ECLI:NL:RBDHA:2025:26738
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling van staatloosheid op basis van onvoldoende bewijs en niet-naleving van wettelijke vereisten
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven in het kader van een verzoek tot vaststelling van staatloosheid. Verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat mr. W.G. Fischer, heeft op 18 december 2024 een verzoekschrift ingediend. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. A. Houben, heeft geadviseerd het verzoek af te wijzen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in Nederland woont en dat hij onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. Echter, verzoeker heeft onvoldoende bewijs geleverd om zijn staatloosheid aan te tonen. De rechtbank heeft de relevante wetgeving, met name artikel 2 van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, en de bewijslastverdeling in deze procedure besproken. Verzoeker heeft slechts een beperkt aantal documenten overgelegd, waaronder een uittreksel uit de Basisregistratie Personen en een verklaring van de ambassade van Burundi, maar deze waren niet voldoende om zijn verzoek te onderbouwen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat verzoeker niet aan de vereisten heeft voldaan zoals gesteld in artikel 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, en heeft het verzoek afgewezen. De beschikking is uitgesproken in een openbare zitting en is ondertekend door de rechters en de griffier.