ECLI:NL:RBDHA:2025:26752

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/659889 / FA RK 24-301
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gezamenlijk gezag en vaststelling omgangsregeling voor minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde op 19 december 2025 het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind te verkrijgen. De vader wenste meer betrokkenheid en meebeslissing over belangrijke zaken, terwijl de moeder het eenhoofdig gezag wilde behouden vanwege een volledig verstoorde relatie en gebrek aan communicatie.

De rechtbank overwoog dat gezamenlijk gezag alleen toewijsbaar is indien ouders in staat zijn tot behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en overleg. Ondanks eerdere hulpverlening en stappen is er nog steeds geen communicatie mogelijk tussen de ouders, en de moeder staat niet open voor verdere hulpverlening. Gezien de mogelijke negatieve gevolgen voor het kind werd het verzoek afgewezen.

De omgangsregeling, waarbij de minderjarige op woensdag na schooltijd en om de week in het weekend bij de vader verblijft, verloopt goed en wordt definitief vastgesteld. De huidige regeling voor het halen en brengen via een derde partij blijft gehandhaafd om directe communicatie tussen ouders te vermijden.

De rechtbank wijst tevens het verzoek van de moeder af om een bijzondere curator te benoemen, aangezien dit niet langer noodzakelijk wordt geacht. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt afgewezen en de omgangsregeling wordt definitief vastgesteld zoals overeengekomen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-301
Zaaknummer: C/09/659889
Datum beschikking: 19 december 2025

Gezag, omgang

Beschikking op het op 15 januari 2024 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W.S. Nijman te Oegstgeest.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 21 februari 2025 van deze rechtbank is – voor zover van belang –:
- bepaald dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn:
- drie maanden (vanaf woensdag 4 maart 2025) op woensdag uit school tot 18.00 uur en op zaterdag van 12.00 uur tot 19.00 uur;
- na drie maanden op woensdag uit school tot 18.00 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- tijdens de vakanties in onderling overleg;
- bepaald dat de veroordeling van de moeder tot een dwangsom in de beschikking van 22 februari 2023 niet meer van toepassing is;
en is de beslissing over het gezag, de omgangsregeling en het benoemen van een bijzondere curator aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het F9-formulier van 29 augustus 2025 van de vader;
  • het F9-formulier van 15 september 2025 van de moeder.
Op 24 november 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Daarbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

Gezag
Op grond van art. 1:253c BW eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag te belasten. Dit verzoek wordt op grond van het tweede lid van dit artikel alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De vader verzoekt om hem met het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] te belasten. Hij wil graag meer betrokken worden bij [de minderjarige] en meebeslissen over belangrijke zaken in haar leven. De vader acht het ook in het belang van [de minderjarige] dat haar beide ouders gezag over haar hebben. Hij is van mening dat er geen contra-indicaties zijn tegen gezamenlijk gezag. De ouders zijn prima in staat tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en zij kunnen beslissingen over [de minderjarige] in gezamenlijk overleg nemen. Daarnaast verloopt de omgang tussen [de minderjarige] en de vader goed. De vader erkent desgevraagd dat er op dit moment geen communicatie is tussen de ouders, maar hij staat ervoor open om met de moeder een traject bij bijvoorbeeld het Centrum voor Jeugd en Gezin of Ouderschap Blijft te volgen.
De moeder is van mening dat zij alleen het gezag over [de minderjarige] moet behouden. De relatie tussen de moeder en de vader is volledig verstoord en er is geen communicatie mogelijk en de moeder kan niet overleggen met de vader. Dit maakt het heel moeilijk om samen beslissingen te nemen. De moeder is van mening dat, als de vader mede met het gezag over [de minderjarige] wordt belast, dit ertoe zal leiden dat [de minderjarige] klem en verloren raakt tussen haar ouders. De ouders hebben al veel stappen gezet, maar de moeder ziet geen mogelijkheid om de communicatie nog te verbeteren. De moeder staat, mede gelet op het verleden, niet open voor een traject bij het Centrum voor Jeugd en Gezin of Ouderschap Blijft. Zij heeft inmiddels school toestemming gegeven om informatie aan de vader te verstrekken en ook heeft zij geregeld dat de vader [de minderjarige] van school mag ophalen. Binnenkort komt er een App voor school en de vader zal daarvoor ook toegang krijgen. Verder houdt de moeder de vader steeds op de hoogte van belangrijke zaken betreffende [de minderjarige] .
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de vader moet worden afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat voor gezamenlijk gezag vereist is dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over het kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Gebleken is dat er, ondanks de hulpverlening en de grote stappen die in de afgelopen jaren zijn gemaakt, nog steeds geen communicatie tussen de ouders mogelijk is. De moeder staat, gelet op wat er in het verleden is gebeurd, niet open voor hulpverlening om de onderlinge communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren. Communicatie en gezamenlijk gezag levert te veel onrust en stress op voor de moeder en daarmee ook voor [de minderjarige] . Gezamenlijk gezag zal daarmee mogelijk juist een averechts effect hebben, waarmee alles wat in het afgelopen jaren is opgebouwd in gevaar kan komen. Daarnaast heeft [de minderjarige] regelmatig contact met haar vader en dat loopt nu goed. Voorts komt de moeder haar afspraken steeds na en krijgt de vader inmiddels informatie van school. Ook houdt de moeder de vader op de hoogte over belangrijke aangelegenheden betreffende [de minderjarige] . Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een situatie waarbij het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder blijft belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] .
Informatieregeling
Ter zitting is gebleken dat de moeder de vader regelmatig (via een derde) informeert over [de minderjarige] . De moeder heeft toegezegd dat zij dit zal voorzetten en dat zij de vader op de hoogte zal (blijven) houden over belangrijke (medische) zaken over [de minderjarige] . Verder hebben de ouders op de zitting afgesproken dat de moeder een e-mailadres zal aanmaken, waarop zij met de vader zal communiceren over zaken aangaande [de minderjarige] . De rechtbank gaat ervanuit dat de moeder deze afspraken na zal komen.
Omgangsregeling
Op de zitting hebben beide ouders aangegeven dat de opbouw van de omgangsregeling, zoals deze is bepaald bij beschikking van 21 februari 2025, goed is verlopen. [de minderjarige] verblijft nu op woensdag uit school tot 18.00 uur en om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader. Deze omgangsregeling kan worden voortgezet en definitief worden vastgesteld. De rechtbank zal conform deze overeenstemming van de ouders beslissen.
Ten aanzien van het halen en brengen en heeft de vader aangegeven dat hij [de minderjarige] graag thuis zou willen ophalen/afzetten. De moeder heeft aangegeven dat zij de huidige regeling voor het halen en brengen, via de speeltuin of buurvrouw wil voorzetten, omdat zij niet rechtstreeks met de vader wil communiceren.
De rechtbank overweegt als volgt. De ouders hebben veel stappen gezet en de omgangsregeling verloopt op dit moment goed. Voor nu vindt de rechtbank dat voldoende. [de minderjarige] is er aan gewend dat zij niet door de moeder zelf wordt weggebracht of opgehaald, voor haar is dit nooit anders geweest. Het is nu van belang dat de omgangsregeling goed en rustig blijft verlopen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de huidige regeling voor het halen en brengen moet worden gecontinueerd.
Bijzondere curator
De rechtbank zal, gelet op het voorgaande en nu de moeder op de zitting heeft aangegeven dat het niet meer nodig is om een bijzondere curator voor [de minderjarige] te benoemen, het verzoek van de moeder om een bijzondere curator te benoemen afwijzen.

BeslissingDe rechtbank:

*
bepaalt dat [de minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] bij de vader zal zijn:
- op woensdag uit school tot 18.00 uur;
- om de week van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- tijdens de vakanties in onderling overleg;
waarbij de huidige, door de ouders afgesproken regeling voor het halen en brengen wordt gecontinueerd;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier, en uitgesproken op een openbare zitting van 19 december 2025.