ECLI:NL:RBDHA:2025:26710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/679324 / JE RK 25-167 en C/09/681361 / FA RK 25-1672
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging van gezag en omgangsregeling in een jeugdzorgzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 18 december 2025 een beschikking gegeven met betrekking tot de wijziging van het gezag en de omgangsregeling van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats]. De vader heeft verzocht om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige], omdat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is en er zorgen zijn over de ontwikkeling van het kind. De rechtbank heeft vastgesteld dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, en dat wijziging van het gezag in het belang van het kind noodzakelijk is. De rechtbank heeft het verzoek van de vader toegewezen en hem voortaan alleen met het gezag belast.

Daarnaast is de omgangsregeling gewijzigd. De rechtbank heeft bepaald dat [minderjarige] voortaan één keer per maand één uur begeleide omgang heeft met de moeder, waarbij de regie voor de uitbreiding van de omgangsregeling bij de gecertificeerde instelling ligt. Dit besluit is genomen na zorgvuldige overweging van de zorgen die zijn geuit over de omgangsmomenten en de impact daarvan op [minderjarige]. De rechtbank heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/679324 / JE RK 25-167 en C/09/681361 / FA RK 25-1672
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer
Gezag en wijziging omgangsregeling
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering(verzoek I),
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
en
in de zaak van
[de vader](verzoek II),
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te Den Haag,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek I:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.C. Sneper te Baarn,
de vader,
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan in verzoek II:
de moeder,
de gecertificeerde instelling.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 1 mei 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank bepaald dat – met wijziging van de beschikking van 21 november 2024 – van 1 mei 2025 tot 12 juni 2025 de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal gelden:
- [minderjarige] heeft eens per twee weken in de even weken gedurende twee uur “omgang” met de moeder, onder begeleiding van een professional, waarbij de regie voor de uitbreiding van “de omgang” bij de gecertificeerde instelling wordt belegd;
De behandeling van verzoek I is voor het overige aangehouden tot de zitting van 11 juni 2025.
1.2.
Vervolgens heeft de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 11 juni 2025 de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – met wijziging in zoverre van de beschikking van 14 november 2022 –
voor de duur van de lopende ondertoezichtstellingals volgt gewijzigd:
  • gedurende de eerste drie maanden heeft [minderjarige] één keer per maand, in de eerste even week van die maand, contact met de moeder gedurende één uur, onder begeleiding van een professional;
  • na verloop van drie maanden wordt de zorgregeling uitgebreid, in die zin dat [minderjarige] om de week contact heeft met de moeder gedurende één uur, onder begeleiding van een professional, waarbij de regie voor uitbreiding van de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling ligt, voor de duur van de ondertoezichtstelling;
De behandeling van verzoek I is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen zitting gelegen voor 3 december 2025.
1.3.
De rechtbank neemt (nu ook) de volgende stukken mee in de beoordeling:
In verzoek I (C/09/679324 / JE RK 25-167):
- de beschikking van 11 juni 2025;
- de briefrapportage met het gewijzigde verzoek van de gecertificeerde instelling van 23 september 2025 (
ingediend in zaaknummer C/09/692612 / JE RK 25-1713);
- de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 25 november 2025.
In verzoek II (C/09/681361 / FA RK 25-1672):
- het verzoekschrift van de vader met producties, ontvangen op 7 maart 2025;
- het aanvullende verzoekschrift van de vader met producties van 17 november 2025;
- het verweerschrift van de moeder, tevens inhoudende een zelfstandig verzoek, met producties van 25 november 2025;
- het nagezonden stuk van de vader van 26 november 2025.
1.4.
Op 27 november 2025 heeft op de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van het verzoek van de gecertificeerde instelling tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (
C/09/692612 / JE RK 25-1713). Op dat verzoek van de gecertificeerde instelling is bij afzonderlijke beschikking beslist.
1.5.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 november 2025.
Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
1.6.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de voorzitter van de meervoudige kamer. [minderjarige] heeft de rechtbank ook een brief gestuurd. De voorzitter van de meervoudige kamer heeft tijdens de zitting samengevat wat [minderjarige] heeft verteld/geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikkingen van 1 mei 2025 en 11 juni 2025.

3.Het verzoek en standpunt van de gecertificeerde instelling

3.1.
Uit de briefrapportage van de gecertificeerde instelling van 23 september 2025 blijkt dat de gecertificeerde instelling haar verzoek wijzigt. De gecertificeerde instelling verzoekt de eerder vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken te wijzigen, in die zin dat wordt bepaald dat [minderjarige] één keer per maand één uur begeleide omgang heeft met de moeder. De regie voor uitbreiding van de zorgregeling ligt bij de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd.
3.2.
Na de laatste beschikking van 11 juni 2025 hebben er drie begeleide omgangsmomenten plaatsgevonden, te weten op 9 juli 2025, 11 augustus 2025 en 11 september 2025. [minderjarige] heeft op meerdere momenten aangegeven dat zij veel spanning en stress ervaart door de regeling zoals deze nu is vastgesteld. [minderjarige] ervaart veel angst doordat de moeder geregeld boos wordt op de begeleiders. Daarnaast zouden er ook veel stiltes vallen tijdens de omgangsmomenten. Dit wordt ook waargenomen door de begeleiding. Sinds half oktober 2025 heeft er geen contact plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] , omdat dit niet in het belang van [minderjarige] werd gevonden en er eerst een herstelgesprek met de moeder moest plaatsvinden. Op 26 november 2025 is de omgang geëvalueerd. Ook hierbij liepen de emoties bij de moeder hoog op en lukte het niet met haar in gesprek te gaan over de zorgen rondom de omgangsmomenten. De moeder herkent de zorgen niet, waardoor het lastig is om tot een samenwerking met de moeder te komen en te bespreken wat er nodig is om de omgangsmomenten prettig te laten verlopen. De gecertificeerde instelling vindt het zeer zorgelijk dat [minderjarige] zichzelf heeft beschadigd op school. Dit is het zoveelste signaal dat laat zien dat [minderjarige] overbelast is. De gecertificeerde instelling heeft haar direct aangemeld bij [instelling] voor individuele hulpverlening. Ook is de begeleiding van haar coach in uren uitgebreid en zijn er veiligheidsafspraken gemaakt met school. [minderjarige] wordt op dit moment zichtbaar overvraagd en het is belangrijk dat er rust en stabiliteit voor haar komt. Daarvoor is het noodzakelijk dat de frequentie van de omgangsmomenten wordt beperkt tot één keer in de maand één uur begeleide omgang. De begeleiding is nodig om de omgangsmomenten goed te laten verlopen. Om weer tot omgang te komen is het daarnaast nodig dat er een herstelgesprek plaatsvindt met de moeder. Verder is het belangrijk dat de moeder werkt aan haar emotieregulatie. Aangezien [minderjarige] niet bij de moeder woont, moet de moeder hulpverlening daarvoor zelf aanvragen bij de huisarts. Het is de vraag of de moeder daarvoor openstaat.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft zich niet uitdrukkelijk uitgelaten over het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag. Wel geeft de gecertificeerde instelling aan dat [minderjarige] zichtbaar last heeft van de vele zittingen die er plaatsvinden. Ook heeft het niet geven van toestemming voor de afgelopen zomervakantie door de moeder voor veel stress en onrust bij [minderjarige] gezorgd.

4.Het verzoek en standpunt van de vader

4.1.
De vader verzoekt allereerst om hem te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vader heeft al eerder verzocht om eenhoofdig gezag over [minderjarige] , maar dat is destijds, bij beschikking van 14 november 2022, afgewezen omdat de rechtbank er vanuit ging dat de communicatie tussen de ouders nog voor verbetering vatbaar was. Helaas is de communicatie tussen de ouders ook de afgelopen jaren niet verbeterd. Ook de samenwerking tussen de moeder en de verschillende jeugdbeschermers is moeizaam. De moeder dient meerdere klachten in en beschuldigt de gecertificeerde instelling van intimidatie en partijdigheid. Zij werkt onvoldoende mee aan hulpverleningstrajecten en geeft geen zicht op haar thuissituatie. Ook lukt het niet om afspraken met de moeder te maken. Volgens de gecertificeerde instelling wordt [minderjarige] nog altijd ernstig in haar ontwikkeling bedreigd, omdat zij wordt belast met het conflict tussen haar ouders. Dit zorgt voor veel stress en onrust bij [minderjarige] en zij lijdt daar zichtbaar onder. In de zomervakantie hebben er diverse procedures plaatsgevonden voor het verkrijgen van vervangende toestemming voor een vakantie in het buitenland. De vader benadrukt dat dit niet de eerste keer was. Dit heeft voor veel spanning en onrust gezorgd bij [minderjarige] en zij neemt dit haar moeder zeer kwalijk. Niet alleen bij vakanties, maar ook bij het aanvragen van een ID-kaart, een schoolinschrijving en het volgen van danslessen zijn er problemen rondom de toestemming van de moeder. Dat is schadelijk voor [minderjarige] , die al veel heeft meegemaakt. [minderjarige] zit klem tussen haar ouders en de moeder lijkt niet in staat de belangen van [minderjarige] voorop te stellen. Het is daarom belangrijk dat er rust en duidelijkheid komt voor haar. De vader verzoekt dan ook hem voortaan alleen met het gezag te belasten.
4.2.
Verder verzoekt de vader de eerder vastgestelde zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] wordt vormgegeven op aanwijzingen van de gecertificeerde instelling. Indien dat niet leidt tot een normalisering van de contacten, dient de moeder het contact met [minderjarige] ontzegd te worden. De vader volgt het standpunt van de gecertificeerde instelling dat de huidige regeling niet in het belang van [minderjarige] is. Overigens is het de vader bekend dat de moeder ook hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van 11 juni 2025. De zitting bij het hof zal vermoedelijk plaatsvinden op 30 december 2025. De vader maakt zich grote zorgen over de recente incidenten op school. Het is belangrijk dat het belang van [minderjarige] voorop komt te staan en dat haar mening serieus wordt genomen. De omgangsmomenten zorgen voor veel spanning en angst bij [minderjarige] en daarom is een beperking van de contactregeling noodzakelijk.

5.Het verweer en zelfstandige verzoek van de moeder

5.1.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. Daartoe heeft de moeder aangevoerd dat een wijziging van het gezag een ingrijpende maatregel is met verstrekkende gevolgen voor het kind. Het uitgangspunt van de wetgever is gezamenlijk gezag. Uit de staande rechtspraktijk volgt dat er zwaarwegende contra-indicaties moeten zijn die een dergelijke ingrijpende maatregel kunnen rechtvaardigen. Daarvan is in dit geval geen sprake. De moeder is in staat om op verantwoorde wijze invulling te geven aan het gezamenlijk gezag en zij neemt haar verantwoordelijkheden als ouder serieus. Er zijn geen gegronde aanwijzingen dat zij beslissingen blokkeert of dat zij niet in staat zou zijn om gezamenlijk gezagsbeslissingen te nemen. Dat de moeder afgelopen zomervakantie geen toestemming heeft gegeven voor een vakantie naar het buitenland was omdat zij duidelijke afspraken wilde maken met de vader over het contact tussen de moeder en [minderjarige] tijdens die vakantie, maar daar stond de vader niet voor open. Dit incident maakt niet dat het gezag van de moeder beëindigd moet worden. Van structurele problemen in de uitoefening van het gezamenlijk gezag is geen sprake. Ook is geenszins aangetoond dat [minderjarige] klem dreigt te raken door het behoud van het gezamenlijk gezag. De moeder werkt mee met de hulpverlening en staat open voor overleg wanneer dat in het belang van [minderjarige] is. Juist nu de moeder [minderjarige] niet althans weinig ziet, vindt zij het belangrijk dat zij mee kan beslissen en betrokken blijft bij het leven van haar dochter. Het verzoek van de vader komt neer op het (verder) buitensluiten van de moeder terwijl dit niet wordt ondersteund door feiten of omstandigheden die het belang van [minderjarige] raken. Ook vreest de moeder dat het eenhoofdig gezag van de vader zal leiden tot een verdere beperking van het contact tussen [minderjarige] en de moeder. De moeder verzoekt daarom het verzoek van de vader tot eenhoofdig gezag af te wijzen.
5.2.
De moeder staat ook niet achter de door de gecertificeerde instelling en de vader voorgestelde zorg- of omgangsregeling. Bij wege van zelfstandig verzoek heeft de moeder verzocht te bepalen dat er de komende twee maanden één keer per twee weken twee uur begeleide omgang zal zijn. Na twee maanden wordt de begeleiding afgebouwd, waarbij wordt toegewerkt naar een verblijf van [minderjarige] bij de moeder voor één weekend per twee weken. Subsidiair verzoekt de moeder dat de rechtbank een zodanige zorg- of omgangsregeling bepaalt als in het belang van [minderjarige] noodzakelijk wordt geacht. De moeder heeft daartoe aangevoerd dat de band tussen [minderjarige] en de moeder altijd erg sterk is geweest. Dat heeft zij ook aangetoond middels diverse Whatsapp-berichten. [minderjarige] zit echter al langere tijd in een groot loyaliteitsconflict wat maakt dat zij volgens de moeder geen vrij contact kan hebben met haar. De moeder vindt het kwalijk dat de beschikking van 11 juni 2025 niet wordt nageleefd. Sinds 13 oktober 2025 is er geen contact meer geweest tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder herkent zich niet in de zorgen die worden geuit over de omgangsmomenten. Het klopt niet dat zij verbaal agressief is richting de begeleiding. Ook klopt het niet dat er ongemakkelijke stiltes vallen tijdens de omgangsmomenten. De moeder voelt zich niet gehoord en serieus genomen door de gecertificeerde instelling, die alleen maar de kant van de vader kiest. De moeder wordt niet voldoende betrokken en krijgt weinig informatie over haar dochter. Zo heeft zij pas gisteren gehoord over de recente incidenten op school. De moeder maakt zich al langere tijd grote zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader. [minderjarige] heeft haar moeder nodig en het is dan ook noodzakelijk dat de contacten zo snel mogelijk worden hervat en uitgebreid.
5.3.
Mocht de rechtbank zich ten aanzien van zowel het ouderlijk gezag als de omgang tussen de moeder en [minderjarige] onvoldoende voorgelicht achten, verzoekt de moeder dat de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) vraagt om aanvullend onderzoek te doen. Volgens de moeder is een dergelijk onderzoek echt geïndiceerd. In een relatief korte tijd zijn de contacten tussen de moeder en [minderjarige] fors beperkt, waarbij onvoldoende duidelijk is wat de reden daarvan is. Dat moet dan ook goed uitgezocht worden.

6.De beoordeling

C/09/681361 / FA RK 25-1672
6.1.
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd als er a) een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
6.2.
De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat het gezag over een minderjarige gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijk overleg over zaken die het kind aangaan. Ook moeten de ouders beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans moeten zij in staat zijn afspraken te maken over (nood)situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Uit de stukken en uit hetgeen op de zitting met de ouders is besproken, is de rechtbank gebleken dat de communicatie tussen de ouders al jaren ernstig is verstoord en dat er geen enkel vertrouwen is tussen de ouders. Het lukt de ouders niet om (op een constructieve manier) in het belang van [minderjarige] met elkaar te communiceren en om gezamenlijk gezagsbeslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen, ook niet in de huidige situatie waarin de gecertificeerde instelling betrokken is. Gebleken is dat het meermaals is voorgekomen dat gezagsbeslissingen niet of te laat worden genomen. Ook leidt het nemen van gezagsbeslissingen geregeld tot procedures. Zo hebben er afgelopen zomervakantie meerdere rechtszaken plaatsgevonden over het verlenen van vervangende toestemming voor een vakantie van [minderjarige] met de vader naar Indonesië. De voortdurende (juridische) strijd zorgt voor spanning en stress bij [minderjarige] , die al het nodige heeft meegemaakt. Hierdoor komt [minderjarige] niet toe aan de ontwikkelingstaken die passen bij haar leeftijd en kan zij niet onbezorgd opgroeien. Het is zeer zorgelijk dat [minderjarige] zichzelf de afgelopen week heeft beschadigd. Ook in het kindgesprek dat de voorzitter met haar heeft gevoerd, kwam duidelijk naar voren dat [minderjarige] veel spanning en onrust ervaart, mede vanwege de vele rechtszaken. De rechtbank ziet geen reden om de Raad onderzoek te laten doen naar de gezagssituatie over [minderjarige] . Uit het voorgaande blijkt voldoende dat er een onaanvaardbaar risico is dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, waarbij niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Dit maakt dat een wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Hoewel beide ouders een aandeel hebben in de zorgen over [minderjarige] , ligt het in de rede om de vader voortaan alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten. De vader heeft immers de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . Het verzoek van de vader zal dan ook worden toegewezen.
C/09/679324 / JE RK 25-167
6.3.
Bij beschikking van 11 juni 2025 heeft de kinderrechter een tijdelijke – zijnde voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 3 december 2025 – verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, inhoudende dat:
  • [minderjarige] gedurende de eerste drie maanden één keer per maand, in de eerste even week van die maand, contact met de moeder heeft gedurende één uur, onder begeleiding van een professional;
  • De zorgregeling na verloop van drie maanden wordt uitgebreid, in die zin dat [minderjarige] om de week contact heeft met de moeder gedurende één uur, onder begeleiding van een professional, waarbij de regie voor uitbreiding van de zorgregeling bij de gecertificeerde instelling ligt, voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Zoals reeds overwogen in de beschikking van 11 juni 2025 betreft dit een wijziging van de eerder door de familierechter vastgestelde zorgregeling op 14 november 2022.
6.4.
De gecertificeerde instelling heeft in haar gewijzigde verzoekschrift van 23 september 2025 verzocht bovengenoemde tijdelijke regeling te wijzigen. De rechtbank duidt het verzoek als een verzoek op grond van artikel 1:265g, tweede lid, BW, nu het gaat om een wijziging van de eerder door de kinderrechter gewijzigde regeling op grond van art. 1:265g, eerste lid, BW. Op grond van artikel 1:265g, tweede lid, BW kan de rechtbank de hiervoor genoemde regeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Nu de vader met het eenhoofdig gezag zal worden belast zal in het vervolg worden gesproken over de omgangsregeling in plaats van de zorgregeling. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van gewijzigde omstandigheden die maken dat wijziging van de omgangsregeling noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] .
6.5.
Daartoe overweegt de rechtbank dat er zorgen zijn over de manier waarop het contact tussen de moeder en [minderjarige] de afgelopen tijd is verlopen. In relatief korte tijd zijn de omgangsmomenten fors ingeperkt en sinds half oktober 2025 is er helemaal geen contact geweest tussen de moeder en [minderjarige] . De begeleide omgang die daarvoor heeft plaatsgevonden verliep niet goed. [minderjarige] ervaart veel angst van de moeder die geregeld boos wordt op de begeleiders. Daarnaast zouden er ook veel stiltes vallen tijdens de omgangsmomenten. De moeder herkent zich niet in het beeld dat geschetst wordt en geeft aan dat de omgangsmomenten wel goed verlopen. De rechtbank gaat echter af op wat [minderjarige] zelf hierover aangeeft, en wat bevestigd wordt door de begeleiding die aanwezig is bij de omgang. De rechtbank kan niet voorbijgaan aan het gegeven dat [minderjarige] op dit moment veel spanning en stress ervaart van de omgangsmomenten met de moeder. Hierdoor is het noodzakelijk dat het contact wordt beperkt. De rechtbank volgt daarbij de door de gecertificeerde instelling voorgestelde frequentie van één keer in de maand één uur begeleide omgang. Tijdens het kindgesprek is gebleken dat dat voorlopig voor [minderjarige] het maximaal haalbare is. De rechtbank vindt het belangrijk om aan te sluiten bij de wensen van [minderjarige] . Voorkomen moet worden dat [minderjarige] geforceerd wordt in het contact met de moeder, waardoor zij het contact met de moeder helemaal niet meer aankan. Daarbij is het ook nodig dat er rust komt voor [minderjarige] , die de afgelopen weken zorgwekkend gedrag heeft laten zien door zichzelf op school te beschadigen. Het is aan de gecertificeerde instelling om zicht te houden op de ontwikkeling van [minderjarige] en te bepalen wanneer zij klaar is voor een opbouw van het contact met de moeder. De rechtbank zal daarom bepalen dat de regie voor de uitbreiding van de omgangsregeling bij de gecertificeerde instelling komt te liggen. Daarom wijst de rechtbank het gewijzigde verzoek van de gecertificeerde instelling toe. Dat betekent dat de tijdelijke regeling van 11 juni 2025 en de daarvoor geldende regeling van 14 november 2022 komen te vervallen. In de toewijzing van het verzoek van de gecertificeerde instelling ligt de afwijzing van het (zelfstandige) verzoek van beide ouders ten aanzien van de omgang besloten.
6.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
bepaalt dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ;
7.2.
wijzigt – met wijziging in zoverre van de beschikkingen van 14 november 2022 en 11 juni 2025 – de omgangsregeling als volgt:
- [minderjarige] heeft één keer per maand één uur begeleide omgang met de moeder, waarbij de regie voor uitbreiding van de omgangsregeling bij de gecertificeerde instelling ligt;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het anders of meer verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, mr. D.G.J. Dop en
mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. J.M. Dreef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.