ECLI:NL:RBDHA:2025:26656

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695293 / JE RK 25-2043
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige in belang van verzorging en opvoeding

De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die sinds juni 2025 onder toezicht staat en in een logeerhuis verblijft. De zitting vond plaats met gesloten deuren, waarbij de vader en een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling aanwezig waren. De moeder was afwezig.

De minderjarige heeft positieve ontwikkelingen doorgemaakt en staat open voor behandeling. Er is betrokkenheid van zorginstanties om passend onderwijs en dagbesteding te vinden. De kinderrechter acht het verlengen van de uithuisplaatsing noodzakelijk omdat een terugkeer naar huis nog niet mogelijk is door conflicten met de moeder.

De vader steunt de verlenging en werkt zelf aan verbetering van de situatie. De kinderrechter verlengt de machtiging tot 20 juni 2026, de duur van de ondertoezichtstelling, en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 20 juni 2026 en de beschikking is direct uitvoerbaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/695293 / JE RK 25-2043
Datum uitspraak: 17 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De moeder is niet verschenen. De moeder heeft zich per e-mail afgemeld voor de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] is voorafgaand aan de zitting met de kinderrechter in gesprek gegaan. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
[minderjarige] is erkend door de vader.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.3.
[minderjarige] verblijft in een logeerhuis van [zorginstantie 1].
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 juni 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 juni 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 december 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Sinds enkele weken lijkt er een positieve verandering te zijn ontstaan bij [minderjarige]. [minderjarige] lijkt open te staan voor behandeling om beter met haar emoties om te leren gaan. Omdat [minderjarige] niet naar school gaat, is de leerplichtambtenaar betrokken en [minderjarige] is verwezen naar [zorginstantie 2]. De coach van [zorginstantie 2] gaat onderzoeken welke vorm van onderwijs passend is bij de situatie van [minderjarige]. Verder is het belangrijk dat er systemische hulp voor het gezin komt in het belang van [minderjarige]. Eerdere therapie binnen het gezin is niet van de grond gekomen. Ook de vader en de moeder moeten beter met elkaar gaan samenwerken. De stijgende lijn van [minderjarige] moet worden voortgezet. Daarvoor is het van belang dat [minderjarige] in de rustige en stabiele omgeving van het logeerhuis kan blijven wonen en [minderjarige] zich vanuit daar verder kan gaan ontwikkelen. Op deze manier komt er geen druk te liggen op de ouder-kindrelatie en kunnen de moeder en de vader hun rol als ouder vervullen zonder voortdurend in conflict te raken.

4.De standpunten

4.1.
Door de vader is naar voren gebracht dat het gedrag van [minderjarige] in positieve zin is veranderd. De vader staat achter [minderjarige] en gelooft in haar. De vader hoopt dat [minderjarige] uiteindelijk weer één keer in de week kan langskomen bij de vader en zijn gezin. De vader is afgelopen jaar zelf met hulpverlening gestart om te leren omgaan met de situaties die met [minderjarige] samenhangen. Mocht het tussen de vader en [minderjarige] beter gaan dan staat de vader open om de hulpverlening bij [zorginstantie 3] weer op te pakken. De vader is van mening dat [minderjarige] op de goede weg is en is het eens met de verlenging van de uithuisplaatsing.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[minderjarige] heeft de afgelopen periode positieve stappen gezet. Zij is gestart met haar behandeling en [zorginstantie 2] is betrokken om op zoek te gaan naar een passende dagbesteding en passend onderwijs voor [minderjarige]. Het is van belang dat [minderjarige] vanuit een stabiele omgeving aan zichzelf kan blijven werken en toekomt aan haar ontwikkeling. Een thuisplaatsing bij de moeder is op dit moment nog niet haalbaar omdat er nog te vaak conflicten zijn tussen [minderjarige] en de moeder. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom noodzakelijk.
5.3.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 20 juni 2026, te verlengen.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 20 juni 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. van der Laken als griffier, en op schrift gesteld op 24 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.