ECLI:NL:RBDHA:2025:26854

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693836 / JE RK 25-1850
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige

In deze zaak heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [minderjarige]. De zaak betreft een verzoek van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, die als gecertificeerde instelling optreedt. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ouders van [minderjarige], de vader en de moeder, belast zijn met het ouderlijk gezag, maar dat [minderjarige] momenteel bij zijn pleegouders verblijft, die zijn grootouders aan vaderszijde zijn. De kinderrechter heeft de procedure op 30 december 2025 met gesloten deuren gehouden, waarbij de vader en de pleegouders aanwezig waren, maar de moeder niet. De kinderrechter heeft de mening van [minderjarige] gehoord en vastgesteld dat er zorgen zijn over de stabiliteit van zijn woonsituatie en de draagkracht van de pleegouders. De kinderrechter heeft besloten om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar, tot 8 januari 2027. Dit is noodzakelijk om de zorg en opvoeding van [minderjarige] te waarborgen en om te voorkomen dat hij in een onveilige situatie terechtkomt. De kinderrechter heeft ook benadrukt dat er duidelijke afspraken moeten komen over het contact tussen [minderjarige] en zijn ouders, en dat de gecertificeerde instelling moet zorgen voor voldoende ondersteuning voor de pleegouders. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693836 / JE RK 25-1850
Datum uitspraak: 30 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
[pleegvader] en [pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegouders (grootouders vaderszijde),
gezamenlijk wonende te [woonplaats 3] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouders.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. De moeder heeft zich op 29 december 2025 telefonisch afgemeld voor de zitting.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de de pleegouders (grootouders vaderszijde).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 8 januari 2026 en heeft voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.2.
[minderjarige] heeft in het verleden veel wisselingen van woonplekken meegemaakt, wat veel onrust en instabiliteit voor hem met zich meebracht. Deze instabiliteit in woonsituatie doet zich nu niet meer voor. [minderjarige] woont al geruime tijd bestendigd bij de grootouders, en heeft van daaruit contact met zijn vader en met zijn moeder. De pleegouders bieden hem een stabiele plek, die tegemoetkomt aan zijn bovengemiddelde behoefte aan duidelijkheid en structuur en waar hij zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen. De ouders zijn op dit moment niet in staat om de basisbehoeften duurzaam aan hem aan te bieden. [minderjarige] is hiernaast zeer ambivalent in zijn wensen over bij wie hij wil wonen. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt moeizaam en de moeder handelt soms afwijzend naar [minderjarige] . Ook het contact tussen de moeder de gecertificeerde instelling verloopt moeizaam. Het contact tussen de vader en de gecertificeerde instelling verliep tevens een lange tijd moeizaam, maar is sinds kort hervat en er is nu een gestructureerde, maar nog niet vastgelegde, omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. Een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is noodzakelijk om structuur en duidelijkheid waar [minderjarige] zo bij gebaat is te kunnen waarborgen en om te voorkomen dat hij opnieuw in een onstabiele of onveilige situatie terechtkomt. De grootouders hebben aangegeven naar alle waarschijnlijkheid niet meer de draagkracht te hebben om in de toekomst aan te kunnen blijven sluiten bij de verhoogde opvoedvraag van [minderjarige] en de zorg voor hem te kunnen blijven dragen. In het aankomende jaar moet worden uitgezocht waar het perspectief van [minderjarige] ligt en er moet duidelijkheid en structuur komen in de momenten dat [minderjarige] de ouders ziet, om zo ook te onderzoeken of een eventuele toekomstige thuisplaatsing (bij de vader) mogelijk is.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft ingestemd met het verzoek. Hij is het altijd eens geweest met de maatregelen, maar maakt zich wel zorgen over de draagkracht van de grootouders nu de zorg voor [minderjarige] wel zwaar voor hen wordt. [minderjarige] wil nu het liefst bij de vader wonen, maar dit is op dit moment nog niet mogelijk. Hij is nu wel vaak in het weekend bij de vader, maar hier zijn nog geen vaste afspraken over. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat deze afspraken worden vastgelegd.
4.2.
De pleegouders hebben ook ingestemd met het verzoek. De zorg voor [minderjarige] valt hen wel zwaar en zij kunnen dit waarschijnlijk niet voor de lange termijn op zich blijven nemen. De pleegouders zullen het wel nog een jaar volhouden wanneer zij hier hulp bij krijgen. Het is erg belangrijk dat er vaste afspraken komen over de omgang tussen [minderjarige] en zijn ouders, zodat [minderjarige] meer structuur en duidelijkheid krijgt.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter stelt voorop dat wanneer een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, het verzoek tot verlenging van deze maatregelen vergezeld moet zijn van een advies van de Raad op grond van artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter stelt vast dat deze toetsing ontbreekt. Desondanks ziet de kinderrechter reden om de maatregelen te verlengen, nu de kinderrechter van oordeel is dat dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
5.2.
[minderjarige] heeft een belast verleden en een verhoogde opvoedvraag, waarbij hij extra gebaat is bij duidelijkheid en stabiliteit. [minderjarige] woont al lange tijd bij de grootouders vaderszijde en zij kunnen hem op dit moment nog de zorg, stabiliteit en structuur bieden die hij nodig heeft. Wel wordt er gezien dat [minderjarige] onrust ervaart omdat er op dit moment geen vaste afspraken zijn over het contact met zijn ouders. Ook zijn er zorgen om de verminderde draagkracht bij de grootouders. Het is in het belang van [minderjarige] dat alle betrokkenen zich in het aankomende jaar inzetten om meer duidelijkheid en stabiliteit voor [minderjarige] te creëren door duidelijke afspraken over het contact met zijn ouders vast te leggen. Ook moet onderzocht worden waar het perspectief van [minderjarige] ligt. Gelet op het voorgaande is een verlenging van de maatregelen voor de duur van een jaar noodzakelijk. Het is belangrijk voor [minderjarige] dat hij duidelijkheid heeft over het feit dat hij in ieder geval in het aankomende jaar bij de grootouders zal blijven wonen. De kinderrechter merkt ten slotte op dat zij er van uit gaat dat de gecertificeerde instelling ervoor zorgt dat de pleegouders voldoende ondersteunende hulp en begeleiding krijgen in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Daarom zijn de maatregelen nog steeds nodig.
5.3.
Gelet op het bovenstaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 8 januari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 8 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2025 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 19 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.