ECLI:NL:RBDHA:2025:26724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/679703 / JE RK 25-216
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader met gezag

Op 18 december 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van de Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland betreffende de minderjarige [minderjarige]. De kinderrechter heeft een machtiging tot uithuisplaatsing verleend bij de vader met gezag, met ingang van 29 december 2025 tot 17 april 2026. Deze beslissing volgt op een eerdere beschikking van 2 oktober 2025, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing was verlengd tot 17 januari 2026. De kinderrechter heeft de ontwikkelingen van de vader en de minderjarige in overweging genomen, waaronder de positieve resultaten van de ouder-/kindbehandeling en de verhuisplannen van de vader. De moeder en de grootmoeder hebben verweer gevoerd tegen de plaatsing bij de vader, waarbij de moeder pleitte voor verlenging van de uithuisplaatsing bij de grootmoeder. De kinderrechter oordeelde echter dat de plaatsing bij de vader in het belang van de minderjarige is, gezien de positieve ontwikkelingen en de noodzaak voor stabiliteit in de opvoeding. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De kinderrechter heeft benadrukt dat het belangrijk is dat alle betrokkenen, inclusief de moeder en grootmoeder, blijven communiceren en samenwerken in het belang van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/679703 / JE RK 25-216
Datum uitspraak: 18 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erkens uit Den Haag, waarnemend voor mr. C.C. Sneper uit Baarn,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. A. Hayaty uit Den Haag.
[de grootmoeder],
zijnde de grootmoeder moederszijde,
hierna te noemen: de grootmoeder,
wonende in [woonplaats 2].

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 2 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 17 januari 2026. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden.
1.2.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 2 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling van 10 december 2025;
  • het verzoekschrift van de vader van 3 oktober 2025, in de zaak met nummer
  • het verweerschrift van de moeder van 15 december 2025, in de onderhavige zaak alsmede in de zaak met nummer
1.3.
Op 18 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. De zaak is, met toestemming van partijen,
gecombineerd behandeldmet de zaak met nummer
C/09/692581 / FA RK 25-7500. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
- de grootmoeder, ondersteund door haar partner.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 2 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het aangehouden deel van dit verzoekt strekt tot verlenging tot 17 april 2026. De gecertificeerde instelling heeft in de schriftelijke update verzocht om het verzoek te wijzigen, in die zin dat wordt verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader met gezag van 29 december 2025 tot 17 april 2026.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Sinds de zitting van 2 oktober 2025 is de vader verhuisd naar zijn nieuwe woning en zijn de vader en [minderjarige] gestart met de ouder-/kindbehandeling. De vader heeft de afgelopen maanden positieve ontwikkelingen laten zien. Zo is gezien dat de vader aansluit aan bij de opvoedbehoeften van [minderjarige], betrokken bij hem is en zich gemotiveerd en bereid toont om mee te werken aan hulpverlening. De ouder-/kindbehandeling is medio oktober gestart en de behandelaar verwacht dat wanneer [minderjarige] bij de vader woont, het effect van de behandeling groter zal zijn en de hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en de vader verder verstevigd kan worden. Waarschijnlijk is hiervoor een periode van ongeveer zes maanden nodig. De plaatsing van [minderjarige] bij de vader zal zorgen voor rust bij zowel [minderjarige] als bij de vader. De gecertificeerde instelling vindt het daarnaast belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over de plek waar hij zal opgroeien. De gecertificeerde instelling is van mening dat plaatsing van [minderjarige] bij de vader op korte termijn kan plaatsvinden. De gecertificeerde instelling vindt, gezien de afspraken die de vader en de grootmoeder over de kerstvakantie hebben gemaakt, maandag 29 december 2025 daarvoor een geschikt moment. Bij de plaatsing van [minderjarige] bij de vader is het van belang dat er een omgangsregeling is tussen [minderjarige], de grootmoeder, [naam 3] en [naam 4]. De gecertificeerde instelling vindt een regeling waarbij [minderjarige] om het weekend van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor school bij de grootmoeder verblijft passend. De afgelopen periode heeft [minderjarige] enkele begeleide omgangsmomenten gehad met de moeder. Deze zijn rustig en ontspannen verlopen en er werd gezien dat de moeder goed aansluit bij [minderjarige]. De moeder heeft aangegeven dat zij inmiddels is terugverhuisd naar Nederland en [minderjarige] regelmatig wil zien. De gecertificeerde instelling is voornemens binnenkort te bespreken op welke manier dit kan worden vormgegeven.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader ziet graag dat [minderjarige] bij hem komt wonen, maar vindt het wel van belang dat [minderjarige] dit schooljaar afmaakt op zijn huidige school in [plaats 1]. De vader heeft al oriënterende gesprekken gehad op scholen bij hem in de buurt waar [minderjarige] volgend schooljaar mogelijk kan starten. De vader merkt dat [minderjarige] rustiger en opgewekter is en meer energie heeft sinds hij meer bij de vader is. De vader is bereid en gemotiveerd om de ouder-/kindbehandeling voort te zetten. Wel maakt hij zich zorgen over de verlatingsangst die hij bij [minderjarige] ziet. Zo vindt [minderjarige] het moeilijk als de vader weggaat bij school. De vader staat achter contact tussen [minderjarige] en de moeder, maar merkt hierbij wel op dat de moeder moet laten zien dat ze een betrokken moeder kan zijn. Het contact tussen [minderjarige], de grootmoeder en zijn halfbroer en halfzus vindt de vader belangrijk. Hij wil hierover graag in gesprek met de grootmoeder. De vader merkt wel op dat hij de voorgestelde regeling van de gecertificeerde instelling in die zin wil wijzigen dat [minderjarige] op zondagavond bij hem is zodat hij in zijn eigen bed kan slapen voordat hij start met de nieuwe schoolweek.
4.2.
De grootmoeder heeft verweer gevoerd tegen het verzochte. Zij vindt het nog te vroeg voor plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Volgens de grootmoeder is er meer onderzoek nodig om er zeker van te kunnen zijn dat deze plaatsing passend is. Zij vreest dat wanneer [minderjarige] bij de vader verblijft het contact met haar, [naam 3] en [naam 4] zal verwateren. De grootmoeder benoemt daarnaast dat er aandacht moet zijn voor de relatie tussen [minderjarige] en de moeder. De onderlinge communicatie tussen de grootmoeder, de vader en de moeder verloopt nog altijd moeizaam. Het lukt haar en de vader wel om tot overeenstemming te komen over essentiële zaken.
4.3.
Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder wil verlenging van de uithuisplaatsing bij de grootmoeder zodat gewerkt kan worden aan thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De moeder meent dat [minderjarige] - zeker gelet op zijn leeftijd - behoefte heeft aan zijn moeder. Zij ziet graag dat [minderjarige], zijn broer en zijn zus weer bij de moeder komen wonen om een gezin te vormen en gezamenlijk op te groeien. De moeder is bereid inzicht te geven in haar thuissituatie en opvoedvaardigheden. Zij is ervan overtuigd dat zij geen aanvullende opvoedondersteuning nodig heeft, zoals bij de vader wel het geval is. De moeder voelde zich door de gecertificeerde instelling bedreigd en is daardoor naar [plaats 2] vertrokken, maar inmiddels is zij terugverhuisd naar Nederland om er voor haar kinderen te kunnen zijn. Haar partner regelt de zaken voor de onderneming in [plaats 2] waardoor zij alle tijd heeft voor de opvoeding van [minderjarige]. De moeder stelt dat ze van de gecertificeerde instelling nooit een goede kans gekregen heeft om te laten zien dat zij de zorg- en opvoedtaken van [minderjarige] op zich kan nemen. Het argument dat de moeder er niet is geweest begrijpt zij niet, ze is er wel geweest. Ze is slechts een aantal maanden in [plaats 2] geweest, niet voor een lange tijd. De moeder meent dat de gecertificeerde instelling te weinig gedaan heeft en dat zij en de kinderen daarvan de dupe zijn geworden. Ze wil dat er wordt gewerkt aan terugplaatsing van [minderjarige] bij haar. Ook wordt de moeder niet naar behoren geïnformeerd door de gecertificeerde instelling. Als [minderjarige] toch bij de vader wordt geplaatst, vindt de moeder het van belang dat er een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] komt zodat zij regelmatig contact met elkaar kunnen hebben. De moeder wil graag dat er wordt toegewerkt naar een co-ouderschapsregeling.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Het verblijf van [minderjarige] bij de vader is de afgelopen drie maanden verder uitgebreid en dit is voorspoedig verlopen. De vader is inmiddels verhuisd naar zijn nieuwe woning en [minderjarige] heeft rustig kunnen wennen aan de nieuwe omgeving. De ouder-/kindbehandeling, die onder meer is gericht op het verbeteren van de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de vader, is inmiddels gestart. De begeleider heeft laten weten dat de behandeling (nog) meer zal aanslaan als [minderjarige] ook daadwerkelijk bij de vader verblijft. De individuele hulpverlening voor [minderjarige] voor de verwerking van de gebeurtenissen uit het verleden en voor het inlopen van zijn ontwikkelingsachterstand, is nog niet gestart. Hij is hiervoor aangemeld bij GGZ [regio] en staat daar op de wachtlijst. De vader staat achter de hulpverlening en is gemotiveerd zich hiervoor in te zetten. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat hij goed in staat is bij [minderjarige] aan te sluiten en dat hij [minderjarige] de zorg en aandacht kan bieden die hij nodig heeft. De kinderrechter heeft er dan ook vertrouwen in dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader succesvol zal verlopen.
5.3.
De moeder heeft betoogd dat zou moeten worden gewerkt aan thuisplaatsing bij haar. De kinderrechter is echter van oordeel dat dit, in elk geval op dit moment, niet aan de orde kan zijn. Daartoe overweegt zij dat de moeder ervoor heeft gekozen [minderjarige] gedurende een langere periode bij de grootmoeder onder te brengen omdat zijzelf in [plaats 2] verbleef. In die periode is de moeder slechts beperkt beschikbaar geweest voor [minderjarige]. Ter zitting heeft de moeder verteld dat zij inmiddels is terugverhuisd naar Nederland en van plan is hier te blijven. Naar het oordeel van de kinderrechter is daarom nu allereerst van belang dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder opnieuw wordt opgebouwd en dat dit, bij goed verloop daarvan, wordt uitgebreid. Het is voor de ontwikkeling van [minderjarige] immers belangrijk dat hij ook regelmatig contact heeft met de moeder. De gecertificeerde instelling dient de komende periode te onderzoeken op welke manier dit contact kan worden vormgegeven
5.4.
Ter zitting heeft de grootmoeder de vrees uitgesproken dat er onvoldoende zicht is op de thuissituatie van de vader. De kinderrechter heeft daar echter, mede gelet op hetgeen daarover door de gecertificeerde instelling naar voren is gebracht, op dit moment geen zorgen over. Waar het gaat om het monitoren van dan wel zicht houden op de opvoedsituatie bij en de opvoedvaardigheden van de vader, geldt dat de hulpverlener die verantwoordelijk is voor de ouder-/kindbehandeling dit zal monitoren en dat, vanwege de lopende ondertoezichtstelling, ook de gecertificeerde instelling betrokken zal blijven. Verder heeft de grootmoeder naar voren gebracht dat zij bang is voor contactverlies tussen [minderjarige] enerzijds en de grootmoeder, [naam 4] en [naam 3] anderzijds. Daarover merkt de kinderrechter op dat het van groot belang is dat dit contact in stand blijft. Ook de vader heeft ter zitting aangegeven het belang van dit contact te zien en daar volledig achter te staan. De gecertificeerde instelling heeft vooralsnog een weekendregeling voorgesteld waar zowel de vader als de grootmoeder het echter (nog) niet volledig mee eens zijn. Het is daarom van belang dat zij met elkaar en met de gecertificeerde instelling in gesprek gaan om tot een passende regeling te komen waarbij het belang van [minderjarige] vooropstaat.
5.5.
De kinderrechter wil ten slotte meegeven dat het van belang is dat er door alle betrokkenen gewerkt wordt aan het onderlinge contact. De vader, de moeder en de grootmoeder zijn allen belangrijke hechtingsfiguren voor [minderjarige] en zullen, al dan niet met het oog op het nemen van beslissingen, regelmatig in contact met elkaar (moeten) zijn. Het is in het belang van [minderjarige] dat dit contact op rustige en constructieve wijze plaatsvindt.
5.6.
Gelet op het voornoemde verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met gezag met ingang van 29 december 2025 tot 17 april 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025 door
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.