar gezondheid en behandelingen die zij ondergaat en het sturen van een foto en/of filmpje van [minderjarige];
stelt vast dat partijen:
naam: [de vader],
adres: [adres 1], [postcode 1] te [plaats],
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag,
als vorderende partij,
en
naam: [de moeder],
adres: [adres 2], [postcode 2] te [plaats],
advocaat: mr. I. Ubaghs te Den Haag,
als verwerende partij,
bij vonnis van 11 februari 2025 welke is verbeterd bij vonnis van 25 maart 2025 zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Omgangsbegeleiding en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
bepaalt dat het contact tussen de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] en de vader binnen het traject omgangsbegeleiding moet worden hersteld en voorlopig onder regie van de aangewezen instantie zal plaatsvinden;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking en een afschrift het vonnis van 11 februari 2025 welke is verbeterd bij vonnis van 25 maart 2025 te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg,
bepaalt dat partijen de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren omtrent het verloop van het omgangsbegeleidingstraject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert omtrent het verloop van het traject, met kopie aan beide ouders daarvan;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de definitieve omgangsregeling en de proceskosten aan tot
1 december 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door
mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2025.