In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 22 december 2025 een beschikking gegeven met betrekking tot de zorgregeling van een minderjarige. De zaak betreft een informele rechtsingang ex artikel 1:377g BW, waarbij de minderjarige, die op een bij de rechtbank bekend adres woont, betrokken is. De moeder en vader van de minderjarige zijn als belanghebbenden aangemerkt, met mr. R.W. van den Hoek en mr. B. Beekman als respectieve advocaten. De rechtbank heeft eerder, op 6 februari 2025, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de minderjarige elke donderdag bij de vader zou verblijven. Echter, na gesprekken met de bijzondere curator en de kinderrechter, heeft de minderjarige aangegeven dat zij volledig bij de moeder wil wonen en geen contact meer wil met de vader. De rechtbank heeft geconstateerd dat de ouders het eens zijn over de wens van de minderjarige, maar dat het niet wenselijk is om de hoofdverblijfplaats formeel te wijzigen vanwege de lopende hulpverlening. De rechtbank heeft besloten dat de minderjarige feitelijk bij de moeder zal verblijven, maar officieel ingeschreven zal blijven op het adres van de vader om de hulpverlening niet te verstoren. De rechtbank heeft ook de bijzondere curator ontslagen uit haar functie, aangezien vertegenwoordiging van de minderjarige niet meer nodig is. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.