Eiseres, een Pakistaanse vrouw geboren in 1964, verzocht om een visum kort verblijf om haar schoonzoon in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende aantoonbare doel en omstandigheden van het verblijf en onvoldoende middelen van bestaan. In bezwaar handhaafde de minister deze gronden en voegde een nieuwe afwijzingsgrond toe over twijfel aan de echtheid van bewijsstukken en het voornemen tot terugkeer.
Eiseres stelde dat het besluit en het bestreden besluit onvoldoende waren gemotiveerd, met name over haar sociale en economische binding met Pakistan, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte van het horen had afgezien, omdat in bezwaar niet was ingegaan op de sociale en economische binding, waardoor eiseres niet kon reageren op de nieuwe afwijzingsgrond.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en beval de minister binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan eiseres.