ECLI:NL:RBDHA:2025:26814
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Eiser, een minderjarige met de Jemenitische nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging bij zijn vader. De minister wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt wie zijn moeder was en de familierechtelijke relatie met haar. Ook ontbrak een toestemmingsverklaring van de moeder voor het vertrek van eiser naar Nederland.
Eiser stelde in beroep dat zijn identiteit en die van zijn moeder wel waren vastgesteld en dat de moeder toestemming had gegeven. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht twijfelde aan de authenticiteit van de overgelegde documenten, mede vanwege het ontbreken van een duidelijke verklaring over de herkomst van de Somalische geboorteakte en het ontbreken van een scheidingsakte tussen de ouders.
Verder was de moeder van eiser niet beschikbaar voor nader onderzoek, ondanks het aanbod van een interview. De rechtbank vond dat de belangen van het minderjarige kind weliswaar meegewogen waren, maar dat zonder toestemming van de moeder geen mvv kon worden verleend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.