De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2023. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 6 maart 2026. Zowel de moeder als de vader voerden verweer tegen dit verzoek.
De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing, zoals genoemd in artikel 1:265b, eerste lid BW, nog steeds aanwezig zijn. De veiligheid van de minderjarige kan onvoldoende worden gewaarborgd bij de moeder vanwege de dreigende en agressieve psychische problematiek van de vader, die ondanks verblijf in een GGZ-instelling slechts beperkt is verbeterd. De moeder verblijft inmiddels op een veilige opvanglocatie, maar moet eerst hulpverlening ontvangen om haar weerbaarheid te versterken.
De kinderrechter achtte het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet en dat de minderjarige voorlopig in het pleeggezin blijft. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat het contact tussen moeder en kind te beperkt was. Daarom werd een contactregeling vastgesteld van twee keer per week vier uur onder begeleiding op een veilige locatie, ter bevordering van de hechtingsontwikkeling van de minderjarige.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door de verzoeker, belanghebbenden of andere belanghebbenden met tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.