Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
en
Rechtbank Den Haag
Verzoekster, een Oekraïense vrouw die sinds maart 2022 in Nederland verblijft, woont sinds mei 2022 met haar dochter in een woning waarvan haar overleden partner de huurder was. Na het overlijden van haar partner in maart 2025 wil zij de huurovereenkomst overnemen, maar de verhuurder weigert medewerking. Verzoekster startte een civiele procedure om de overname af te dwingen en vroeg gelijktijdig een huisvestingsvergunning aan bij verweerder.
Verweerder nam de aanvraag aanvankelijk niet in behandeling wegens ontbrekende documenten, maar voerde vervolgens een toets uit en concludeerde dat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen, met name omdat zij en haar dochter niet beschikken over een rechtmatig verblijfsdocument en niet is aangetoond dat zij een duurzaam gemeenschappelijk huishouden voerde met haar overleden partner. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om voor de civiele zitting een vergunning te verkrijgen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege de lopende civiele procedure, maar dat het verzoek te ver gaat omdat het verlenen van een huisvestingsvergunning een discretionaire bevoegdheid is en geen voorlopige voorziening kan worden getroffen. Tevens is het niet voldoen aan de passendheidseisen terecht vastgesteld door verweerder. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat de beoordeling van bijzondere omstandigheden beter in de bezwaarprocedure kan plaatsvinden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster niet voldoet aan de passendheidseisen voor een huisvestingsvergunning.