In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 december 2025 een beschikking gegeven in een familiekwestie betreffende de zorgregeling voor twee minderjarigen. De vader had op 10 januari 2025 een verzoek ingediend, waarna de rechtbank op 27 januari 2025 een voorlopige zorgregeling had vastgesteld en partijen had verwezen naar mediation. De mediation is echter niet geslaagd, maar partijen zijn het erover eens dat de voorlopige zorgregeling kan worden omgezet in een definitieve regeling. De vader heeft verzocht om een vakantieregeling, en de rechtbank heeft vastgesteld dat de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg verdeeld moeten worden. De rechtbank heeft ook overwogen dat de vader het initiatief moet nemen om partijen aan te melden voor ouderschapsbemiddeling, om de communicatie tussen hen te verbeteren. De beschikking bevat specifieke afspraken over de zorg voor de minderjarigen, waaronder de verdeling van zorg in de even en oneven weken, en de rechtbank heeft het meer of anders verzochte afgewezen. De beschikking is uitgesproken door kinderrechter mr. A.M. Brakel, bijgestaan door griffier A.M.C. Guit van den Berg.