ECLI:NL:RBDHA:2025:26775

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693741 / JE RK 25-1841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot verlenging uithuisplaatsing minderjarige en contactregeling met moeder

De kinderrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 19 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2023. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling op 6 maart 2026. Zowel de moeder als de vader voerden verweer tegen dit verzoek.

De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor uithuisplaatsing, zoals genoemd in artikel 1:265b, eerste lid BW, nog steeds aanwezig zijn. De veiligheid van de minderjarige kan onvoldoende worden gewaarborgd bij de moeder vanwege de dreigende en agressieve psychische problematiek van de vader, die ondanks verblijf in een GGZ-instelling slechts beperkt is verbeterd. De moeder verblijft inmiddels op een veilige opvanglocatie, maar moet eerst hulpverlening ontvangen om haar weerbaarheid te versterken.

De kinderrechter achtte het noodzakelijk dat de uithuisplaatsing wordt voortgezet en dat de minderjarige voorlopig in het pleeggezin blijft. Tegelijkertijd werd vastgesteld dat het contact tussen moeder en kind te beperkt was. Daarom werd een contactregeling vastgesteld van twee keer per week vier uur onder begeleiding op een veilige locatie, ter bevordering van de hechtingsontwikkeling van de minderjarige.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door de verzoeker, belanghebbenden of andere belanghebbenden met tussenkomst van een advocaat worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 6 maart 2026 en er wordt een contactregeling vastgesteld van twee keer per week vier uur onder begeleiding met de moeder.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/693741 / JE RK 25-1841
Datum uitspraak: 19 december 2025

Beschikking van de kinderrechter tot machtiging uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
betreffende:

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hayaty te Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed te Rotterdam (voorheen: mr. M.J. Zennipman).

Het procesverloop

Bij beschikking van 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank middels spoedvoorziening een machtiging verleend om [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 6 november 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
Bij beschikking van 5 november van de kinderrechter in deze rechtbank is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg van 6 november 2025 tot 28 december 2025. Het verzoek is voor het overige aangehouden tot onderhavige zitting.
De kinderrechter heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • de brief van de gecertificeerde instelling van 11 december 2025;
  • de brief van de moeder van 17 december 2025, met bijlage.
Op 19 december 2025 heeft een gecombineerde zitting plaatsgevonden. Hierbij is ook het verzoek van de moeder tot wijziging van het gezag en de vaststelling van de hoofdverblijfplaats (geregistreerd onder kenmerk C/09/688795 / FA RK 25-5493) behandeld. Op dit verzoek zal in een aparte beschikking worden beslist.
Op de zitting zijn verschenen:
  • de moeder (via een telefonische verbinding), bijgestaan door haar advocaat en een tolk: M. Hautemann;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling en het Landelijk Expertise Team (LET).

Beoordeling

Aan de kinderrechter ligt nog voor het (resterende gedeelte van) het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] van de gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling heeft op de zitting het verzoek verduidelijkt, in die zin dat zij nu verzoekt om verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot het einde van de ondertoezichtstelling (te weten: 6 maart 2026). De vader en de moeder hebben hiertegen verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken.
Door de gecertificeerde instelling is daarnaast op de zitting mondeling aan de kinderrechter gevraagd om een richtlijn te geven voor het contact tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtbank zal dit opvatten als een aanvullend verzoek op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW), om een richtlijn te geven voor het contact tussen de moeder en [de minderjarige] .
Standpunten van partijen
De moeder kan zich niet verenigen met de verlenging van de uithuisplaatsing. Hoewel zij erkent dat ze contact heeft gehad met de vader, zal dit niet meer gebeuren. De moeder verblijft inmiddels op een nieuwe, veilige plek, waar ook veel hulverlening beschikbaar is. [de minderjarige] kan daarom nu bij haar worden teruggeplaatst. In ieder geval geldt dat het contact tussen haar en [de minderjarige] nu veel te beperkt is en dat dit moet worden uitgebreid.
De vader heeft ook verweer gevoerd tegen het verzoek. Naar zijn mening horen moeder en kind bij elkaar. De moeder kan goed voor [de minderjarige] zorgen. Op termijn hoopt de vader ook weer contact met hem te kunnen hebben.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid BW genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daartoe overweegt de kinderrechter als volgt.
De veiligheid van [de minderjarige] kan op dit moment onvoldoende worden gewaarborgd bij de moeder en een verlenging van de uithuisplaatsing is noodzakelijk. De vader vormt een acuut gevaar voor zowel de moeder als [de minderjarige] vanwege zijn psychische problematiek. Hij uit zich daarbij zich zeer dreigend en agressief. Weliswaar verblijft de vader sinds 5 november 2025 middels een zorgmachtiging in een GGZ-instelling, maar zijn toestandsbeeld is tot nu toe maar beperkt verbeterd, zo blijkt uit de overgelegde stukken. Daar komt bij dat de vader inmiddels twee uur per dag onbegeleid verlof heeft, dat naar verwachting zeer binnenkort zal worden uitgebreid naar vier uur.
Ondanks het verblijf van de moeder en [de minderjarige] op een geheime plek, heeft de moeder in het afgelopen half jaar geen weerstand kunnen bieden aan de vader. Zij hebben daarbij meermaals contact gehad en de vader is ook bij hen thuis geweest. De moeder heeft inmiddels een nieuwe plek in een opvanglocatie met een strak veiligheidsregime. Hoewel er vrijwel geen zorgen zijn over de opvoedvaardigheden van de moeder, deelt de kinderrechter de zorgen van de gecertificeerde instelling over haar weerbaarheid jegens de vader. Zij zal eerst hulpverlening moeten ontvangen, voordat gewerkt kan worden aan een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder. Daarnaast moet meer duidelijkheid ontstaan over het ziektebeeld en -verloop van de vader, voordat [de minderjarige] weer voldoende veilig is bij de moeder. Het is daarom noodzakelijk dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] zal voortduren en dat hij voorlopig in het pleeggezin verblijft.
Tegelijkertijd is de kinderrechter ook van oordeel dat het huidige contact tussen de moeder en [de minderjarige] van anderhalf uur per week te beperkt is. Zij zal daarom een (richtlijn voor) een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vaststellen. Mede gelet op de leeftijd van [de minderjarige] is het voor zijn hechtingsontwikkeling van groot belang dat hij de liefdevolle band die hij met de moeder heeft, kan behouden. De kinderrechter acht daarom in dit geval een begeleide omgang van twee keer per week, gedurende vier uur per keer passend. Daarbij moeten uiteraard wel de veiligheid kunnen worden gewaarborgd, zodat naar idee van de kinderrechter het contact het beste kan plaatsvinden op de verblijfslocatie van de moeder of bij het pleeggezin, maar in ieder geval niet in de openbare ruimte.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 6 maart 2026, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
bepaalt dat [de minderjarige] op grond van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek twee keer per week gedurende vier uur onder begeleiding contact zal hebben met de moeder op een veilige plek;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 2 januari 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.