ECLI:NL:RBDHA:2025:26806

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55644
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling asielaanvraag en interstatelijk vertrouwensbeginsel in het kader van Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser, van Tadzjiekse nationaliteit, had een aanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie was afgewezen op basis van de Dublinverordening, waarbij Bulgarije als verantwoordelijk land werd aangewezen. De rechtbank heeft op 9 december 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan beroepen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden beschouwd, zoals bedoeld in het Tarakhel-arrest. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft aangetoond dat hij vanwege zijn medische klachten niet naar Bulgarije kan reizen. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bevestigen dat Bulgarije voldoet aan de vereisten voor de behandeling van asielzoekers.

Eiser heeft aangevoerd dat de toegang tot gezondheidszorg in Bulgarije gebrekkig is, maar de rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt mag stellen dat de medische voorzieningen in Bulgarije vergelijkbaar zijn met die in Nederland. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is voor de minister om individuele garanties te vragen aan Bulgarije en dat de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling is genomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55644
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. E. de Bonth).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Tadzjiekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1989. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 november 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, W.M. Mamik als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser stelt dat ten aanzien van Bulgarije niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Op de zitting is vastgesteld dat eisers beroep in dat verband alleen nog betrekking heeft op de toegang tot de gezondheidszorg. Uit het AIDA-rapport van maart 2025 (update 2024) volgt volgens eiser namelijk dat die toegang gebrekkig is. Eiser wijst op pagina 90 van dit rapport, waaruit volgt dat in de nationale wetgeving is weergegeven dat asielzoekers toegang moeten hebben tot gezondheidszorg maar in de praktijk beperkt is, ook voor de Bulgaren zelf. Dit is het gevolg van de algemene staat van de verslechtering van het nationale gezondheidssysteem, die lijdt aan grote materiele en financiële tekortkomingen. Dat eiser kan klagen bij de Bulgaarse autoriteiten volgt eiser niet, omdat de minister uit het oog verliest dat op dat moment reeds de mensenrechtenschending jegens eiser heeft plaatsgevonden. Eiser spreekt ook de taal niet en kan er niet op rekenen dat hulpverlening aanwezig is om hem te helpen bij het opstellen van een juridische klacht.
6. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij voor Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit in meerdere uitspraken bevestigd.1 Het AIDA-rapport update 2024 is weliswaar niet bij deze uitspraken betrokken, maar de minister heeft terecht gesteld dat het rapport op het punt van de toegang tot de gezondheidszorg geen wezenlijk andere informatie bevat dan de AIDA-rapporten over 2022 en 2023 die al in die rechtspraak zijn betrokken. De Afdeling heeft ook al geoordeeld2 dat uit het AIDA-rapport update 2023 niet kan worden afgeleid dat Dublinclaimanten structureel geen toegang tot medische basiszorg krijgen. In die update staat dezelfde informatie over de toegang tot de zorg in de praktijk en die is dus al meegenomen in de beoordeling van de Afdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat in Bulgarije geen sprake is van fundamentele systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo3 bereiken. Mocht eiser na overdracht van mening zijn dat Bulgarije zijn verplichtingen ten aanzien van de opvang en de behandeling van asielzoekers niet nakomt, dan ligt het op zijn weg om daarover in Bulgarije te klagen. Dat dit voor eiser niet mogelijk, of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Bulgarije hem niet zouden kunnen of willen helpen. De enkele stelling dat eiser de taal niet spreekt is daartoe onvoldoende. Dat eiser geen juridische bijstand zou kunnen verkrijgen, volgt ook niet het AIDA-rapport4.

Had de minister voor eiser individuele garanties moeten vragen?

7. Eiser stelt dat overdracht gelet op zijn gezondheidssituatie niet mag plaatsvinden. Eiser heeft psychische klachten, gebruikt medicatie om te kunnen slapen en heeft hepatitis B, in combinatie met een co-infectie met hepatitis D. Volgens de artsen is deze aandoening ernstig en vereist dit een gespecialiseerde behandeling. Eiser vindt dat de minister zijn individuele gezondheidssituatie onvoldoende heeft betrokken. De minister heeft geen onderzoek verricht of advies gevraagd met betrekking tot de medische situatie van eiser.
8. In het arrest Tarakhel5 is geoordeeld dat ten aanzien van bijzonder kwetsbare asielzoekers aanleiding kan bestaan om aanvullende garanties te vragen aan de ontvangende lidstaat. Het uitgangspunt is dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen
vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in dit geval niet opgaat. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft zijn psychische klachten niet met stukken onderbouwd. Wel heeft eiser onderbouwd dat hij lijdt aan hepatitis B en D. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij daarvoor medicatie krijgt.
De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als bijzonder kwetsbaar moet worden beschouwd. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij onder specialistische behandeling staat of dat Nederland het meest geschikte land is om hem te behandelen. De overgelegde stukken bieden geen concrete aanwijzingen dat de behandeling door middel van medicijnen in dit geval niet adequaat in Bulgarije kan plaatsvinden.
9. De minister mag zich dan ook op het standpunt stellen dat er van mag worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Bulgarije vergelijkbaar zijn met die in Nederland, dat Bulgarije in staat moet worden geacht de medische klachten van eiser te kunnen behandelen en dat eiser na aankomst in Bulgarije toegang heeft tot de nodige zorg. De rechtbank volgt de minister dat er daarom ook geen aanleiding bestaat om individuele garanties te vragen aan Bulgarije. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Ten aanzien van het verrichten van nader onderzoek heeft de minister op de zitting toegelicht dat het BMA in de Dublinprocedure alleen wordt ingeschakeld als uit de door eiser ingebrachte stukken blijkt dat hij niet naar Bulgarije kan reizen. Het BMA laat zich dan enkel uit over de vraag of de vreemdeling kan reizen naar het ontvangende land. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat uit de stukken niet is gebleken dat eiser gelet op zijn medische klachten niet naar Bulgarije kan reizen. Dat de minister nader onderzoek had moet verrichten of advies had moeten vragen volgt de rechtbank daarom niet.

Had de minister de asielaanvraag aan zich moeten trekken?

11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister in de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat overdracht aan Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:303, van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647 en van 3 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1490.
2 Uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:303.
3 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (arrest Jawo).
4 Zie pagina 53 van het AIDA-rapport.
5 Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 (Tarakhel tegen Zwitserland).
15 december 2025

Documentcode: [Documentcode]