ECLI:NL:RBDHA:2025:26792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/695571 / FA RK 25-9142
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek rechterlijke machtiging opname en verblijf op grond van de Wet zorg en dwang

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft een verzoek ingediend voor een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf van cliënt op grond van artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd) voor de duur van zes maanden. Cliënt verblijft momenteel in een zorgaccommodatie en wordt bijgestaan door een advocaat. De rechtbank heeft het verzoek behandeld op 19 december 2025.

Tijdens de zitting heeft cliënt aangegeven tevreden te zijn met haar huidige verblijf en de zorg die zij ontvangt. Zij wenst niet terug naar huis, maar wil in de huidige accommodatie blijven of verhuizen naar dezelfde locatie als haar echtgenoot. De afdelingsarts en verzorgende bevestigden dat cliënt aanvankelijk verbaal verzet toonde, maar dat dit verzet inmiddels is verdwenen. Mantelzorgers gaven aan overbelast te zijn geraakt door de zorg thuis.

De rechtbank concludeert dat niet langer sprake is van actief verzet tegen opname en verblijf, waardoor niet wordt voldaan aan de criteria voor het verlenen van een rechterlijke machtiging. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.

Uitkomst: Het verzoek om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wordt afgewezen omdat cliënt geen actief verzet meer toont.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/695571 / FA RK 25-9142
Datum beschikking: 19 december 2025

Afwijzing van het verzoek om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[de cliënt],
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1933 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de accommodatie WZH [locatie], te [verblijfplaats],
advocaat: mr. Y. Polko te Den Haag.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 4 december 2025.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 22 oktober 2025;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 24 november 2025;
- een op 21 november 2025 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 24 november 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de afdelingsarts, mevrouw [naam 2];
- de verpleegkundige, mevrouw [naam 3];
- de dochter, mevrouw [naam 4];
- de zoon, de heer [naam 5].

Standpunten ter zitting

Cliënt heeft ter zitting naar voren gebracht tevreden te zijn over de plek waar zij momenteel verblijft en de zorg die zij hier ontvangt. Zij wil niet meer terug naar huis, maar in deze accommodatie verblijven of verhuizen naar dezelfde accommodatie als haar echtgenoot.
Gelet op het voorgaande, heeft de advocaat afwijzing van het verzoek bepleit, nu geen sprake meer is van verzet tegen opname en verblijf in een accommodatie.
De afdelingsarts heeft ter zitting aangegeven dat cliënt snel achteruitging nadat haar echtgenoot was uitgevallen en was opgenomen in het ziekenhuis en een verzorgingstehuis. Tijdens het begin van de opname was sprake van verbaal verzet en wilde cliënt naar huis. Dit was echter geen mogelijkheid, omdat de familie overbelast was door de zorg voor cliënt. Maximale thuiszorg zou onvoldoende zijn om in de noodzakelijke zorg te voorzien. Sinds de echtgenoot van cliënt niet meer thuis verblijft, lijkt het verzet van cliënt te zijn uitgedoofd. De komende periode zal gekeken worden of het mogelijk is cliënt over te plaatsen naar de accommodatie waar de echtgenoot verblijft. Op dit moment is daar nog geen plek.
De verzorgende heeft ter zitting naar voren gebracht dat cliënt soms aangeeft naar huis te willen. Nadat de situatie opnieuw wordt uitgelegd, ziet zij echter in dat zij niet naar huis wil.
De zoon en dochter van cliënt hebben aangegeven dat zij als mantelzorgers overbelast zijn geraakt door de zorg. Cliënt vraagt veel en heeft een verstoord dag- en nachtritme, waardoor de thuissituatie niet langer houdbaar was.

Beoordeling

Daargelaten of sprake is van een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap en daaruit voortvloeiend ernstig nadeel, leidt de rechtbank uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht af dat niet langer sprake is van (actief) verzet tegen de opname en het verblijf in een accommodatie. Cliënt geeft immers aan niet meer te willen terugkeren naar huis, maar akkoord te gaan met verblijf in de huidige accommodatie dan wel de accommodatie waar haar echtgenoot ondertussen verblijft.
Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor een rechterlijke machtiging. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst af het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Kelkensberg, rechter, bijgestaan door P.S.R. Nieman als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2025.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 januari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.