ECLI:NL:RBDHA:2025:26871

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/7411
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AMARArt. 8:88 AwbArt. 8:90 AwbArt. 96 Wetboek van Militair StrafrechtArt. 18 Inkomstenbesluit militairen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen functietoewijzing Veiligheidsonderofficier ISK

Verzoeker, militair sinds 1996 met een achtergrond als sniperinstructeur, betwist het besluit van 26 september 2025 waarbij hem de functie van Veiligheidsonderofficier ISK is toegewezen. Hij stelt dat deze functie onder zijn niveau is, onvoldoende gebruikmaakt van zijn expertise en dat de werkplek sociaal onveilig is, wat zijn gezondheid en loopbaan schaadt.

De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van een spoedeisend belang en of het bezwaar kans van slagen heeft. Gezien de langdurige afwezigheid van verzoeker en de gevolgen daarvan, is spoedeisend belang aanwezig. De rechter benadrukt dat de procedure beperkt is tot de redelijkheid van het functietoewijzingsbesluit en niet tot het oplossen van diepere conflicten.

Verweerder heeft verzoeker een keuze geboden tussen twee functies, maar na het uitblijven van een reactie is de functie Veiligheidsonderofficier ISK toegewezen. Deze functie wordt als passend gezien vanwege zijn kennis en ervaring. De voorzieningenrechter vindt dit besluit niet onredelijk en oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft onderbouwd dat de werkomgeving onveilig is.

Hoewel begrip bestaat voor de onvrede over het niet nakomen van eerdere afspraken, is dit niet voldoende om het besluit te schorsen. De rechter geeft verweerder wel de aanbeveling om de situatie nader te onderzoeken en verzoeker gelegenheid te geven aanvullende bewijsstukken te overleggen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de functietoewijzing wordt afgewezen omdat het besluit redelijk is genomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7411

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Visser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 26 september 2025 waarmee verweerder de functie van ‘Veiligheidsonderofficier ISK’ aan verzoeker heeft toegewezen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van verweerder, ondersteund door [naam 1]
.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker is op [datum] 1996 aangesteld bij de Koninklijke Landmacht. Vanaf 1999 is hij opgeleid tot Schutter Lange Afstand. Met ingang van 2001 is zijn aanstelling gewijzigd en is hij een omscholingsopleiding tot onderofficier gaan volgen. Sindsdien heeft hij verschillende operationele functies in de schietwereld vervuld, waaronder verschillende instructeursfuncties bij het Opleidings- en Trainingscentrum Manoeuvre (OTCMAN).
2.1.
In 2014 heeft de politie Utrecht een onderzoek ingesteld naar de naleving van de voorwaarden van het wapenverlof door verzoeker en in het kader daarvan bijstand gevraagd aan Defensie. Naar aanleiding van dat onderzoek is bij besluit van 23 januari 2015 het wapenverlof van verzoeker ingetrokken. Nadat verzoeker hiertegen administratief beroep had aangetekend, is het besluit op 1 juli 2015 vernietigd. Bij deze procedure zijn verschillende medewerkers van Defensie betrokken geweest. Zij hebben op eigen wijze, voorafgaand, tijdens en na het onderzoek, zowel in hun functie als in hun privéhoedanigheid, uitlatingen gedaan over verzoeker. Verzoeker heeft zich vanwege dit alles op 3 april 2017 ziekgemeld en zijn werkzaamheden sindsdien niet meer volledig hervat. Daarbij heeft hij Defensie aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het optreden van Defensie rondom de intrekking van het wapenverlof. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een op 19 september 2018 tussen verzoeker en Defensie gesloten vaststellingsovereenkomst (hierna: vso). In de vso is – voor zover hier van belang – overeengekomen dat Defensie, zonder hierbij enige vorm van aansprakelijkheid te erkennen, een bedrag van € 41.500,- aan schadevergoeding betaalt, dat verzoeker uiterlijk op 1 januari 2019 volledig zijn werkzaamheden hervat als Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper-marksman) te Harskamp bij het OTCMAN en Defensie verzoeker binnen zes jaar na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zal voordragen voor een functietoewijzing bij de Dienst Speciale Interventies (DSI). Mocht de voordracht niet leiden tot een functietoewijzing, dan zal Defensie zich inspannen voor een andere passende functietoewijzing binnen de schietdiscipline van de Koninklijke Landmacht. Deze afspraken zijn gemaakt tegen finale kwijting.
2.2.
Omdat de functie Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper-marksman) te Harskamp bij het OTCMAN op 1 januari 2019 niet beschikbaar bleek, heeft Defensie verzoeker verschillende andere functies binnen de schietdiscipline aangeboden en toegezegd dat verzoeker deze functie zal krijgen als deze weer beschikbaar komt. Bij besluit van 2 januari 2019 is verzoeker vervolgens geplaatst op de functie van Stafonderofficier Wapens Junior bij Bureau Wapens van het Kenniscentrum Grondgebonden Manoeuvre. Deze plaatsing heeft in de jaren daarna echter niet geleid tot een duurzame werkhervatting. Op 27 september 2023 is vanuit Defensie een mediaton-traject in gang gezet met als doel om goede afspraken te maken over de verdere loopbaan van verzoeker die recht doen aan zijn situatie. Dit mediaton-traject heeft, na bijna twee jaar te hebben geduurd, echter niet tot een voor partijen bevredigende uitkomst geleid.
2.3.
Om verzoeker weer duurzaam aan het werk te krijgen, maar ook in een poging om alsnog te voldoen aan de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak dat hij zijn functie als Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper/marksman) te Harskamp bij het OTCMAN zou hervatten, heeft verweerder hem met de brief van 21 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken zelf een keuze te maken tussen twee functies waarop hij geplaatst kan worden, te weten Cursusleider/instructeur/trainer (sniper/marksman) bij OTCMAN en Veiligheidsonderofficier op het infanterie Schietkamp. Als verzoeker niet binnen deze termijn aangeeft op welke functie hij wil worden geplaatst, dan zal verweerder hem zelf een functie toewijzen. Omdat verzoeker niet binnen de gestelde termijn een keuze had gemaakt, heeft verweerder met het besluit van 26 september 2025 de functie van Veiligheidsonderofficier ISK aan hem toegewezen.
2.4.
Verzoeker is op de aanvangsdatum van de plaatsing op zijn nieuwe functie niet op zijn werkplek verschenen, kort samengevat omdat daar volgens hem sprake is van een sociaal onveilige werkomgeving. Verweerder heeft dit aangemerkt als ongeoorloofde afwezigheid en werkweigering. Met de brief van 14 oktober 2025 heeft verweerder verzoeker gelet daarop een waarschuwing gegeven en hem opgedragen om zich op 16 oktober 2025 alsnog op zijn werkplek te melden. Ook daarna is verzoeker echter niet op zijn werkplek verschenen. Op 4 november 2025 heeft de Commandant Infanterie Schietkamp de Harskamp aangifte tegen verzoeker gedaan bij de Koninklijke Marechaussee vanwege ongeoorloofde afwezigheid. [1]
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het functietoewijzingsbesluit van
26 september 2025 en gelijktijdig de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening gevraagd. Hierin geeft hij in de kern aan dat dit besluit leidt tot onomkeerbare schade aan zijn gezondheid, reputatie en loopbaan, nu de voorgestelde werkplek binnen het OTCMAN sociaal en psychologisch onveilig voor hem is. Ook is het besluit in strijd met de bepalingen uit de eerder gesloten vaststellingsovereenkomst. Verder betwist hij dat de aan hem toegewezen functie van Veiligheidsonderofficier ISK passend voor hem is. Naast het feit dat het een functie onder zijn niveau betreft, wordt zijn specifieke kennis als sniperinstructeur en wapensysteemspecialist bij de uitoefening hiervan onvoldoende benut. Ook biedt deze functie geen loopbaanperspectief. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen, te bepalen dat verweerder zich onthoudt van het nemen van disciplinaire of rechtspositionele maatregelen in verband met zijn afwezigheid op zijn nieuwe werkplek en een extern onderzoek in te stellen naar de rol van Defensie in het ontstaan van de onveilige werksfeer.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de situatie, gelet op de al langer dan een maand durende afwezigheid van verzoeker op zijn werkplek en de als gevolg daarvan door verweerder aan hem opgelegde waarschuwing en tegen hem gedane aangifte, onhoudbaar is geworden. Inmiddels heeft verweerder, vlak na de zitting van 13 november 2025, ook besloten dat verzoeker geen aanspraak maakt op inkomsten voor de dagen dat hij zich aan zijn dienstverplichtingen onttrekt. [2] Nog daargelaten de vraag aan wie de ontstane situatie kan worden toegerekend, is de voorzieningenrechter van oordeel dat alleen al om die redenen sprake is van onverwijlde spoed waardoor verzoeker niet op de beslissing op het door hem ingediende bezwaarschrift kan wachten.
Kon verweerder de betreffende functie in redelijkheid aan verzoeker toewijzen?
5. Alvorens wordt toegekomen aan de beantwoording van deze vraag, merkt de voorzieningenrechter allereerst het volgende op. Uit de door verzoeker ingezonden stukken, maar ook uit wat op zitting is besproken, leidt de voorzieningenrechter af dat bij verzoeker veel emotie zit over de voorgeschiedenis die aan het uiteindelijke functietoewijzingsbesluit voorafging, alsook de behoefte om erkenning dat de ontstane situatie aan verweerder moet worden toegerekend. De voorzieningenrechter hecht er evenwel waarde aan te benadrukken dat in deze procedure slechts de vraag voorligt of verweerder, gelet op alle omstandigheden, in redelijkheid tot het functietoewijzingsbesluit heeft kunnen komen. Hoewel daarbij wel alle feiten en omstandigheden uit de gehele voorgeschiedenis in ogenschouw worden genomen, leent een voorlopige voorzieningenprocedure zich er niet voor om de dieper liggende knelpunten op te lossen. De door verzoeker gevraagde aanvullende voorzieningen, waaronder het instellen van een onafhankelijk onderzoek naar de rol van Defensie in het ontstaan van de veilige werksfeer, merkt de voorzieningenrechter om die reden dan ook aan als te verstrekkend.
6. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder de functie van Veiligheidsonderofficier ISK in redelijkheid aan verzoeker toewijzen. De primair door verzoeker gevraagde voorziening om het besluit te schorsen wordt dan ook afgewezen. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
6.1.
Artikel 20 van Pro het Algemeen ambtenarenreglement (AMAR) bepaalt dat bij het nemen van een beslissing tot functietoewijzing in ieder geval rekening wordt gehouden met de volgende factoren:
a. de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht en in samenhang daarmee van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies;
b. de door de militair kenbaar gemaakte voorkeur;
c. de beschikbaarheid van de militair;
d. de uit een oogpunt van opbouw en kennis en ervaring wenselijke spreiding van de loopbaan
e. de bekwaamheid en de geschiktheid van de militair voor de functie.
6.2.
Volgens vaste rechtspraak van de hoogste ambtenarenrechter geschiedt het al dan niet toewijzen van een geambieerde functie met gebruikmaking van de bij en krachtens het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) – sinds 1 februari 2011 – aan de minister toebedeelde discretionaire bevoegdheid. Dit brengt met zich mee dat de toetsing door de bestuursrechter terughoudend is. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de minister, gelet op wat verzoeker tegen het besluit heeft ingebracht, niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel of dat besluit in strijd komt met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel. [3]
6.3.
In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat het voortdurende overleg dat in de afgelopen met verzoeker heeft plaatsgevonden over een passende functie in de schietdiscipline niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Gezien de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krachtsmacht en van een zo goed en tijdig mogelijke bezetting van alle functies is het echter wel van belang dat aan militairen ook daadwerkelijk een functie wordt toegewezen. Om die reden, maar ook om alsnog tegemoet te komen aan de betreffende afspraak uit het vso, heeft verweerder verzoeker in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van vier weken te kiezen tussen de twee betreffende functies. Als verzoeker zou kiezen voor de functie Cursusleider/instructeur/trainer (sniper/marksman) bij OTCMAN, dan was er zelfs sprake geweest van een dubbele plaatsing op deze functie. Toen verzoeker hierop niet binnen de gestelde termijn had gereageerd, heeft verweerder hem met het functietoewijzingsbesluit van 26 september 2025 de functie van Veiligheidsonderofficier ISK toegewezen. Vanwege zijn werkervaring, zijn kennis van de bij de eenheden in gebruik zijnde wapens en wapensystemen, zijn inzicht in de schiet-technische aspecten van de eenheden en zijn bekendheid met de werkzaamheden binnen het OTCMAN, wordt deze functie als geschikt bevonden voor verzoeker. Vanwege het feit dat verzoeker langere tijd niet op regelmatige basis een functie heeft vervuld, heeft verweerder uit goed werkgeverschap besloten om hem niet te laten starten met de volledige arbeidsduur. Hij zal starten met drie uur per dag, waarbij zijn werkzaamheden iedere week met één uur per dag worden uitgebreid, totdat hij op zijn volledige arbeidsduur zit. Desgewenst kan verzoeker bij de opbouw van zijn werkzaamheden ondersteuning krijgen vanuit Defensie. Daarbij is aan verzoeker kenbaar gemaakt dat het hem vrijstaat om ten alle tijde zijn belangstelling kenbaar te maken voor door hem geambieerde functies.
6.4.
De voorzieningenrechter vindt deze uitleg van verweerder over hoe zij tot de aanwijzing van de betreffende functie zijn gekomen, op het eerste oog niet onredelijk. Hoewel verzoeker heeft aangegeven dat hij overgekwalificeerd is voor de functie van Veiligheidsonderofficier ISK, betwist hij op zichzelf niet dat hij deze met zijn kennis en kunde kan vervullen. Daarbij heeft verweerder in dit geval een groot gewicht mogen toekennen aan het aspect van de noodzaak van een voortdurende taakvervulling door de krijgsmacht, nu verzoeker al geruime tijd niet meer duurzaam aan het werk is.
6.5.
Zoals de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 5 heeft overwogen, strekt het te ver voor een voorlopige voorzieningenprocedure om een definitief oordeel te geven over aan welke partij de ontstane situatie kan worden toegerekend. Dit neemt echter niet weg dat zij op basis van de beschikbare stukken een voorlopig oordeel kan geven over of op dit moment sprake is van een voor verzoeker sociaal en psychologisch onveilige werkomgeving op het organisatieonderdeel waar hij is geplaatst, het OTCMAN. Hoewel de voorzieningenrechter uitgaat van de feiten die hebben plaatsgevonden in het verleden zoals die zijn opgetekend in de vso [4] en zich op grond daarvan de frustratie en achterdocht van verzoeker jegens Defensie goed kan indenken, is zij van voorlopig van oordeel dat verzoeker dit met de door hem ingediende stukken onvoldoende heeft onderbouwd. Verzoeker heeft weliswaar verschillende medische adviezen ingebracht waaruit blijkt dat werkhervatting slechts verantwoord is onder veilige omstandigheden, echter zegt dit niks concreets over de specifieke omstandigheden op de werkvloer van het OTCMAN en de vraag of deze voor verzoeker als onveilig moeten worden aangemerkt. Ditzelfde geldt voor wat betreft de verklaringen van collega-militairen die hij ter ondersteuning van zijn relaas heeft ingebracht, nu deze van voor 2023 en daarmee niet actueel zijn. Aan het enige document van recente datum dat zich in de stukken bevindt en dat betrekking heeft op deze materie, namelijk het Adviesrapport van 7 november 2025 die is opgesteld door kapitein [naam 2] , kent de voorzieningenrechter evenmin de betekenis toe die verzoeker eraan toegekend wenst te zien. Hoewel in dit rapport wordt geconcludeerd dat de psychosociale omstandigheden dermate ernstig zijn dat plaatsing van verzoeker op de betreffende functie onverantwoord is, vindt de voorzieningenrechter de informatie waarop deze conclusie is gebaseerd te summier om hier zonder meer vanuit te kunnen gaan. Los daarvan heeft verweerder onweersproken de status van dit rapport genuanceerd, in die zin dat daarin ten onrechte de indruk wordt gewekt dat op verzoek van de commandant een onderzoek is ingesteld. Hoewel de voorzieningenrechter het betreurt dat verzoeker vooralsnog geen inzage krijgt in de meldingen die in het verleden hebben geleid tot meerdere politie-invallen bij hem thuis, ondanks dat de rechtbank Midden-Nederland hem hiertoe meerdere keren in het gelijk heeft gesteld, zegt ook dit niets over de vermeende onveilige werksfeer op het OTCMAN voor verzoeker.
6.6.
Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor het feit dat bij verzoeker de nodige onvrede leeft over het feit dat verweerder de vso niet heeft nageleefd op het punt dat hij per 1 januari 2019 in zijn toenmalige functie van Cursusleider/Instructeur/Trainer (sniper/marksman) te Harskamp bij het OTCMAN zou worden geplaatst, betekent dit niet zonder meer dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot de betreffende functietoewijzing. Als verzoeker zich op het standpunt stelt dat het niet nakomen van de betreffende afspraak heeft geleid tot aanvullende schade, dan ligt het op zijn weg om verweerder hiervoor aansprakelijk te stellen. Dit kan door verweerder te verzoeken om een zelfstandig schadebesluit te nemen. [5] Hoe dan ook is een beoordeling hiervan te verstrekkend voor een voorlopige voorzieningenprocedure.
6.7.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een nadere overweging toe te voegen. Onder rechtsoverweging 6.4 heeft zij overwogen dat wat verzoeker heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn stelling dat de werkomgeving bij het OTCMAN te onveilig voor hem is, onvoldoende is. Desondanks komt het haar voor dat verweerder niet voldoende heeft gekeken naar de samenhang van alle aspecten in deze zaak, terwijl dit gelet op de turbulente voorgeschiedenis in deze zaak wel passend had geweest. Op de zitting heeft verzoeker aangegeven dat de onveiligheid op de werkvloer bij het OTCMAN zich uitstrekt tot in de bovenste regionen van dit organisatieonderdeel en dat het feit dat de personen die in het verleden over hem een melding hebben gedaan daar inmiddels weg zijn, voor de door hem ervaren onveiligheid dus geen verschil maakt. Verzoeker heeft hiertoe meerdere meldingen gedaan bij het bevoegde gezag, echter is het de voorzieningenrechter uit de beschikbare stukken niet gebleken dat verweerder ook maar één van deze meldingen serieus heeft onderzocht. Gelet daarop geeft de voorzieningenrechter verweerder in overweging om hier voorafgaand aan het nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van verzoeker nogmaals met een serieuze blik en een open vizier naar te kijken en verzoeker in de gelegenheid te stellen om met aanvullende bewijsstukken te komen. Afhankelijk van de bevindingen daarvan kan dan eventueel een extern onderzoek worden ingesteld. Of het bezwaar van verzoeker kans van slagen heeft, valt gelet op het voorgaande vooralsnog niet te zeggen. De voorzieningenrechter drukt verweerder nadrukkelijk op het hart om, gelet op de onhoudbare situatie die zich op dit moment voordoet, zich te houden aan de op zitting gedane mededeling dat de beslissing op bezwaar binnen enkele weken na de uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure zal volgen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Militair Strafrecht.
2.Op grond van artikel 18 van Pro het Inkomstenbesluit militairen.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Raad) van 29 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1599.
4.Vergelijk de uitspraak van de Raad van 19 januari 2023.
5.Op grond van artikel 8:88, eerste lid jo. 8:90, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).