ECLI:NL:RBDHA:2025:26800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61294
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 3:41 Algemene wet bestuursrechtArt. 5 richtlijn 2008/115ECLI:NL:RVS:2015:674
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring en terugkeerbesluit in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist onder meer de rechtsgeldigheid van de bekendmaking van het terugkeerbesluit en de gronden voor de bewaring.

De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit rechtsgeldig is bekendgemaakt door terinzagelegging in Ter Apel en dat eiser zich aan zijn vertrekplicht niet heeft gehouden. De zwaarwegende gronden voor bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het niet meewerken aan vaststelling van identiteit, zijn voldoende onderbouwd en worden door de rechtbank aanvaard.

Eisers verweer dat lichtere middelen zoals een meldplicht hadden moeten worden toegepast, wordt verworpen omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat bewaring noodzakelijk is. Ambtshalve toetsing van de rechtsmatigheid en het beginsel van non-refoulement leidt niet tot een ander oordeel.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.B.G.T. von Bóné),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. D. Matadien, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B. Zaghdoud. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bekendmaking van het terugkeerbesluit
1. Eiser stelt dat hij niet op de hoogte was van de meervoudige beschikking van 30 juni 2023 waarin ook een terugkeerbesluit is opgenomen. Omdat niet duidelijk is dat verweerder het terugkeerbesluit op de voorgeschreven wijze aan eiser bekend heeft gemaakt, kan eiser niet worden tegengeworpen dat hij niet aan zijn vertrekplicht heeft voldaan.
2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de meervoudige beschikking van 30 juni 2023 staat dat deze bekend is gemaakt door terinzagelegging op de daarvoor bestemde plek in Ter Apel. Het terugkeerbesluit is derhalve rechtsgeldig bekend gemaakt. Dit geldt namelijk als bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit het dossier blijkt dat eiser op 4 mei 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Dat eiser zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht en daardoor niet
op de hoogte is gebleven van de status van zijn aanvraag komt naar het oordeel van de rechtbank voor eisers eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist zware grond 3a en stelt dat, omdat deze grond niet terecht is tegengeworpen, ook de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd komen te vervallen. Eiser stelt dat niet vast is komen te staan dat hij Nederland op illegale wijze is binnengekomen. Eisers eigen verklaring dat hij dit heeft gedaan kan niet als basis voor deze grond gelden. Verder stelt eiser ten aanzien van zware grond 3d dat verweerder contact op had kunnen nemen met de Marokkaanse autoriteiten in Spanje en dat eisers identiteit ook blijkt uit de informatie van het strafrechtelijk voortraject. Tot slot betwist eiser ook de lichte grond 4c en 4d. Eiser stelt hiertoe dat hij voldoende middelen van bestaan heeft door zwart te werken en dat hij in de Pauluskerk of bij zijn tante in Rotterdam kan verblijven.
5. Het bovenstaande betoog van eiser, slaagt niet. Vaststaat dat eiser geen paspoort heeft. Daarnaast is niet weersproken dat eiser heeft verklaard dat hij Europa en Nederland op illegale wijze is ingereisd. Niet valt in te zien waarom niet van deze verklaring kan worden uitgegaan. Dit is ook niet nader onderbouwd. Dat de andere gronden afhankelijk zouden zijn van zware grond 3a. volgt de rechtbank evenmin. Zo is bijvoorbeeld zware grond 3c, gelet op hetgeen onder 2. is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank ook terecht tegengeworpen. De rechtbank overweegt dat de zware gronden 3a, 3b, 3c, en 3i, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser heeft aangevoerd ten aanzien van zware grond 3d. en de overige lichte gronden behoeft dan ook geen bespreking. Dat verweerder de lichte grond
4b ter zitting heeft laten vallen maakt ook het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
6. Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder toepassing had moeten geven aan een lichter middel. Daartoe voert hij aan dat de bewaring hem bijzonder zwaar valt en dat niet valt in te zien waarom geen lichter middel, zoals een meldplicht, kon worden toegepast. Volgens eiser is hij in staat hier te verblijven, beschikt hij over voldoende middelen en heeft hij verblijfsmogelijkheden bij de Pauluskerk dan wel bij een tante. Tevens kan hij werkzaamheden verrichten om in zijn onderhoud te voorzien.
7. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en
het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
8. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. Verweerder heeft zich, gelet op gronden van de maatregel en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet kon worden volstaan met de toepassing van een lichter middel. De stelling dat de bewaring eiser zwaar valt en dat hij verblijfsmogelijkheden en middelen heeft, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en zich daarmee aan het toezicht heeft onttrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geen toepassing heeft gegeven aan een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te
voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.