ECLI:NL:RBDHA:2025:2679
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen afwijzing vernieuwing verblijfsdocument EU/EER en ambtshalve toekenning verblijfsrecht op grond van artikel 8 EVRM
Eiseres heeft op 5 september 2022 een aanvraag ingediend voor vernieuwing van haar verblijfsdocument EU/EER, nadat haar eerdere verblijfsdocument geldig tot 18 augustus 2022 was verlopen. De minister wees de aanvraag af met een besluit van 19 september 2023 en handhaafde deze afwijzing bij besluit op bezwaar van 14 mei 2024. Tijdens de bezwaarprocedure verleende de minister ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro met ingang van 5 maart 2024.
Eiseres voerde aan dat de ingangsdatum van het verblijfsrecht eerder had moeten worden vastgesteld, namelijk per 27 mei 2022 of 5 september 2022, omdat zij aan de voorwaarden voldeed en het gezinsleven met haar dochter niet was onderbroken. De rechtbank oordeelde dat eiseres procesbelang had vanwege het verblijfsgat tussen het verlopen van het oude verblijfsdocument en de nieuwe vergunning.
De rechtbank stelde vast dat de minister op goede gronden de ingangsdatum van het verblijfsrecht op 5 maart 2024 heeft vastgesteld, omdat pas tijdens de hoorzitting en na aanvullende stukken duidelijk werd dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro positief uitviel. De rechtbank vond dat de minister niet onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het inplannen van de hoorzitting en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot vernieuwing van het verblijfsdocument EU/EER is ongegrond verklaard en de ingangsdatum van het verblijfsrecht is vastgesteld op 5 maart 2024.