ECLI:NL:RBDHA:2025:26820
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning dienstongeval na val met kast op werk
Eiser, voormalig politieambtenaar, verzocht om erkenning van een dienstongeval dat op 8 juli 2021 zou hebben plaatsgevonden toen hij met een collega een kast naar een afvalcontainer vervoerde en daarbij viel. Verweerder, de korpschef van politie, wees dit verzoek af wegens gebrek aan bewijs en onvoldoende aannemelijkheid van het ongeval.
Eiser voerde aan dat het ontbreken van bewijs voor rekening van verweerder komt, die onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan en de toegang tot digitale meldingssystemen had geblokkeerd. Ook stelde hij dat het inzetbaarheidsadvies van de bedrijfsarts het verband met het ongeval bevestigde.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De communicatie van eiser met leidinggevenden was vaag en er was geen bewijs van eerdere melding. Het lange tijd uitblijven van een formele melding en het ontbreken van een geloofwaardige verklaring hiervoor, evenals het inzetbaarheidsadvies dat verwees naar een eerder dienstongeval uit 2018, ondersteunen dit oordeel.
De rechtbank concludeerde dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld, geen onderzoeksplicht had omdat er geen aanleiding was het ongeval te vermoeden, en dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de erkenning van het dienstongeval wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.