ECLI:NL:RBDHA:2025:26865

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/7437
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet Bibob
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatie- en alcoholvergunning horeca

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van Den Haag om haar exploitatie- en alcoholvergunningen in te trekken vanwege overtredingen van aanvullende voorschriften die illegaal gokken in haar horeca-inrichting moeten voorkomen.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit controles blijkt dat verzoekster de voorschriften heeft overtreden, onder meer door het spelen van kaartspellen in een achterruimte die niet zichtbaar is vanaf de openbare weg. Ondanks een eerdere waarschuwing zijn de overtredingen herhaald, wat de intrekking van de vergunningen rechtvaardigt.

Verzoekster stelde dat het besluit niet proportioneel is en dat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de voorschriften, maar deze argumenten werden verworpen. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom wordt afgewezen.

De uitspraak is een voorlopige beslissing en bindt niet in een eventueel bodemgeding. Verzoekster kan nog bezwaar maken tegen het besluit en eventueel schade verhalen als het besluit onrechtmatig blijkt.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en bevestigt de intrekking van de vergunningen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7437

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B. Çiçek),
en

de burgemeester van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Lafleur).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft verweerder de exploitatievergunning en alcoholvergunning van verzoekster ingetrokken. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Desgevraagd heeft verweerder te kennen gegeven de werking van het bestreden besluit op te schorten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens verzoekster haar gemachtigde en [exploitant] (exploitant) en namens verweerder zijn gemachtigde vergezeld door [naam] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 5 juli 2023 heeft de heer [exploitant] (hierna: de exploitant) bij verweerder aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning en een alcoholvergunning (hierna: de vergunningen) voor de horeca-inrichting in het perceel [adres] (hierna: de horeca-inrichting). Bij de aanvraagprocedure heeft verweerder in het kader van het gemeentelijke beleid inzake de Wet Bibob justitiële gegevens opgevraagd bij de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Uit deze informatie is gebleken dat een strafzaak over illegaal gokken op 3 november 2018 jegens de exploitant op 12 april 2022 is geseponeerd. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de exploitant op 30 september 2014 is veroordeeld tot betaling van een geldboete van € 1.500,- vanwege illegaal gokken. Tot slot is vastgesteld dat de politie tijdens een controle op 12 oktober 2023 bij de horeca-inrichting aanwijzingen heeft aangetroffen voor het faciliteren van illegaal gokken. De exploitant heeft van deze feiten en omstandigheden geen melding gemaakt op het Bibob-vragenformulier dat hij op 5 juli 2023 ten behoeve de vergunningaanvraag heeft ondertekend. Hoewel het niet naar waarheid invullen van het Bibob-vragenformulier, evenals de betrokkenheid bij meerdere strafbare feiten in verband met illegaal gokken, een weigeringsgrond oplevert voor de door de exploitant aangevraagde vergunningen, achtte verweerder een weigering van de gevraagde vergunningen niet proportioneel. Met het besluit van 24 oktober 2023 heeft verweerder de aanvragen van de exploitant voor een exploitatievergunning en de alcoholvergunning toegekend. Omdat de uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden wel een mindere mate van gevaar opleverden als bedoeld in artikel 3, zevende lid, van de Wet Bibob, heeft verweerder de volgende aanvullende voorschriften aan de toegekende vergunningen verbonden:
1. de exploitant wordt gedurende drie jaar jaarlijks onderworpen aan een antecendentenonderzoek. Hiertoe zal gedurende deze periode jaarlijks informatie opgevraagd worden bij de Justitiële Informatiedienst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en bij de politie. Indien blijkt dat hij zich wederom schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, wordt onderzocht of de vergunningen ingetrokken dienen te worden op grond van artikel 3 van Pro de Wet Bibob of op een andere grond.
2. de exploitant ziet er zelf, dan wel via een leidinggevende, op toe dat er geen illegale gokactiviteiten in de horeca-inrichting plaatsvinden, zoals, bijvoorbeeld, het faciliteren van illegale tafelspellen, en het gokken via cashcenters of smartphones van een bezoeker.
3. de exploitant ziet er zelf, dan wel via een leidinggevende, op toe dat er geen gelegenheid wordt geboden tot het spelen van (kaart)-spellen waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
4. de exploitant ziet er zelf, dan wel via een leidinggevende, op toe dat er in de achterste ruimte van de horeca-inrichting in het geheel geen kaartspellen of andere spellen worden gespeeld.
5. het spelen van spellen dient zichtbaar te zijn vanaf de openbare weg. De horeca-inrichting is vanaf de openbare weg dus transparant.
In beide vergunningen staat nadrukkelijk vermeld dat het niet naleven van één of meerdere bovengenoemde aanvullende voorschrift(en) leidt tot intrekking van de vergunningen.
2.1.
Op 20 maart 2025 hebben toezichthouders de horeca-inrichting gecontroleerd. Uit het naar aanleiding daarvan op 29 maart 2025 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt dat zij toen onder meer hebben geconstateerd dat de ramen voor ongeveer de helft waren afgeplakt met folie waar niet doorheen gekeken kon worden. Verder hebben zij vastgesteld dat in de vergunde benedenlokaliteit meerdere bezoekers een kaartspel aan het spelen waren. Dit was vanaf de openbare weg niet te zien voor de toezichthouders. Desgevraagd verklaarde de exploitant dat ook in de niet vergunde horecalokaliteiten spellen werden gespeeld. Uit deze bevindingen van de toezichthouders heeft verweerder geconcludeerd dat de exploitant in strijd heeft gehandeld met de aanvullende voorschriften 4 en 5 en hem hiervoor op 8 mei 2025 een eenmalige waarschuwing gegeven. Als de geconstateerde overtredingen aanhouden, dan zal tot intrekking van de vergunningen worden overgegaan.
2.2.
Op 8 juni 2025 heeft wederom een controle plaatsgevonden bij de horeca-inrichting, ditmaal door politieambtenaren. Blijkens de op 20 juni 2025 opgestelde bestuurlijke rapportage constateerden zij bij binnenkomst dat in de achterruimte, die niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, meerdere personen om een tafel zaten. Op deze tafel lagen fiches en een kaartspel. Bij de aanwezige bezoekers werd contant geld aangetroffen. Twee van deze bezoekers waren al eerder door de politie aangetroffen bij andere horeca-inrichtingen waarvan een vermoeden bestond dat daar illegaal wordt gegokt. Uit deze feiten en omstandigheden verkregen de politieambtenaren het vermoeden dat ook in de horeca-inrichting op het moment van de controle illegaal werd gegokt. Verweerder heeft uit deze bestuurlijke rapportage geconcludeerd dat de exploitant wederom de aanvullende voorschriften 4 en 5 van de vergunningen niet heeft nageleefd. Gelet daarop heeft verweerder op 23 augustus 2025 het voornemen aan de exploitant uitgebracht om de voor de horeca-inrichting verleende vergunningen in te trekken. Nadat de exploitant gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om tegen dit voornemen een zienswijze in te dienen, heeft verweerder op 16 oktober 2025 besloten tot intrekking van de betreffende vergunningen. De exploitant dient de exploitatie van de horeca-inrichting vijf dagen na dagtekening van dit besluit te staken, anders zal er bestuursdwang worden toegepast.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster is het niet eens met het besluit tot intrekking van de betreffende vergunningen. Zij heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorziening te treffen.
Kort samengevat voert zij aan dat geen sprake is geweest van overtreding van de aanvullende voorwaarden en dat het besluit tot intrekking van de vergunningen geen geschikte, noodzakelijke en evenredige maatregel betreft. De daartoe door verzoekster aangevoerde argumenten zal de voorzieningenrechter onder haar oordeel puntsgewijs bespreken.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter overweegt dat een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Een spoedeisend belang kan echter wel worden aangenomen, indien aannemelijk is dat verzoeker in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Op de zitting heeft de exploitant toegelicht dat hij kostwinner is voor zijn gezin en de exploitatie van de horeca-inrichting zijn enige inkomstenbron betreft. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan blijft de horeca-inrichting in ieder geval gesloten totdat een beslissing op het bezwaar van verzoekster wordt genomen en worden in die periode geen inkomsten gegenereerd. Tegelijkertijd worden er echter wel verschillende kosten gemaakt. Ter ondersteuning hiervan heeft verzoekster een verklaring van de boekhouder en een aangifte inkomstenbelasting van 2024 ingebracht. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster hiermee voldoende heeft onderbouwd dat sprake is van onverwijlde spoed waardoor zij niet op de beslissing op het door haar ingediende bezwaar kan wachten.
Heeft verzoekster de aanvullende voorschriften overtreden?
6. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter een bestuursorgaan in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een door een inspecteur op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte rapportage. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. [1]
6.1.
De voorzieningenrechter ziet op het eerste oog in wat verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van 29 maart 2025 van de controle op 20 maart 2025 en de bestuurlijke rapportage van 20 juni 2025 van de controle op 8 juni 2025. Haar stelling dat de folie tijdens de controle van 20 maart 2025 niet het gehele raam bedekte, neemt niet weg dat vanaf de openbare weg niet zichtbaar was voor de inspecteurs dat aan de rechterzijde van de toegangsdeur spellen werden gespeeld. Op welke wijze het zicht wordt belemmerd doet niet ter zake, nu in aanvullende voorwaarde 5 slechts de eis wordt gesteld dat het spelen van spellen zichtbaar moet zijn vanaf de openbare weg. Het is vervolgens aan de exploitant om zelf maatregelen te treffen zodat aan dit aanvullende voorschrift wordt voldaan. Het nalaten hiervan komt dus voor rekening en risico van de exploitant zelf en kan niet worden afgewenteld op verweerder.
6.2.
De stelling van verzoekster dat de exploitant pas tijdens de controle van 8 juni 2025 voor het eerst op de hoogte werd gesteld van het feit dat in de betreffende ruimte geen spellen mochten worden gespeeld, volgt de voorzieningenrechter evenmin. In de bestuurlijke rapportage van 20 juni 2025 staat namelijk duidelijk vermeld dat het om een achterruimte gaat. Nu in het aanvullende voorschrift 4 van de vergunningen nadrukkelijk staat opgenomen dat de exploitant er zelf, dan wel via een leidinggevende, op toeziet dat er in de achterste ruimte van de horeca-inrichting in het geheel geen kaartspellen of andere spellen worden gespeeld, had voor de exploitant voldoende kenbaar moeten zijn dat in de betreffende ruimte geen spellen mochten worden gespeeld. Voorts doet het gegeven dat bij de twee controles geen illegaal gokken is geconstateerd niet ter zake, nu dit geen vereiste is om tot de vaststelling van de overtreding van een van de aanvullende voorschriften te komen. Zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft gesteld, wordt met de aanvullende voorschriften juist beoogd om illegaal gokken te voorkomen. Bij het niet-naleven van deze aanvullende voorschriften wordt het voor verweerder logischerwijs moeilijker om te controleren of daadwerkelijk sprake is van illegaal gokken. Dat op basis van het mutatierapport van de controle op 12 oktober 2023 geen vermoeden mocht worden gebaseerd van illegaal gokken – wat daar ook verder van zij – speelt geen rol bij de vraag of verweerder in dit geval tot intrekking van de vergunningen mocht gaan. De controle van 12 oktober 2023 was voor verweerder mede aanleiding om de betreffende aanvullende voorschriften aan de vergunningen te verbinden. Als verzoekster zich niet kon vinden in het vastgestelde vermoeden van illegaal gokken en de daardoor aan de vergunningen verbonden aanvullende voorschriften, dan lag het dus op haar weg om rechtsmiddelen in te stellen tegen dat besluit om dit aan de orde te stellen.
6.3.
Met het voorgaande staat vast dat verzoekster de aanvullende voorschriften nummers 4 en 5 van de vergunningen heeft overtreden. De bevoegdheid van verweerder om tot intrekking van de vergunningen over te gaan, is daarmee gegeven. Anders dan verzoekster heeft betoogd, is het daarvoor niet vereist dat eerst een hersteltermijn voor het beëindigen van de overtredingen wordt geboden.
Belangenafweging
7. In het besluit tot intrekking van de vergunningen heeft verweerder toegelicht dat hij niet over één nacht ijs is gegaan. Bij de vergunningverlening heeft verweerder verzoekster al het voordeel van de twijfel gegeven en voorschriften aan de vergunningen verbonden om het gevaar weg te nemen dat illegaal gokken wordt gefaciliteerd. Illegaal gokken betreft namelijk een ondermijnende en georganiseerde vorm van criminaliteit dat hand in hand gaat met geweld, handel in drugs, verslavingen en problematische schulden. Als dit wordt gefaciliteerd in een horecaonderneming, dan werkt dit bovendien oneerlijke concurrentie met andere horecaondernemingen in de hand. Nu verweerder nadat bij een controle werd geconstateerd dat verzoekster zich niet aan deze aanvullende voorschriften hield, is verweerder niet meteen overgegaan tot intrekking van de vergunningen maar heeft hij volstaan met een waarschuwing. Verzoekster gold dus als een gewaarschuwd mens. Desondanks heeft hij de aanvullende voorschriften nogmaals geschonden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster hiermee haar kansen heeft verspeeld en intrekking van de vergunningen in dit geval de enige juiste maatregel is.
7.1.
Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder met deze uitleg afdoende toegelicht dat de intrekking van de vergunningen in dit geval een noodzakelijke en evenredige maatregel is. Dat sprake is van een groot tijdsverloop tussen de overtredingen, het voornemen tot de intrekking van de vergunningen en het uiteindelijke besluit hiertoe, dat de overtredingen nog voor het uitreiken van het voornemen zijn beëindigd en dat geen sprake is van een recidivesituatie heeft verweerder niet zwaarder hoeven laten wegen dan het algemene belang bij het voorkomen dat de vergunningen worden gebruikt voor het plegen van strafbare feiten. Verder heeft verzoekster op de zitting nog gewezen op het feit dat verweerder met het besluit van 3 juni 2025 haar aanvraag tot wijziging lokaliteiten exploitatievergunning heeft toegekend en daarbij expliciet heeft gesteld dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die het verlenen van de gevraagde vergunning in de weg zouden kunnen staan. Hoewel de voorzieningenrechter het met verzoekster eens is dat dit tegen het licht van de voorgeschiedenis op zijn minst ongelukkig is geformuleerd, leidt dit niet tot een andere afweging. Kort daarna op 8 juni 2025 heeft er namelijk wederom een controle plaatsgevonden waarbij een overtreding van de aanvullende voorschriften is geconstateerd. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat verweerder op grond van een volledige heroverweging nog een beslissing op het bezwaar van verzoekster moet nemen. Mocht de uitkomst hiervan zijn dat het primaire besluit onrechtmatig is genomen, dan heeft verzoekster de mogelijkheid om geleden schade dat samenhangt met de besluitvorming op verweerder te verhalen.

Conclusie en gevolgen

8. Dit brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de vergunningen in te trekken en dat het primaire besluit bij de behandeling van het bezwaar in stand zal kunnen blijven. Daarom ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dan ook af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1836.