ECLI:NL:RBDHA:2025:26746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/684859 / HA RK 25-227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met betrekking tot Palestijnse afkomst en bewijsvoering

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven over de vaststelling van staatloosheid van de verzoeker, die van Palestijnse afkomst is. Het verzoekschrift is op 8 mei 2025 ingediend en betreft de vaststelling van staatloosheid op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (Wvs). De verzoeker heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend en heeft een asielvergunning gekregen, maar heeft geen identiteitsdocumenten kunnen overleggen omdat deze tijdens zijn vlucht zijn gestolen. De Staat der Nederlanden heeft het verzoek afgewezen, omdat de verzoeker geen documenten heeft overgelegd die zijn identiteit kunnen aantonen. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 11 november 2025, waarbij de verzoeker en zijn advocaat aanwezig waren, evenals vertegenwoordigers van de Staat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzoeker in Nederland woont en dat hij onmiddellijk belang heeft bij het verzoek. De rechtbank heeft de overgelegde documenten en de levensloop van de verzoeker in onderlinge samenhang beoordeeld. De rechtbank concludeert dat de verzoeker voldoende heeft aangetoond dat hij staatloos is, ondanks het ontbreken van identiteitsdocumenten. De rechtbank heeft daarbij de relevante wetgeving en de bewijslastverdeling in acht genomen, en heeft geoordeeld dat de identiteit van de verzoeker vaststaat op basis van de overgelegde documenten en de beoordeling in de asielprocedure. De rechtbank heeft uiteindelijk de staatloosheid van de verzoeker vastgesteld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-227
Zaaknummer: C/09/684859
Datum beschikking: 19 december 2025

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 8 mei 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.J. Koolen te Utrecht.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te Den Haag,
vertegenwoordigd door: mr. K.A. van Iwaarden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 28 juli 2025 van de Staat;
- de brief van 26 augustus 2025 van de zijde van verzoeker;
- de brief van 28 augustus 2025 van de Staat.
Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk, A. Fawzy, en namens de Staat mr. J. Laros.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek af te wijzen.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
- Verzoeker heeft op 28 juni 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
- Bij beschikking van 24 mei 2023 is aan verzoeker een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend. Deze verblijfsvergunning is geldig van 29 juni 2021 tot 29 juni 2026.

Beoordeling

Juridisch kader en ontvankelijkheid
Verzoeker verzoekt om zijn staatloosheid vast te stellen. Dit verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid – Wvs).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was.
De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
De Staat adviseert om het verzoek af te wijzen omdat verzoeker geen document heeft overgelegd dat zijn identiteit kan aantonen. De Staat wijst daartoe op zijn werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen. Uit deze werkinstructie volgt dat de Staat voor de registratie van staatloosheid van Palestijnen vereist dat uit drie documentgroepen minimaal één document wordt getoond. Verzoeker heeft alleen documenten uit documentgroep drie overgelegd. Verzoeker heeft geen documenten uit de documentgroepen één (een identiteitsdocument) en twee (een geboorteakte of gelijkwaardig document) overgelegd en daarmee dus geen documenten die zijn identiteit aantonen. Dit maakt dat niet kan worden vastgesteld dat de persoon van verzoeker dezelfde is als de persoon op de door hem overgelegde documenten uit documentgroep drie. Daarmee is volgens de Staat ten aanzien van verzoeker geen staatloosheid vast te stellen.
De rechtbank ziet in het standpunt van de Staat aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of het noodzakelijk is dat een document in de zin van de genoemde werkinstructie wordt overgelegd om de staatloosheid van verzoeker te kunnen vaststellen.
In de werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen wordt, om de registratie van staatloosheid in Nederland in hoge mate betrouwbaar te maken, gebruik gemaakt van drie documentgroepen:
1. een identiteitsdocument (reisdocument of identiteitskaart);
2. een geboorteakte of een gelijkwaardig document (voor het vaststellen van de afstamming);
3. een aanvullend bewijsstuk waaruit de status van staatloze Palestijn blijkt (zoals de UNRWA registratie).
Bij Palestijnen uit een aantal specifieke landen, waaronder Syrië en de Palestijnse gebieden, wordt door de IND staatloosheid aangenomen als de vreemdeling uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document kan tonen.
In de werkinstructie WI 2023/10 Beoordelen evidente staatlozen wordt hiernaar verwezen. De rechtbank leidt hieruit af dat iemand uitsluitend als
evidentstaatloos wordt aangemerkt indien hij of zij uit elk van de drie documentgroepen minimaal één document overlegt. In bestuursrechtelijke procedures over de registratie in de Basisregistratie personen is overwogen dat deze werkwijze niet onredelijk voorkomt.
Verzoeken op grond van artikel 2 lid 1 van de Wvs hebben echter een ander toetsingskader dan het toetsingskader bij de vaststelling van
evidentestaatsloosheid. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure staatloosheid niet slechts kan worden vastgesteld als uit de drie documentgroepen minimaal één document is overgelegd en evenmin de eis mag worden gesteld dat in ieder geval een identiteitsdocument wordt overgelegd. De rechtbank legt dat als volgt uit.
In de Memorie van Toelichting (MvT) op de Wvs [1] is opgenomen:
“[…]
Bewijslastverdeling (onderdeel g)
Omdat het vaak moeilijk is voor een gesteld staatloze om te bewijzen dat hij geen nationaliteit heeft, speelt de vraag hoe moet worden omgegaan met de gebruikelijke regels van Rv over bewijs in de verzoekschriftprocedure (zie artikel 284 Rv: het bewijsrecht uit de negende afdeling van de tweede titel van de Rv is van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet). De algemene regels daarin zijn onder meer dat degene die zich op een bepaald rechtsgevolg beroept de feiten moet stellen en zo nodig bewijzen, tenzij uit een bijzondere regel of de billijkheid iets anders voortvloeit. In de expertmeetings van de ACVZ is uitgebreid gediscussieerd over deze bewijslastverdeling, in die zin dat op de Staat een grotere last komt te liggen via een bijzondere wettelijke bepaling. Men bereikte hierover geen specifieke overeenstemming. In het discussiedocument is opgenomen dat het ten algemene goed zou zijn dat de meest gerede partij bewijs levert. Dit zou volgens de expertgroep betekenen dat de gesteld staatloze verplicht is naar waarheid te verklaren en alle informatie te leveren waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en dat bij voldoende aannemelijkheid van zijn staatloosheid de Staat aanvullend onderzoek moet doen.
Gelet op de praktijk (ook nu al bij de vaststelling van het Nederlanderschap op grond van artikel 17 RWN) is het niet nodig om iets te regelen voor de door de expertgroep voorgestelde bewijslastverdeling in afwijking van of in aanvulling op Rv. De rechter kan met de algemene regels van Rv voldoende uit de voeten en zal hiermee ook uitkomen op de «meest gerede partij» die geacht wordt met informatie te komen. Het oordeel wie wat bewijst en de uiteindelijke vaststelling van de feiten is aan de rechter voorbehouden. De gesteld staatloze en de IND bepalen met welke documenten en/of verklaringen zij in de procedure komen. Voor de rechter zullen de bewijsmiddelen en hoe deze te waarderen van groot belang zijn. Het Handboek van de UNHCR kan hierbij tot leidraad zijn. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 6.2 van de toelichting onder Bewijslastverdeling. […]”
In paragraaf 6.2 is onder het kopje “Bewijslastverdeling” het volgende opgenomen [2] :
“[…] Gezien dit specifieke karakter van de procedure is het van belang dat de rechtbank actief aanstuurt op de rolverdeling die in de vaststellingsprocedure gewenst is. UNHCR en de gezamenlijke reactie verwoorden deze rolverdeling juist als zij aandringen op een samenspel waarbij de verzoeker alle informatie dient te verschaffen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, inclusief eventueel bewijsmateriaal en waarin de IND bewijs dat redelijkerwijs beschikbaar is verwerft en naar voren brengt in de procedure. Het gaat met andere woorden om een gedeelde last die rust op zowel de verzoeker als de IND, die in deze procedure wordt gehoord.
Met betrekking tot de eisen die worden gesteld aan het verzoekschrift (278 Rv) en de verdere informatieplicht van een gesteld staatloze in de procedure, uitten UNHCR, ISI, ENS en de gezamenlijke reactie zorgen in hun adviezen omdat staatlozen vaak niet in het bezit zijn van documenten die hun staatloosheid aantonen, hetgeen de bewijslast bemoeilijkt. Men roept de regering op rekening te houden met de barrières die inherent zijn aan het aantonen van staatloosheid. De adviesinstanties raden aan om duidelijk te maken dat de aanvrager weliswaar verplicht moet zijn om alle informatie te overleggen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken, maar dat het aan de Staat is om aanvullend onderzoek te verrichten, wanneer – de moeite van het individu ten spijt – niet is komen vast te staan of betrokkene een nationaliteit heeft.
De samenwerking die deze instanties voorstaan is wat met het wetsvoorstel wordt beoogd. De vaststellingsrechter zal hier in de verzoekschriftprocedure op aansturen (zie hiervoor). Hij doet aan waarheidsvinding waarbij de verzoeker stelt en onderbouwt, de IND deze informatie verifieert, onderzoek doet en zo nodig aanvult en weerlegt en de rechter eventueel doorvraagt en het bewijs waardeert en beslist. Het is daarbij heel wel mogelijk dat een gesteld staatloze zijn verzoekschriftprocedure start met enkel een schriftelijke verklaring waarin hij aangeeft dat hij staatloos is en waarom. Zoals ook opgenomen in het UNHCR Handboek zal de rechter het bewijs wat in de procedure naar voren wordt gebracht door zowel de verzoeker als de IND wegen. Daar waar authentiek schriftelijk bewijs kan worden overlegd, zal dit zwaarder wegen dan de verklaring van de verzoeker. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal de rechter meer gewicht toekennen aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien betrokkene reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen het verloop en de uitkomst van deze procedure eventueel – anders dan door ISI aangenomen – wel degelijk iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Voor de IND is het van belang dat er in de procedure – wil men zijn rol in de procedure naar behoren kunnen vervullen – aanknopingspunten zijn op basis waarvan bijvoorbeeld bepaalde landen kunnen worden benaderd of ander onderzoek naar de gestelde staatloosheid kan worden gedaan. […]”
De rechtbank leidt hieruit af dat alle vormen van bewijs een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de staatloosheid. Van de verzoeker in een procedure tot vaststelling van staatloosheid wordt verwacht dat hij ten minste een relaas geeft van zijn levensloop en de landen waarin hij heeft verbleven. De rechtbank dient te beoordelen of de verzoeker alle informatie heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kan beschikken en alles heeft overgelegd wat hij mogelijkerwijs kan overleggen. De rechtbank dient die informatie samen met de door de Staat verstrekte informatie te wegen. In die gevallen waarin bijvoorbeeld geen of weinig documenten beschikbaar zijn, zal meer gewicht worden toegekend aan de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen. Indien de verzoeker reeds een asielprocedure heeft doorlopen kunnen ook het verloop en de uitkomst van deze procedure iets zeggen over de algemene betrouwbaarheid van de verzoeker. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het enkel ontbreken van een identiteitsdocument niet in de weg staat aan vaststelling van staatloosheid.
Beoordeling van de overgelegde stukken
Gelet op het voornoemde dient verzoeker zoveel mogelijk stukken in het geding brengen waaruit zijn identiteit en mogelijke nationaliteit blijkt. De rechtbank zal in het concrete geval al het voorhanden zijnde bewijs in onderlinge samenhang beoordelen, waaronder ook de stukken uit de asielprocedure.
Verzoeker stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] uit Palestijnse ouders. Hij is in 2002 gehuwd met [naam 1] en heeft twee kinderen: [naam 2] en [naam 3]. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij vanaf zijn geboorte tot aan zijn vlucht naar Nederland altijd in Gaza heeft verbleven. Verzoeker is in 2021 in Nederland aangekomen en heeft in Nederland gevraagd om internationale bescherming. Verzoeker heeft zijn persoonlijke documenten niet meer, omdat deze in Griekenland, tijdens zijn vlucht, zijn gestolen. Verzoeker is daarom niet in het bezit van een identiteitskaart, geboorteakte of paspoort. Verzoeker kan door de situatie in Gaza geen nieuwe persoonlijke documenten verkrijgen. Het overleggen van een identiteitsbewijs kan daarom niet van verzoeker worden verwacht. Verzoeker heeft wel documenten van zijn familie, zijn vrouw en zijn kinderen in het geding gebracht.
Verzoeker stelt dat Registratie bij de UNRWA essentieel bewijs is van de Palestijnse nationaliteit. Verzoeker staat op de geboorteakte van zijn kinderen en hij kan daarmee worden gekoppeld aan de gegevens op de UNRWA registratie. Voorts heeft verzoeker naar voren gebracht dat houders van een verblijfsvergunning asiel categoriaal zijn vrijgesteld van het vereiste om bewijzen van hun identiteit en nationaliteit te overleggen. Verzoeker meent dat de beoordeling van de asielprocedure direct gevolgen heeft voor de vaststelling van de identiteit binnen de beoordeling van een verzoek tot vaststelling van staatloosheid. Verzoeker is van mening dat de documenten in onderling samenhang bezien, samen met de beoordeling in de asielprocedure, maken dat voldoende is onderbouwd dat hij staatloos is.
De Staat stelt dat, nu verzoeker geen identiteitsdocument heeft overgelegd, onvoldoende kan worden vastgesteld dat verzoeker degene is die genoemd is op de Family Registration Card van de UNRWA dan wel te koppelen is aan de overgelegde paspoorten en geboorteaktes van zijn vrouw en kinderen. De Staat wijst er bovendien op dat de asielprocedure erop gericht is om vast te stellen of een vreemdeling internationale bescherming behoeft. De beoordeling van de geloofwaardigheid/aannemelijkheid is in die procedure dus een andere dan in het geval van vaststelling van de staatloosheid.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de volgende documenten heeft overgelegd:
  • een kopie van een Family Registration Card van de UNRWA, waarop de identiteitsgegevens van verzoeker, zijn echtgenote en zijn kinderen zijn vermeld;
  • kopieën van paspoorten van de echtgenote en de kinderen van verzoeker;
  • kopieën van geboorteaktes van de kinderen van verzoeker, waarop verzoeker als de vader is vermeld.
Bureau Documenten heeft de originele versie van deze documenten onderzocht en ten aanzien van de echtheid van alle documenten positief geadviseerd.
Voorts heeft verzoeker een kopie van het rapport aanmeldgehoor van 13 jul 2021, een kopie van een beschikking van de IND van 27 oktober 2021 en een kopie van de beschikking van de IND van 24 mei 2023 overgelegd. Uit die beschikkingen volgt dat de identiteit en herkomst van verzoeker in de asielprocedure geloofwaardig is geacht. De Staat heeft ter zitting desgevraagd bovendien medegedeeld niet te twijfelen aan de identiteit van verzoeker.
De rechtbank is van oordeel dat verzoeker met de door hem in deze procedure overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien met de levensloop van verzoeker en de beoordeling van de identiteit van verzoeker in de asielprocedure, voldoende heeft onderbouwd dat de persoon van verzoeker dezelfde is als de op de door hem overgelegde documenten.
Nu ook de Staat hieromtrent geen concrete twijfels heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de identiteit van verzoeker vaststaat. De rechtbank zal daarom overgaan tot het beoordelen van de aanknopingspunten met betrekking tot de eventuele nationaliteit van verzoeker.
Relevante landen
De rechtbank ziet alleen aanleiding om de Palestijnse Gebieden in haar oordeel over de staatloosheid van verzoeker te betrekken. Dit omdat verzoeker stelt, net zoals zijn ouders, van Palestijnse afkomst te zijn en zijn hele leven, tot aan zijn vlucht, in Gaza te hebben gewoond. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoeker een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is. Voor zover verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de werkinstructie WI 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.

Beslissing

De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, A. Emmens en C.L. Strop, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2025.

Voetnoten

1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 11 en 12
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2020-2021, 35 687, nr. 3, pagina’s 41 en 42