AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De minister van Asiel en Migratie legde op 1 februari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank behandelde het beroep op 17 februari 2025. De minister motiveerde de bewaring met het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiser betwistte de feitelijke gronden niet, maar voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn en dat de maatregel disproportioneel en in strijd met het EVRM was, omdat hij bereid was terug te keren naar Algerije.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond, mede vanwege eerdere ontvluchting van toezicht, gebrek aan documenten en financiële middelen, en tegenstrijdige verklaringen van eiser over zijn terugkeerbestemming. De maatregel werd niet als disproportioneel of EVRM-schendend beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6069
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eiser rechtmatig is.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
Gronden van de maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser heeft de zware en lichte gronden van de maatregel niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel / Disproportionaliteit/Strijd EVRM
4. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. De maatregel is disproportioneel en in strijd met artikel 3 enPro 5 van het EVRM. Eiser voert daartoe aan dat hij heeft aangegeven terug te willen naar Algerije en ook te willen meewerken aan zijn terugkeer. Eiser is bereid om contact op te nemen met het consulaat van Algerije.
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Eiser heeft bij zijn gehoor voorafgaand aan de bewaring aangegeven dat hij niet naar zijn gestelde land van herkomst Algerije wil, maar naar Spanje. Eiser is eerder al een keer met onbekende bestemming uit de opvang vertrokken waarmee hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Eiser kan niet (op korte termijn) zelfstandig terugkeren want eiser heeft daarvoor geen (originele) documenten en ook geen financiële middelen. Eiser heeft ook zelf verklaard financiële hulp nodig te hebben voor een vertrek. Dat eiser nu na zijn inbewaringstelling verklaart terug te willen naar Algerije, is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. De rechtbank is verder van oordeel dat de maatregel van bewaring niet disproportioneel is of in strijd met het EVRM. Eiser zit nog niet zo lang in bewaring. Daarnaast handelt de minister voldoende voortvarend door op 7 februari 2025 een vertrekgesprek met eiser te voeren en op 14 februari 2025 een laissez passer aanvraag in te dienen bij de Algerijnse autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 februari 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.