ECLI:NL:RBDHA:2025:26883

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onzorgvuldige behandeling van verlengingsbesluit van de maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de verlenging van een maatregel van bewaring tegen eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De maatregel van bewaring was oorspronkelijk opgelegd op 19 juni 2025 en werd op 15 december 2025 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, waarbij hij ook schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de aangenomen identiteit van eiser niet kenbaar te maken aan de autoriteiten. Dit heeft geleid tot de conclusie dat de verlenging van de maatregel van bewaring onrechtmatig was. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel bevolen, met ingang van 24 december 2025. Tevens zijn de proceskosten van eiser toegewezen, maar het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep tegen het verlengingsbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61617

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Verweerder heeft op 19 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Bij besluit van 15 december 2025 heeft verweerder de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel en tegen het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S.I.K. Chowdhury. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. Via artikel 94, zevende lid, eerste volzin, van die wet geldt hetzelfde voor het verlengingsbesluit. Voor de verlenging van de maatregel van bewaring geldt verder op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw dat deze maatregel na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de verwijdering, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd zal vergen, omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering of de daarvoor benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 november 2025 (in de zaak NL25.54667) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was.
3. Verweerder heeft aan het verlengingsbesluit de navolgende gronden voor
bewaring uit artikel 5.1b van het Vb ten grondslag gelegd, te weten de zware gronden dat
eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging
daartoe heeft gedaan;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer
of aan zijn verplichting tot vertrek naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de
behandeling van zijn asielverzoek.
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van
een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw te willen indienen, en zijn
aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen,
niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en de lichte gronden dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4
heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De gemachtigde van eiser voert aan dat in de asielprocedure is vastgesteld dat eiser bij zijn asielaanvraag een verkeerde naam heeft opgegeven. In de asielprocedure heeft eiser een identiteitskaart overlegd waaruit een andere identiteit is gebleken en niet in geschil is dat dit eiser zijn identiteit betreft. Uit het verslag van de presentatie blijkt echter niet dat de gestelde identiteit kenbaar is gemaakt bij de autoriteiten. Immers, uit het verslag blijkt dat tijdens de presentatie gebruik is gemaakt van eisers identiteit ten tijde van de asielaanvraag. Verweerder had moeten weten dat eiser een andere identiteit heeft. Verder is niet gebleken dat tijdens het vertrekgesprek van 1 december 2025 gebruik is gemaakt van een tolk dan wel een registertolk. Dit is in strijd met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv).
5. De rechtbank overweegt het volgende.
6.
Eiser heeft bij aanvang van de asielprocedure als identiteit [identiteit 1] met geboortedatum [geboortedatum 1] 1998 opgegeven. Tijdens de asielprocedure heeft eiser echter aangegeven een andere identiteit te hebben, te weten: [identiteit 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1992. Eiser heeft daartoe een echt bevonden nationaal identiteitsbewijs overgelegd. Verweerder is blijkens de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Noord-Holland) van 18 juni 2025, rechtsoverweging 5 (NL25.11703 en NL25.11704 ) ook uitgegaan van de identiteit [identiteit 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1992. De rechtbank is met eiser van oordeel dat echter niet is gebleken dat deze identiteit ook is gebruikt om een Laissez-Passer (LP) te verkrijgen. Uit het verslag van de presentatie ten overstaan van een vertegenwoordiger van de Bengaalse autoriteiten wordt namelijk slechts de eerst door eiser opgegeven identiteit genoemd. Ook is de door verweerder aangenomen identiteit niet genoemd bij de mogelijkheid om aliassen op te geven. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder de aangenomen identiteit kennelijk niet kenbaar heeft gemaakt bij de Bengaalse autoriteiten. Verweerder heeft, na hier over bevraagd te zijn op zitting, ook geen nadere informatie gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het voorgaande onzorgvuldig en daarmee onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat reeds daarom het verlengingsbesluit voor vernietiging in aanmerking komt. De overige beroepsgronden behoeven dan ook geen bespreking meer.
7. Het beroep wordt gegrond verklaard en de rechtbank beveelt de opheffing van de
vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 24 december 2025. Omdat de maatregel vanaf heden onrechtmatig is geworden, bestaat geen aanleiding voor het toekennen van schadevergoeding.
8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de
door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 24 december 2025;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van
N. Mekenkamp, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist over het verlengingsbesluit hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist over het voortduren van de bewaring geen rechtsmiddel open.