Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26732

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
18 januari 2026
Zaaknummer
C/09/647597 / FA RK 23-3479
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 lid 1 BWArt. 3:300 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling huwelijksgemeenschap en benoeming deskundige voor waardering aandelen in holding

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verdeling van de huwelijksgemeenschap en benoeming van een deskundige voor de waardering van aandelen in een holding. Eerder was het verzoek tot echtscheiding afgewezen en de verdeling van de gemeenschap vastgesteld, waarbij partneralimentatie en aandelenverdeling werden aangehouden.

Partijen dienden aanvullende verzoeken in, waaronder toedeling van woningen, verkoopmachtiging, en financiële afwikkelingen. De rechtbank handhaafde eerdere beslissingen over de woningen, verklaarde verzoeken van de vrouw niet-ontvankelijk waar zij niet in hoger beroep was gegaan, en wees verzoeken tot verkoopmachtiging voor de echtelijke woning af vanwege onduidelijkheid over de waarde van de onderneming.

Voor het appartement werd bepaald dat bij gebrek aan medewerking van de vrouw vóór 1 februari 2026 de rechtbank haar toestemming zal vervangen. De rechtbank regelde ook de toedeling van auto’s en bepaalde dat partijen ieder de helft van leningen bij familie dragen, met regresrecht voor de man.

De rechtbank benoemde drs. S. Schilder als deskundige voor de waardering van de aandelen per 31 december 2025, met een uitgebreide onderzoeksopdracht en een voorschot van €15.000 dat partijen ieder voor de helft moeten voldoen. Verdere beslissingen over de rekening-courantschuld en aandelenverdeling worden aangehouden tot 15 juli 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst verzoeken tot wijziging verdeling af, benoemt deskundige voor aandelenwaardering en regelt verkoop appartement en toedeling auto’s.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 23-3479 (echtscheiding) FA RK 23-9005 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/647597 (echtscheiding) C/09/658142 (verdeling)
Datum beschikking: 18 december 2025

Partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap

Beschikking op het op 11 mei 2023 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp.

Procedure

Bij beschikking van 14 augustus 2024 van deze rechtbank is het verzoek tot echtscheiding afgewezen. Daarnaast is de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld en zijn de verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie en de toedeling van de aandelen in de ondernemingen van de man aangehouden in afwachting van nadere stukken van partijen.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 7 november 2025 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 8 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 10 november 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
Op 19 november 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw en de man, beiden bijgestaan door hun advocaten.
Bij tussenbeschikking van 24 november 2025 is aan partijen medegedeeld dat de rechtbank voornemens is een deskundige te benoemen ter waardering van de aandelen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de gewenste deskundige alsook over de vragen die aan de deskundige gesteld zullen worden.
Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het F9-formulier van 8 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
- het F9-formulier van 8 december 2025 van de zijde van de man, met bijlage.

Nieuwe/aanvullende verzoeken

De man heeft zijn verzoeken gewijzigd c.q. aangevuld in die zin dat hij nu verzoekt:
  • te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de leningen van familie van de man alsmede dat de man regres heeft voor het gedeelte dat hij meer heeft bijgedragen in de voldoening van deze leningen dan het gedeelte dat hem aangaat;
  • te bepalen dat aan de man de Seat Toledo en aan de vrouw de Kia Picanto, zonder
  • nadere verrekening van de waarde, wordt toegescheiden;
  • de man ex artikel 3:174 lid 1 BW Pro te machtigen de woning aan de [adres 1] ( [postcode] ) te [plaats 1] ( [land 1] ) alsmede het appartement(srecht) te [adres 2] in [plaats 2] , zonder medewerking van de vrouw te gelde te maken alsmede
de man te machtigen om alle handelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor de verkoop, eigendomsoverdracht en levering van deze woning en het appartementsrecht alsmede
te bepalen dat deze uitspraak ex 3:300 BW in de plaats komt van de voor de verkoop en eigendomsoverdracht en levering van deze woning en het appartementsrecht noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw;
- Voor zover uw rechtbank het voorgaande niet toewijst, te bepalen dat de vrouw op straffe van een dwangsom ad € 500 per dag met een maximum van € 100.000 onmiddellijk dient mee te werken aan het uitvoeren van de beschikking van de rechtbank d.d. 14 augustus 2024.
Ook de vrouw heeft haar verzoeken gewijzigd c.q. aangevuld:
Primair:
a. a) te bepalen dat de voormalige echtelijke woning, gelegen in [plaats 1] te [land 1] , aan de vrouw wordt toegedeeld onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire verplichtingen, zonder verdere verrekening;
b) te bepalen dat het appartement in [plaats 2] wordt toegedeeld aan de man onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de op dit appartement rustende hypothecaire verplichtingen, zonder verdere verrekening;
c) te bepalen dat de beschikking van de rechtbank in deze zaak in de plaats zal treden van de benodigde handtekening en toestemming van de man als hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan de vrouw alsmede dat de uitspraak van de rechtbank in plaats van de benodigde notariële akte zal treden ex. artikel 3:300 BW Pro;
d) te bepalen dat de aandelen van de onderneming aan de man worden toebedeeld zonder verdere verrekening en dat de man op eerste verzoek daartoe van de vrouw zijn medewerking dient te verlenen aan de levering van deze aandelen aan hem;
e) te bepalen dat de beschikking van de rechtbank in deze zaak in de plaats zal treden van de benodigde handtekening en toestemming van de man als hij weigert zijn medewerking te verlenen aan de levering van de aandelen aan hem alsmede dat de uitspraak van de rechtbank in plaats van de benodigde notariële akte zal treden ex. artikel 3:300 BW Pro;
f) te bepalen dat de man de rekening-courant schuld aan de onderneming dient te dragen;
g) te bepalen dat eventuele latente belastingschulden van de onderneming door de man dienen te worden gedragen en de man de vrouw hiervan dient te vrijwaren;
h) te bepalen dat man binnen een week na dagtekening van de beschikking in deze zaak een bedrag van € 4.352,01 aan de vrouw dient te voldoen ter voldoening van de helft van de schuld aan de SVB;
i. i) te bepalen dat de man binnen een week na dagtekening van de beschikking in deze zaak een bedrag van € 4.507,23 aan de vrouw dient te voldoen, zijnde zijn deel van de kosten van de woningen tot op heden;
j) te bepalen dat de man maandelijks aan de vrouw zijn deel van de woningkosten dient te blijven voldoen tot het moment dat de woning in [plaats 1] aan de vrouw is geleverd;
k) te bepalen dat de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw, aan de vrouw worden toegedeeld zonder verdere verrekening;
Subsidiair:
l) te bepalen dat de man de volgende nog ontbrekende financiële stukken en informatie van en over de onderneming dient te overleggen (zie rapport van de heer [naam 1] );
Rekening-courantverhouding: Specificatie van alle mutaties 2019–2023, inclusief onderliggende bankafschriften en toelichting op de bestedingen.Dividenduitkering 2022:Overleggen van notulen van de aandeelhoudersvergadering, de verplichte balanstest en uitkeringstoets, en bewijs van uitbetaling of verrekening.Vastgoed:Recente taxatie van het [land 2] pand, inclusief waardeverloop sinds 2019. Specificatie van opbrengsten uit eerdere vastgoedverkopen en aanwending daarvan.Belastingaangiften:Overleggen van aangiften inkomstenbelasting van [de man] 2020–2023, ter controle van de aansluiting tussen privé-inkomen en BV-opnames.Bankrekeningen vennootschappen:Volledige bankafschriften 2020–2023 om kasstromen en onttrekkingen te kunnen reconstrueren.Financiële continuïteit:Toelichting op eventuele plannen tot liquidatie of beëindiging van de onderneming en de financiële gevolgen daarvan voor de gemeenschap;
daarbij te bepalen dat de man deze stukken binnen een termijn van vier weken na de mondelinge behandeling dient te overleggen aan uw rechtbank en de wederpartij, onder verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 2000,-- voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft; te bepalen dat de vrouw de gelegenheid krijgt om deze stukken te laten analyseren en daarop te reageren;
m) te bepalen dat de man de rekening-courant schuld dient te dragen;
n) te bepalen dat eventuele latente belastingschulden van de onderneming door de man dienen te worden gedragen en de man de vrouw hiervan dient te vrijwaren;
o) te bepalen dat man binnen een week na dagtekening van de beschikking in deze zaak een bedrag van € 4.352,01 aan de vrouw dient te voldoen ter voldoening van de helft van de schuld aan de SVB;
p) te bepalen dat de man binnen een week na dagtekening van de beschikking in deze zaak een bedrag van € 4.507,23 aan de vrouw dient te voldoen zijnde zijn deel van de kosten van de woningen tot op heden;
q) te bepalen dat de man maandelijks aan de vrouw zijn deel van de woningkosten dient te blijven voldoen tot het moment dat de woning in [plaats 1] is verkocht;
r) te bepalen dat de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw, aan de vrouw worden toebedeeld zonder verdere verrekening.

Beoordeling

Partneralimentatie
Bij F9-formulier van 8 november 2025 is namens de vrouw het verzoekt tot vaststelling partneralimentatie ingetrokken. De rechtbank zal daarom geen beslissing meer nemen op dit verzoek.
Verdeling/afwikkeling huwelijksgemeenschap
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap (opnieuw) naar voren gebracht:
Echtelijke woning in [plaats 1] , [land 1] , en de daarop rustende hypotheek;
Appartement in [plaats 2] , [land 1] , en de daarop rustende hypotheek;
Crypto;
Bankrekeningen op naam van de vrouw;
Auto’s;
Schuld SVB;
Leningen bij de ouders van de man
Rekening courant schuld;
Aandelen [bedrijfsnaam 1] BV inclusief dochterondernemingen [bedrijfsnaam 2] BV en [bedrijfsnaam 3] BV.
Echtelijke woning in [plaats 1] , [land 1] en de daarop rustende hypotheek en het appartement te [plaats 2] en de daarop rustende hypotheek
Bij beschikking van 14 augustus 2024 is reeds bepaald dat de echtelijke woning verkocht zal moeten worden. Ten aanzien van het appartement te [plaats 2] is bepaald dat het appartement aan de vrouw wordt toegedeeld, mits zij het kan overnemen. Indien de vrouw niet in staat blijkt om het appartement over te nemen, wordt het appartement aan de man toegedeeld onder dezelfde voorwaarden. Als ook de man niet in staat is om het appartement over te nemen, dient het appartement te worden verkocht aan een derde.
De vrouw verzoekt nu de echtelijke woning aan haar toe te delen en om het appartement te [plaats 2] aan de man toe te delen. De man verzoekt ten aanzien van beide woningen om hem te machtigen de woningen te verkopen zonder de medewerking van de vrouw.
Wijziging toedeling
De rechtbank overweegt als volgt. Nu bij beschikking van 14 augustus 2024 reeds een eindbeslissing is genomen ten aanzien van de twee woningen, kan de rechtbank nu niet een andere beslissing nemen. De vrouw had hiervoor in hoger beroep moeten gaan tegen deze beslissingen. Nu dat niet is gebeurd, zijn deze beslissingen in kracht van gewijsde gegaan en kan de rechtbank hier niet op terugkomen. De vrouw zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken ten aanzien van de verdeling van beide woningen.
Machtiging verkoop
Ten aanzien van de verzoeken van de man om hem te machtigen tot verkoop van de woningen, dan wel om een dwangsom te koppelen aan de nakoming van de verdeling overweegt de rechtbank als volgt. Voor de echtelijke woning geldt dat de voorzieningen-rechter in deze rechtbank op 5 december 2024 heeft beslist dat van de vrouw niet kan worden verlangd dat zij meewerkt aan de verkoop van de woning. Daartoe overwoog de voorzieningenrechter als volgt:
“De vrouw heeft immers gedurende de periode dat de onduidelijkheid over haar financiële situatie buiten haar toedoen voortduurt, belang bij behoud van haar woonruimte. Beide partijen hebben tijdens de zitting verteld dat niet valt uit te sluiten dat de woning in [plaats 1] in de huidige [lokale] vastgoedmarkt snel zal worden verkocht en dat de koper aanspraak zal maken op levering op korte termijn. De man heeft bovendien te kennen gegeven dat hij vanwege zijn slechte financiële situatie onmiddellijk na levering wenst te kunnen beschikken over zijn aandeel in de op de woning in [plaats 1] rustende overwaarde. De vrouw heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uitkering van die overwaarde niet wenselijk is, omdat op dit moment nog onduidelijk is hoe de uiteindelijke verrekening tussen partijen er precies uit komt te zien. Niet valt uit te sluiten dat de vrouw uit hoofde van die verrekening nog een bedrag van de man te vorderen zal hebben, waarvoor zij zich op de man moet kunnen verhalen. Bij onduidelijkheid over de waarde van de aandelen heeft de vrouw op dit moment belang bij het behoud van die overwaarde als verhaalsobject. De vrouw heeft met het oog hierop gevorderd te bepalen dat de overwaarde bij verkoop bij de notaris in depot wordt gestort. Het is de voorzieningenrechter gebleken dat betaling van de koopprijs van onroerend goed in [land 1] niet via een notaris verloopt. Hierdoor lijkt storting in depot van de overwaarde niet een adequate voorziening te zijn. Gelet op dit een en ander is verkoop van de woning in [plaats 1] op dit moment wegens het voortduren van de onduidelijkheid over de waarde van de ondernemingen en daarmee de vermogenspositie van de vrouw evenmin aan de orde. Bij dit oordeel weegt mee dat de vrouw in reconventie onweersproken heeft gevorderd dat partijen worden veroordeeld ieder de helft van de lasten van beide woningen te dragen, hetgeen de rechtbank zal toewijzen. Zie onder 4.10. Het bezwaar van de man dat hij niet (meer) in staat is alle lasten van de woningen te dragen, wordt hiermee weggenomen.”
De rechtbank is van oordeel dat de situatie sindsdien onveranderd is, zodat ook zij geen aanleiding ziet om de man te machtigen om de woning te verkopen. Dit verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Om die reden zal ook het verzoek tot oplegging van een dwangsom worden afgewezen.
Dit ligt anders als het gaat om het appartement te [plaats 2] . Op de zitting is gebleken dat geen van partijen het appartement wenst over te nemen. Conform de beschikking van 14 augustus 2024 dient het appartement daarom te worden verkocht aan een derde. Ten tijde van de hiervoor genoemde kort geding procedure was nog niet duidelijk of de vrouw het appartement wilde overnemen. Inmiddels is duidelijk dat de vrouw dat niet wil. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen de verkoop van het appartement in onderling overleg zullen regelen. Voor het geval de vrouw hier vóór 1 februari 2026 geen medewerking aan heeft verleend, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen voor zover het ziet op de verkoop van het appartement te [plaats 2] .

Kosten woningen

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van zijn deel in de kosten van de woningen, aldus de vrouw, en te bepalen dat hij zijn deel van de woningkosten van de echtelijke woning blijft betalen tot het moment dat de woning is geleverd. Bij voornoemd vonnis van de voorzieningenrechter is reeds bepaald dat partijen met ingang van 5 december 2024 bij helfte dienen bij te dragen in de woonlasten van beide woningen. Voor zover partijen dit niet zijn nagekomen of hier onduidelijkheid over bestaat, is sprake van een executiegeschil dat zich niet leent voor behandeling bij wijze van nevenvoorziening in deze echtscheidingsprocedure. Hetzelfde geldt voor het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man zijn aandeel in de kosten blijft voldoen.
De vrouw zal daarom ook ten aanzien van deze verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.

Crypto

Ten aanzien van de cyptomunten is reeds een eindbeslissing genomen in de beschikking van 14 augustus 2024. De vrouw verzoekt nu in haar brief d.d. 8 november 2025 om te bepalen dat de man gehouden is om aan haar een bedrag van € 43.170,-, zijnde de helft van het bedrag dat hij volgens haar aan cryptomunten heeft uitgegeven, verschuldigd is en, indien de rechtbank dat gewijzigde verzoek niet toewijst, te bepalen dat de man binnen afzienbare termijn en onder verbeurte van een dwangsom, verifieerbare stukken dient aan te leveren waaruit de waarde van de crypto per peildatum blijkt.
Het primaire verzoek van de vrouw is niet toewijsbaar nu er reeds een eindbeslissing is gegeven over de (wijze van) verdeling van de cryptomunten. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek overweegt de rechtbank dat de voorzieningenrechter hierop reeds heeft beslist, met oplegging van een dwangsom, en dat de man ter uitvoering van die beslissing ook een overzicht van de waarde van de crypto heeft verschaft. De vraag of de door de man aangeleverde stukken al dan niet voldoende zijn, dient te worden beoordeeld in een executiegeschil. Gelet op het voorgaande zal de vrouw ook ten aanzien van deze verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.

Bankrekeningen

De bankrekeningen zijn reeds verdeeld met verrekening van de saldi per de peildatum. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.

Auto’s

Partijen zijn het erover eens dat ook de Seat Toledo met kenteken [kenteken 1] en de Kia Picanto met kenteken [kenteken 2] in de gemeenschap vallen. Partijen zijn het erover eens dat de Seat Toledo wordt toegedeeld aan de man en de Kia Picanto aan de vrouw, zonder verdere verrekening. De rechtbank zal aldus beslissen.

Schuld SVB

De vrouw verzoekt de man te veroordelen tot betaling van de helft van de schuld van de SVB aan de vrouw, zodat zij zorg kan dragen voor de verdere aflossing van de schuld. Ook op dit punt is reeds een eindbeslissing gegeven bij beschikking van 14 augustus 2025. Zoals in de eerdere beschikking van deze rechtbank reeds is overwogen, heeft de vrouw een regresvordering op de man als zij meer dan haar aandeel in de schuld heeft voldaan. De vrouw heeft niet gesteld, en overigens is ook niet gebleken, dat zij inmiddels meer dan haar aandeel in deze schuld heeft voldaan. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.

Leningen bij familie van de man

De man verzoekt te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de leningen die hij is aangegaan bij zijn familie. De vrouw betwist dat de man de leningen is aangegaan ten behoeve van de gemeenschappelijke huishouding. Ook voert de vrouw aan dat de leningen contant zijn uitbetaald, zodat zij niet kan nagaan of de bedragen daadwerkelijk zijn uitbetaald. Tot slot heeft de vrouw bij brief van 10 november 2025 aan de vader van de man de nietigheid van de leningsovereenkomsten ingeroepen.
Ten aanzien van de inhoud van de brief van de vrouw van 10 november 2025 aan de vader van de man overweegt de rechtbank als volgt. In die brief stelt de vrouw dat de leningsovereenkomst(en) volgens de vrouw in strijd is/zijn met de wettelijke bepalingen en haar eigendomsrecht nu de echtelijke woning als het ware wordt verpand, terwijl zij daar geen toestemming voor heeft gegeven. De rechtbank merkt daarover op dat een eventuele nietigheid – wat daar ook van zij – enkel ziet op de betreffende clausule in de overeenkomst en niet maakt dat de lening op zichzelf nietig is.
De rechtbank overweegt verder als volgt. De rechtbank zal in haar beoordeling enkel de leningen van vóór de peildatum omvang huwelijksgemeenschap (23 april 2024) betrekken, te weten:
23 februari 2023: € 10.000,-
3 oktober 2023: € 10.000,-
30 maart 2024: € 10.000,-
De man heeft zijn standpunt enkel onderbouwd met de leningsovereenkomsten. Daaruit blijkt niet dat de gelden daadwerkelijk zijn ontvangen, met uitzondering van de lening van maart 2024. Uit de bankafschriften blijkt dat er op 29 maart 2024 en op 1 april 2024 bedragen van € 5.000,- onder vermelding van ‘lening cfm afspraak betaling deel 1’ en ‘lening cfm afspraak betaling deel 2’ zijn overgemaakt vanuit de bankrekening op naam van ’ [naam 2] ’. Ten aanzien van deze lening is de rechtbank daarom van oordeel dat sprake is van een gemeenschappelijke schuld en dat de vrouw gehouden is de helft ervan te dragen. Ten aanzien van de andere twee leningen kan de rechtbank, gelet op de betwisting van de vrouw, niet vaststellen dat de man de gelden daadwerkelijk heeft ontvangen.
De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen voor zover het ziet op de andere leningen.

Rekening courant schuld (RC schuld)

De vrouw verzoekt te bepalen dat de man de RC schuld volledig dient te dragen. Zij stelt dat de man de schuld is aangegaan zonder haar medeweten. Ook had zij geen toegang tot de bankrekening waar het geld op gestort is. Op de zitting heeft de vrouw nog naar voren gebracht dat de man sinds de echtscheiding niet meer heeft gewerkt, althans niet actief genoeg is geweest in zijn onderneming(en) en dat, zo begrijpt de rechtbank haar stellingen, de RC schuld hierdoor (ook) is opgelopen.
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat schulden die zijn ontstaan tijdens het huwelijk, gemeenschappelijke schulden zijn en gezamenlijk gedragen moeten worden. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen grond om te bepalen dat de man de volledige RC schuld voor zijn rekening dient te nemen en legt dit als volgt uit. De man heeft als productie 20 een overzicht, met de onderliggende ‘rekenkaartjes’ overgelegd van de privé-opnames uit en stortingen vanuit privé naar [bedrijfsnaam 1] B.V. Ter zitting heeft de man toegelicht dat er in 2015 een groot bedrag is opgenomen voor de aanschaf van de echtelijke woning. Uit de hiervoor genoemde rekeningkaartjes blijkt enerzijds dat er in de daaropvolgende jaren – tot 1 mei 2023 – meermaals grote bedragen zijn opgenomen uit de RC door overboeking naar de gezamenlijke bankrekening van partijen eindigend op [rekeningnummer 1] . Anderzijds blijkt daaruit ook dat er vanuit die gezamenlijke bankrekening van partijen meermaals betalingen zijn gedaan ter aflossing van de RC schuld. Het enkele feit dat de vrouw, zoals zij stelt, geen inzage heeft gehad in de gedane privé-opnames, is in dit verband onvoldoende. Het gaat immers, naast betalingen onder de noemer ‘canal Digital’, – in de periode tot 1 mei 2023 – om overboekingen naar de gezamenlijke bankrekening van partijen eindigend op [rekeningnummer 1] . De vrouw stelt dat zij geen inzage had in/toegang tot die gezamenlijke rekening. Dit neemt echter niet weg dat zij – bij de man of bij de bank – inzage/toegang had kunnen krijgen. De stelling van de vrouw dat de man sinds de echtscheiding niet meer heeft gewerkt, althans niet actief genoeg is geweest in zijn onderneming(en)leidt niet tot een ander oordeel. Nog afgezien van het feit dat de vrouw deze stelling niet met bewijs heeft onderbouwd, is de mate waarin de man zich heeft ingespannen voor de onderneming op zichzelf niet bepalend voor de vraag wie van partijen, en in welke mate, de RC schuld moet dragen.
De rechtbank ziet in het onderhavige geval wel aanleiding om, anders dan voornoemd uitgangspunt, voor de peildatum voor de omvang van de RC schuld uit te gaan van 1 mei 2023 en legt dat als volgt uit. Uit de rekeningkaartjes 2018 tot en met 2023 en uit het overzicht van de man blijkt dat er tot 1 mei 2023 uitsluitend overboekingen van en naar de gezamenlijke bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] zijn gedaan. Vanaf 1 mei 2023 heeft de man echter vanuit de RC uitsluitend aan zichzelf bedragen uitgekeerd door overmakingen op zijn privé-bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] .
De rechtbank is daarom van oordeel dat de man en de vrouw ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de RC schuld tot het bedrag dat op de peildatum van 1 mei 2023 openstond. Tot die datum had de vrouw immers inzicht (kunnen hebben) in en toegang tot de gedane opnames.
Uit het – door de vrouw niet betwiste – overzicht van de man (1e pagina van productie 20) blijkt dat het saldo van de RC schuld per 1 januari 2023 € 309.580,- bedroeg en dat er daarna tot 1 mei 2023 nog € 6.468,- is opgenomen door overboeking naar de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] . Het saldo bedroeg aldus per 1 mei 2023 € 316.048,-. Partijen dienen ieder de helft daarvan, zijnde € 158.024,-, te dragen.
Gelet op de samenhang – in het kader van de finale afwikkeling – tussen de RC schuld, de waardering en verdeling van de aandelen in de ondernemingen van de man en de echtelijke woning zal de rechtbank dit oordeel nog niet opnemen in het dictum van de beschikking.

Aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV

Benoeming deskundige
In de tussenbeschikking van 24 november 2025 heeft de rechtbank aangegeven dat zij een deskundige zal benoemen voor de waardering van de aandelen in de holding. Daarbij heeft zij partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige waarbij zij ieder twee deskundigen konden noemen en, indien zij niet dezelfde deskundige(n) zouden noemen, voorgesteld om de heer Sander Schilder van het kantoor Santax te Volendam te benaderen. De vrouw heeft ingestemd met benoeming van deze deskundige. De man heeft een andere deskundige voorgesteld. In lijn met de tussenbeschikking zal de rechtbank daarom overgaan tot benoeming van de door haar voorgestelde deskundige. De rechtbank heeft reeds contact opgenomen met deze deskundige en deze heeft zich in staat en bereid verklaard de benoeming daarvan te aanvaarden, op de hierna te noemen wijze en onder de hierna te noemen voorwaarden.
Waarderingsmethode
Partijen zijn het erover eens dat de aandelen gewaardeerd kunnen worden conform de liquidatiewaarde.
Peildatum
De vrouw stelt zich op het standpunt dat als peildatum voor de waardering 12 juli 2021 dient te gelden, zijnde de datum waarop de vrouw in [land 1] het echtscheidingsverzoek heeft ingediend. Waardering van de aandelen op een latere datum acht de vrouw in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat – kort samengevat – in haar stellingen de man na deze datum nog grote bedragen heeft opgenomen uit de onderneming waardoor de RC schuld fors is toegenomen en omdat er in 2024 nog een dividenduitkering is gedaan van
€ 240.000,- De man stelt zich op het standpunt dat als peildatum 23 april 2024 moet worden gehanteerd (dit is de peildatum voor de omvang en de samenstelling, zoals bepaald in de beschikking van de rechtbank d.d. 14 augustus 2024).
De rechtbank overweegt als volgt. Uitgangspunt is dat de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tevens de peildatum voor de waardering is. Partijen hebben geen overeenstemming over een afwijkende peildatum. De rechtbank zal daarom genoemd uitgangspunt hanteren. Nu het gaat om een nog onzekere datum in de toekomst zal de rechtbank om praktische redenen als peildatum bepalen: 31 december 2025. Ten aanzien van hetgeen door de door de vrouw in dit kader is gesteld over de RC schuld en dividenduitkeringen verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder het kopje ‘RC schuld’ en hierna onder het kopje ‘vragen aan de deskundige’ wordt overwogen.
Stukken
De rechtbank stelt voorop dat de man alle door de rechtbank bij beschikking van 14 augustus 2024 verzochte stukken heeft overgelegd. De vrouw stelt dat deze stukken onvoldoende zijn en verzoekt de man te verplichten de door haar genoemde aanvullende stukken over te leggen. De rechtbank ziet voor dit laatste geen aanleiding. Gelet op de peildatum van 31 december 2025 zal de deskundige wel moeten beschikken over de beschikbare en nog op te stellen jaarrekeningen van de (afgelopen) jaren 2021 tot en met 2025 van alle vennootschappen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de man die jaarstukken aan de deskundige dient te verstrekken. Het is aan de deskundige of hij daarnaast nog nadere informatie met onderliggende bescheiden uit de administratie wenst te ontvangen. Mocht dit het geval zijn, dan is de man verplicht om de door de deskundige verzochte informatie en/of stukken te verstrekken.
De deskundige zal eveneens moeten beschikken over een afschrift van de processtukken. De rechtbank zal aan de vrouw opdragen om deze stukken aan de deskundige toe te zenden.
Vragen aan de deskundigeBeide partijen hebben voorstellen gedaan voor aanvullende vragen aan de deskundige. De aanvullende vragen van de vrouw zien op een onderzoek naar geldstromen en/of het verloop van de RC rekening en gedane dividenduitkeringen en het effect daarvan op de waarde van de aandelen. De aanvullende vragen van de man zien op het vaststellen van de omvang van de RC schuld, het in kaart brengen van dividenduitkeringen, de wijze van waarderen van het vastgoed in [land 2] , het meenemen in de waardering van de kosten van de accountant voor het opmaken van de jaarrekeningen 2021 t/m 2023 en van de kosten van de deskundige zelf.
De rechtbank ziet, mede gelet op de te hanteren peildatum van 31 december 2025 en de stellingen van de vrouw over dividenduitkeringen in 2024, aanleiding om aan de deskundige aanvullend te verzoeken om een eventuele correctie/normalisatie aan te brengen in de waardebepaling van de aandelen in geval van eventuele dividenduitkering(en) gedaan in de periode tussen de peildatum voor de RC schuld en de peildatum voor de waardering van de aandelen. Zij ziet geen aanleiding om de andere door beide partijen voorgestelde vragen aan de deskundige voor te leggen.
Waardering vastgoed in [land 2]Ten aanzien van de waardering van het vastgoed in [land 2] overweegt de rechtbank dat, gelet op de uiteenlopende stellingen van partijen, er een taxateur moet worden ingeschakeld ten behoeve van het taxeren van al het onroerend goed binnen de B.V.’s op basis van liquidatiewaarde. De rechtbank zal de deskundige daarom verzoeken om dit onder zijn auspiciën uit te laten voeren. De kosten van de taxateur zullen ieder bij helfte worden gedragen door partijen en rechtstreeks vooraf aan de taxateur dienen worden te voldaan.
Onderlinge regeling
De rechtbank vindt het nog steeds het meest in het belang van beide partijen dat zij – indien mogelijk – tot onderlinge afspraken komen. Hiermee kunnen zij alsnog veel kosten en tijd besparen. De rechtbank zal daarom aan de deskundige meegeven dat het hem vrij staat om tijdens het onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling - eventueel op onderdelen – tot de mogelijkheden behoort (forensische mediation).
Kosten en voorschot
Het uurtarief 2026 van de deskundige bedraagt € 290 exclusief BTW en dat van zijn collega, [naam 3] die hem assisteert € 145 excl. BTW. Eventuele reistijd zal eveneens gefactureerd worden volgens voornoemde uurtarieven. De deskundige begroot de kosten op ad € 15.000 inclusief BTW. Kosten van een andere deskundige, in casus een taxateur, zitten niet in de begroting van het voorschot van de deskundige. Deze zullen door partijen aanvullend rechtstreeks vooraf aan de taxateur moeten worden voldaan.
In afwijking van de Leidraad zal de deskundige maandelijks declareren aan de hand van de door hem gehanteerde uren- en verrichtingenstaten. Als de uitvoering van de opdracht langer duurt dan een maand, zal de deskundige per maand zijn kosten specificeren en factureren (zie ook artikel 9.1 van de algemene voorwaarden van de deskundige).
Partijen krijgen, via griffier, een kopie van deze specificatie en factuur. Als geen reactie binnen twee weken volgt, volgt daarna uitbetaling door het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) uit het hierna te noemen voorschot.
Beide partijen hebben aangevoerd dat zij niet over voldoende liquide middelen beschikken om het voorschot van de kosten van de deskundige te voldoen en dat het aan de andere partij te wijten is dat er een deskundigenonderzoek uitgevoerd moet worden. De rechtbank heeft geen inzicht in de liquide middelen van partijen en niet gebleken is dat het in overwegende mate aan één van partijen is te wijten dat er een deskundigenonderzoek uitgevoerd moet worden. Zij zal daarom bepalen dat zij beiden de helft van het voorschot dienen te voldoen.
Termijn
De deskundige heeft aangegeven dat hij zijn rapport circa 6 maanden na aanvang opdracht (dit is nadat bericht is ontvangen dat partijen voorschot hebben voldaan) zal kunnen afronden. Dit omdat ook de jaarrekening 2025 moet worden opgesteld door de accountant.
Algemene voorwaarden
De deskundige voert de opdracht als deskundige namens Santax Fiscaal Economen uit. Vandaar wenst de deskundige zijn opdracht alleen te aanvaarden indien beide partijen akkoord zijn met de algemene voorwaarden van Santax Fiscaal Economen. Deze leveringsvoorwaarden zijn aan de beschikking gehecht. Partijen zullen binnen drie weken na heden, derhalve vóór 8 januari 2026, aan de deskundige hun instemming met diens algemene voorwaarden moeten meedelen, alsmede hem binnen de genoemde termijn een kopie van een rechtsgeldig identiteitsbewijs zullen toezenden.
Onderzoeksopdracht
Gelet op al het voorgaande zal de deskundige als volgt worden verzocht om de rechtbank te adviseren.
Aan de deskundige wordt verzocht om over het volgende te rapporteren. Hierbij wordt hem meegegeven dat het hem vrij staat om tijdens het onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling - eventueel op onderdelen – tot de mogelijkheden behoort (forensische mediation).
Tijdens het onderzoek heeft de deskundige de mogelijkheid om de rechtbank te consulteren.
De te beantwoorden vragen luiden als volgt:

1. Wat is de liquidatiewaarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV per peildatum 31 december 2025?

* Bij de waardebepaling van de aandelen zal de deskundige moeten leunen op de beschikbare en nog op te stellen jaarrekeningen van de (afgelopen) jaren 2021 tot en met 2025 van alle vennootschappen.
* Daarbij verzoekt de rechtbank de deskundige om een correctie/normalisatie aan te brengen inzake de waardebepaling van de aandelen in geval (een) eventuele dividend-uitkering(en) is/zijn gedaan tussen 1 mei 2023 (peildatum voor de RC-schuld) en 31 december 2025 (peildatum waardering aandelen). Deze correctie/normalisatie maakt dat de liquidatiewaarde van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] B.V. per 31 december 2025 door de deskundige wordt bepaald alsof er geen dividend zou zijn uitgekeerd in de periode 1 mei 2023 t/m 31 december 2025.
* Het is aan de deskundige of hij nadere info met onderliggende bescheiden uit de administratie wenst te ontvangen.
* Het is aan de deskundige of hij naar aanleiding van de ontvangen info/bescheiden een aanvullende correctie/normalisatie op de jaarrekeningen 2021 t/m 2025 wenst toe te passen ten behoeve van de waardebepaling per 31 december 2025.
*De deskundige kan, indien hij éen of meerdere normalisatie(s)/correctie(s) wenst toe te passen, zich daarover vooraf wenden tot de rechter. Hij is dit echter niet verplicht.
*Gelet op de aard van het door de deskundige te verrichten onderzoek, dient een (lokale) taxateur ingeschakeld te worden ten behoeve van het taxeren van het OG binnen de vennootschap(pen) op basis van liquidatiewaarde. Voordat de deskundige deze taxateur verzoekt om werkzaamheden ten behoeve van zijn rapport te verrichten, dient hij partijen van het voornemen daartoe in kennis te stellen zodat partijen desgewenst binnen een door de deskundige te stellen termijn opmerkingen kunnen maken over de persoon van de aan te zoeken taxateur. De kosten van de taxateur zullen ieder bij helfte worden gedragen door partijen en rechtstreeks vooraf aan de taxateur dienen worden te voldaan.
* De kosten van de deskundigebenoeming dienen niet in aanmerking te worden genomen bij de waardebepaling.
Voor zover de deskundige dit relevant acht, worden aan hem ook de volgend vragen gesteld:

2. Wat is de hoogte van een eventuele latente belastingclaims die rusten op de (aandelen in) [bedrijfsnaam 1] BV per peildatum (in dit geval 31 december 2025)?

3. Zijn de deskundige tijdens het onderzoek andere zaken gebleken die van belang zijn ter zake van de waardebepaling?

Voorschot
Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt de rechtbank een voorschot vast van
€ 15.000,- inclusief BTW. De rechtbank zal bepalen dat partijen ieder de helft van dit voorschot voorlopig deponeren. Hiertoe ontvangen zij separaat een factuur van het LDCR met betaalinstructies. De deskundige zal met zijn onderzoek aanvangen nadat de griffier van de rechtbank heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen.
Termijn
Het deskundigenbericht dient binnen zes maanden met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van de rechtbank. Deze termijn vangt aan na ontvangst van het voorschot door de deskundige.
Medewerking van partijen aan het deskundigenonderzoek en betaling van het voorschot
De rechtbank wijst er op dat indien een partij zonder gewichtige redenen weigert bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde bescheiden aan de deskundige over te leggen dan wel het voorschot te betalen, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die zij geraden acht.

Tot slot

De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap voor wat betreft de RC schuld en de aandelen in de ondernemingen van de man en de proceskosten aangehouden tot 15 juli 2026 pro forma.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap (nader) als volgt
:
ten aanzien van het appartement te [plaats 2] , [land 1] :
bepaalt dat indien en voor zover de vrouw niet vóór 1 februari 2026 meewerkt aan het verkoop- en leveringsproces van het appartement te [plaats 2] en de deling bij helfte van de daarmee gemoeide kosten, deze beschikking in de plaats treedt van de noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw die nodig is voor het in de verkoop geven van de woning bij de makelaar en in de plaats komt van de voor de eigendomsoverdracht en levering van de woning noodzakelijke toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, met bepaling dat de opgemaakte akte rechtsgeldig in de daartoe bestemde registers kan worden ingeschreven;
ten aanzien van de auto’s:
deelt aan de man toe de Seat Toledo met kenteken [kenteken 1] ;
deelt aan de vrouw toe de Kia Picanto met kenteken [kenteken 2] ;
*
ten aanzien van de woningen en de crypto:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk ten aanzien van haar verzoeken met betrekking tot de kosten van de woningen en de crypto;
*
ten aanzien van de leningen bij de familie van de man:
bepaalt dat in de onderlinge verhouding tussen partijen elk voor de helft draagplichtig zijn voor de leningen bij de familie van de man tot een bedrag van € 10.000,-; de man heeft regres voor het gedeelte dat hij meer heeft bijgedragen in de terugbetaling van deze leningen dan het gedeelte dat voor zijn rekening dient te nemen;
*
ten aanzien van de aandelen in [bedrijfsnaam 1] BV:
beveelt een onderzoek door na te noemen deskundige, waarbij een oordeel gevraagd wordt over de op pagina 11 van deze beschikking vermelde vragen;
benoemt als deskundige - namens Santax Fiscaal Economen - de heer drs. S. Schilder te Volendam;
bepaalt dat partijen binnen drie weken na heden, derhalve vóór 8 januari 2026, aan de deskundige hun instemming met diens algemene voorwaarden zullen meedelen, alsmede hem binnen de genoemde termijn een kopie van een rechtsgeldig identiteitsbewijs zullen toezenden;
bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden, derhalve vóór 15 januari 2026, ieder de helft van het voorschot van € 15.000,- dienen te deponeren; partijen ontvangen hiertoe separaat een factuur van het LDCR met betaalinstructies;
bepaalt dat de deskundige met zijn onderzoek zal aanvangen nadat de griffier van de rechtbank hem heeft bevestigd dat voormeld voorschot door het LDCR is ontvangen en na ontvangst van de hierboven genoemde stukken;
bepaalt dat de man uiterlijk vóór 1 februari 2026 aan de deskundige een afschrift van de processtukken en de jaarstukken 2021 tot en met 2023 zal toezenden en uiterlijk vóór 1 april 2026 aan de deskundige een afschrift van de jaarstukken 2024 en 2025;
bepaalt dat de vrouw uiterlijk vóór 1 februari 2026 aan de deskundige een afschrift van de processtukken zal toezenden;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de bankrekeningen, de schuld bij SVB en de leningen aan de familie van de man;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling de RC schuld en de aandelen in de ondernemingen van de man aan tot de
pro formadatum van 15 juli 2026;vóór die datum zullen de advocaten van partijen zich uitlaten over de voortgang van de procedure;
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2025.