In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 8 december 2025 uitspraak gedaan over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser door de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft de verblijfsvergunning ingetrokken omdat er geen sprake meer zou zijn van familie- of gezinsleven met de referente. Eiser is het niet eens met deze beslissing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was, maar eiser en zijn gemachtigde zich afmeldden.
De rechtbank oordeelt dat de minister de verblijfsvergunning niet ten onrechte heeft ingetrokken, maar dat het bestreden besluit een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek bevat. De rechtbank vernietigt het besluit voor zover niet is beoordeeld of er sprake is van familie- of gezinsleven met de nieuwe partner van eiser. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de minister het gebrek heeft hersteld in het verweerschrift. De rechtbank concludeert dat de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser, en dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd is met het recht op privéleven.
De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser, omdat eiser geen griffierecht heeft betaald. De uitspraak is openbaar gemaakt op 8 december 2025.