ECLI:NL:RBDHA:2025:26743

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/683415 / HA RK 25-176
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Syrische en Palestijnse afkomst

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in de zaak van een verzoeker die staatloosheid wilde laten vaststellen. Het verzoekschrift was op 8 april 2025 ingediend. De verzoeker, geboren in Syrië in 2001, was in januari 2022 gevlucht naar Griekenland en op 5 september 2022 in Nederland aangekomen. Hij had een verblijfsvergunning asiel gekregen en was gehuwd met een vrouw van Syrische afkomst. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door mr. C. Wesenbeek, adviseerde het verzoek toe te wijzen, wat de rechtbank zonder mondelinge behandeling heeft gedaan, omdat partijen hiermee instemden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De beoordeling van de staatloosheid betrof de Palestijnse Gebieden en Syrië, aangezien verzoeker van Palestijnse afkomst is. De rechtbank concludeerde dat Nederland de staat Palestina niet erkent, waardoor Palestijnen als staatloos worden beschouwd. Daarnaast bleek uit de Syrische nationaliteitswetgeving dat verzoeker niet als Syrische onderdaan kan worden aangemerkt. De rechtbank concludeerde dat verzoeker niet door enige staat als onderdaan wordt beschouwd, en heeft daarom zijn staatloosheid vastgesteld.

De beschikking is uitgesproken door mr. A. Emmens, met mr. N.C. Gantenbein als griffier, tijdens de openbare zitting op 19 december 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-176
Zaaknummer: C/09/683415
Datum beschikking: 19 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W. de Vilder te Beek.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. C. Wesenbeek.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 18 juli 2025 van de staat;
- de brief van 5 september 2025 van verzoeker;
- de brief van 16 oktober 2025 van de staat;
- de brief van 17 oktober 2025 van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , Syrië.
- Verzoeker is in januari 2022 vanuit Syrië via Turkije naar Griekenland gevlucht.
- Verzoeker is op 5 september 2022 Nederland ingereisd.
- Aan verzoeker is een verblijfsvergunning asiel verleend met ingang van 14 september 2022 tot 14 september 2027.
- Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten welke zijn gecontroleerd door Bureau Documenten van de IND en echt zijn bevonden:
- Familieregistratiekaart van UNWRA;
- individueel uittreksel uit de burgerlijke stand voor Palestijnen (GAPAR) uit Syrië;
- origineel Syrisch reisdocument voor Palestijnen.
- Verzoeker is op [datum] 2023 gehuwd met een vrouw met de Syrische nationaliteit.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt van Palestijnse afkomst te zijn en in Syrië geboren is. Gelet op het korte verblijf van verzoeker in Turkije en Griekenland, zal de rechtbank deze landen, evenals de Staat, niet als relevante landen aanmerken.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – welke documenten positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten van de IND – kan redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het ‘Algemeen Ambtsbericht Syrië’ (mei 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van deze situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn vader of moeder heeft verkregen.
Verzoeker beschikt ook over een Syrisch reisdocument voor Palestijnen. Daaruit is af te leiden dat de Syrische overheid verzoeker beschouwt als Palestijn zonder de Syrische nationaliteit.
Uit de Werkinstructie volgt dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de nationaliteit van Syrië.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat niet is gebleken dat verzoeker door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd, zodat de staatloosheid van verzoeker kan worden vastgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door
mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2025.