Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26820

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
SGR 24/10165
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning dienstongeval na val met kast op werk

Eiser, voormalig politieambtenaar, verzocht om erkenning van een dienstongeval dat op 8 juli 2021 zou hebben plaatsgevonden toen hij met een collega een kast naar een afvalcontainer vervoerde en daarbij viel. Verweerder, de korpschef van politie, wees dit verzoek af wegens gebrek aan bewijs en onvoldoende aannemelijkheid van het ongeval.

Eiser voerde aan dat het ontbreken van bewijs voor rekening van verweerder komt, die onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan en de toegang tot digitale meldingssystemen had geblokkeerd. Ook stelde hij dat het inzetbaarheidsadvies van de bedrijfsarts het verband met het ongeval bevestigde.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ongeval heeft plaatsgevonden. De communicatie van eiser met leidinggevenden was vaag en er was geen bewijs van eerdere melding. Het lange tijd uitblijven van een formele melding en het ontbreken van een geloofwaardige verklaring hiervoor, evenals het inzetbaarheidsadvies dat verwees naar een eerder dienstongeval uit 2018, ondersteunen dit oordeel.

De rechtbank concludeerde dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld, geen onderzoeksplicht had omdat er geen aanleiding was het ongeval te vermoeden, en dat het besluit deugdelijk is gemotiveerd. Het beroep is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de erkenning van het dienstongeval wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10165

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),
en

de korpschef van politie, verweerder

(gemachtigden: mr. E.C.M. Dekkers en [naam 1]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek om een gemeld ongeval als dienstongeval te erkennen.
1.1.
Bij primair besluit van 21 mei 2024 heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan namen eiser met zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deel. Namens verweerder verscheen ook [naam 1].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was tot zijn eervol ontslag in november 2023 bij verweerder in dienst als politieambtenaar. Hij was werkzaam bij “Team Facilitaire Services RFS Rotterdam”.
3. Sinds februari 2015 was eiser arbeidsongeschikt, met tussenpozen van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid waarin hij re-integreerde.
3.1
In 2018 is eiser een met zijn werk verband houdend ongeval overkomen, dat is erkend als dienstongeval.
3.2
Vanaf februari 2021 is eiser weer aan het werk gegaan ten behoeve van zijn re-integratie. Op 12 juli 2021 is eiser met krukken op het werk verschenen. Hij is vervolgens door zijn leidinggevende naar huis gestuurd en heeft daarna niet meer voor verweerder gewerkt.
4. Eiser heeft op 12 augustus 2021 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. De inhoud daarvan is weergegeven in een inzetbaarheidsadvies.
5. Op 23 juni 2023 heeft eiser melding gedaan van een dienstongeval, met gebruikmaking van het daarvoor bestemde “Formulier (arbeids)ongevallen politie”. Het ongeval zou op 8 juli 2021 hebben plaatsgevonden. [1]
5.1
Volgens de omschrijving van eiser, vond het ongeval plaats toen hij met een collega een kast naar een afvalcontainer vervoerde en, om te voorkomen dat de kast met roller zou omvallen, een beweging heeft gemaakt waarbij hij weggleed, struikelde en zijn enkel verzwikte.
5.2
Verder meldt eiser, dat hij na het ongeval niet goed op de gekwetste voet kon staan, waardoor hij ook de knie van het andere been verzwikte.
6. Verweerder heeft het gemelde ongeval niet als dienstongeval erkend. Volgens verweerder was er niets bekend over een ongeval met een container en heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op 8 juli 2021 bij een dergelijk ongeval betrokken is geweest.
Wat voert eiser aan in beroep?
7. Eiser betoogt dat het ongeval voldoende vast staat en moet worden aangemerkt als dienstongeval. Het bestreden besluit is volgens eiser ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen.
7.1
Het ontbreken van feitelijke informatie over de toedracht is voor risico van verweerder en mag niet aan eiser worden tegengeworpen.
7.1.1
Verweerder is namelijk tekortgeschoten in zijn verplichting zorgvuldig onderzoek te doen naar het ongeval en daarvan een adequate verslaglegging bij te houden. Eiser heeft kort na 8 juli 2021 diverse signalen gegeven over het ongeval; hij heeft op 12 juli 2021 aan een leidinggevende uitgelegd waarom hij met krukken op het werk verscheen, op 15 juli 2021 heeft hij een voicemail op het telefoonnummer van een andere leidinggevende ingesproken en het ongeval is op 12 augustus 2021 met de bedrijfsarts besproken. Verweerder had in deze signalen aanleiding moeten zien om onderzoek naar de toedracht te doen en alle relevante feiten vast te leggen.
7.1.2
Daarnaast heeft verweerder de toegang tot digitale systemen voor eiser geblokkeerd. Hierdoor kon eiser niet eerder een formele melding doen. Pas na tussenkomst van zijn gemachtigde is hij daartoe in de gelegenheid gesteld.
7.2
Verweerder leidt ten onrechte uit het inzetbaarheidsadvies af, dat de bedrijfsarts de knie- en voetklachten in verband heeft gebracht met het dienstongeval uit 2018. Uit het advies blijkt juist dat de bedrijfsarts een verband legt met het ongeval van 8 juli 2021.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen reden heeft hoeven zien om aan te nemen dat eiser op 8 juli 2021 een dienstongeval is overkomen. Dit oordeel berust op het volgende.
8.1
Verweerder heeft als zorgvuldig handelend bestuursorgaan en als goed werkgever de verplichting, om zorgvuldig onderzoek te doen naar de toedracht van een ongeval tijdens het werk. Om verweerder hierop aan te kunnen spreken mag wel van eiser worden verwacht, dat hij een dergelijke gebeurtenis onder de aandacht van verweerder brengt.
8.2
Uit de bewoordingen van de ziekmelding die eiser op 9 juli 2021 heeft gedaan aan de heer [naam 1], een leidinggevende, blijkt niet van een ongeval. Het contactmoment met de heer [naam 2] dat op 12 juli 2021 heeft plaatsgevonden, heeft eiser in zeer algemene bewoordingen omschreven; daaruit wordt niet aannemelijk dat hij over een ongeval heeft verteld. Van de voicemail die eiser op 15 juli 2021 heeft ingesproken is geen bewijs overgelegd. Er is ook verder geen bewijs dat eiser voorafgaand aan 2023 een mededeling van het vermeende dienstongeval heeft gedaan.
8.3
Lange tijd heeft eiser geen aanstalten gemaakt om melding te maken van het vermeende ongeval via het daartoe bestemde en bij hem bekende formulier. Eiser had daarvoor ruim de tijd. Zoals ter zitting is toegelicht, wordt de toegang tot het digitale systeem pas automatisch geblokkeerd nadat er 90 dagen niet is ingelogd. Eiser heeft geen bevredigende verklaring gegeven waarom dat zo lang achterwege is gelaten. Dat eiser vanwege zijn lichamelijke en psychische situatie niet bij machte was om een formulier in te dienen, zoals hij ter zitting heeft gesteld, is niet onderbouwd en ook niet geloofwaardig. Ook heeft hij niet goed kunnen verklaren waarom hij dan geen mail heeft gestuurd.
8.4
Het inzetbaarheidsadvies geeft weer wat eiser op 12 augustus 2021 aan de bedrijfsarts heeft verteld. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van dit advies. In het advies is geen melding gemaakt van een recent ongeval. Wel is daarin opgetekend dat eiser stress had omdat hij meer dan 4 maal 4 uur per week moest werken en daarvan moest bijkomen. Ook eisers klachten aan de voet en de knie zijn benoemd, maar een toelichting op die klachten ontbreekt. Tot zover is zijn ziekmelding toegelicht. Als eiser een recent en heftig ongeval was overkomen en daardoor in een toestand van volledige arbeidsongeschiktheid was teruggeworpen, ligt het bijzonder voor de hand dat hij daarvan melding had gemaakt in het gesprek met de bedrijfsarts.
In het inzetbaarheidsadvies wordt vermeld, dat eiser “is uitgevallen met de late gevolgen, volgens betrokkene zelf van een dienstongeval.” De enige redelijke lezing van deze passage, is dat eiser klachten ondervond als gevolg van een dienstongeval, dat betrekkelijk ver in de tijd is verwijderd van het moment waarop deze klachten zijn gaan opspelen. Het is dus duidelijk dat dit gaat om de eerdere uitval als gevolg van het dienstongeval uit 2018.
8.5
Verweerder had dus geen reden te vermoeden dat eiser op 8 juli 2021 een ongeval tijdens het werk was overkomen en hoefde dat dus ook niet te onderzoeken en in een dossier vast te leggen. Van strijd met goed werkgeverschap is geen sprake. Het bestreden besluit is dan ook voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op het formulier is 9 juli 2021 als ongevalsdatum vermeld. Eiser heeft dit in bezwaar gecorrigeerd en aangegeven dat de datum van 8 juli 2021 was bedoeld. Verweerder is vanaf de bezwaarfase van deze aangepaste datum uitgegaan.