ECLI:NL:RBDHA:2025:26738
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling van staatloosheid wegens onvoldoende onderbouwing
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn staatloosheid op grond van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (Wvs). Hij stelt dat hij niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd, mede omdat de ambassade van Burundi heeft bevestigd dat hij niet de Burundese nationaliteit bezit.
De Staat heeft verweer gevoerd en het verzoek afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing en bewijsstukken. De rechtbank heeft het juridische kader van de Wvs en de bewijslastverdeling besproken, waarbij werd benadrukt dat zowel verzoeker als de Staat een gedeelde bewijslast dragen. Verzoeker moet alle informatie en bewijsstukken overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken.
In het verzoekschrift ontbrak een gedetailleerd relaas van de levensloop van verzoeker en de landen waarin hij heeft verbleven. Ook ontbraken stukken uit eerdere asielprocedures. De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet voldeed aan de informatieplicht en dat het verzoekschrift niet voldeed aan de eisen van artikel 278 Rv Pro.
Daarom heeft de rechtbank het verzoek tot vaststelling van staatloosheid afgewezen. De beslissing is genomen door drie rechters en uitgesproken op 19 december 2025.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van staatloosheid wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en bewijs.