Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26911

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/685961 / FA RK 25-4010
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:204 lid 3 BWArt. 1:212 BWArt. 1:253c lid 1 BWArt. 1:253c lid 2 BWArt. 1:377a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang minderjarige met Eritrese vader

De rechtbank Den Haag heeft op 22 december 2025 uitspraak gedaan in een gecombineerde bodem- en voorlopige voorzieningprocedure betreffende vervangende toestemming voor erkenning, gezag en omgang van een minderjarige geboren in 2020.

De Eritrese man verzocht om vervangende toestemming voor erkenning van zijn dochter, die niet door de moeder werd erkend. De moeder oefent eenhoofdig gezag uit en verzet zich tegen erkenning en gezamenlijk gezag. Uit een DNA-onderzoek blijkt met meer dan 99,99% zekerheid dat de man de biologische vader is. De rechtbank achtte de Nederlandse rechter bevoegd en het Eritrese recht van toepassing op de erkenningsvraag.

De rechtbank stelde dat erkenning in het belang van de minderjarige is en dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding niet worden geschaad. De moeder moet nog stukken aanleveren over haar huwelijksstatus. De omgang tussen vader en kind wordt voorlopig onder begeleiding van een zorginstantie vastgesteld vanwege het gebrek aan communicatie en wantrouwen tussen ouders.

Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt aangehouden in afwachting van mediation en contactherstel. De rechtbank plant een vervolgzitting op 9 maart 2026 om de voortgang te bespreken. De beschikking bepaalt dat de moeder uiterlijk 23 februari 2026 stukken moet indienen en dat de omgang voorlopig begeleid zal plaatsvinden.

Uitkomst: De rechtbank wijst vervangende toestemming erkenning toe onder voorbehoud van stukken moeder, stelt omgang onder begeleiding vast en houdt gezagsverzoek aan tot vervolgzitting.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-4010 (bodem) en FA RK 25-7111 (voorlopige voorzieningen)
Zaaknummers: C/09/685961 (bodem) en C/09/691880 (voorlopige voorzieningen)
Datum beschikking: 22 december 2025
Vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het (1) op 28 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
met een bij de rechtbank bekend briefadres,
advocaat: mr. R.G. Groen te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres ,
advocaat: mr. M. Erik te Den Haag.

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. M.M.C. van der Sanden,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.
en op het (2) op 22 september 2025 ingekomen verzoek van:
de man.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
de moeder.

Procedure

In de bodemprocedure (C/09/685961 / FA RK 25-4010)
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 20 juni 2025 van de man, met bijlage;
  • het verslag van de bijzondere curator van 22 juli 2025, met als bijlage het rapportage DNA-onderzoek Verilabs;
  • het F9-formulier van 5 augustus 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 22 augustus 2025 van de moeder;
  • het F9-formulier van 21 november 2025 van de man, met bijlagen.
In de voorlopige voorzieningen procedure (C/09/691880 / FA RK 25-7111)
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 21 november 2025 van de man, met bijlagen;
  • het verweerschrift, ingekomen op 21 november 2025.
Op 1 december 2025 zijn de zaken gevoegd ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door de tolk T. Ogbamichael;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door de tolk T. Ogbamichael;
  • de bijzondere curator;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
  • een bericht van 12 december 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 15 december 2025 van de man, met bijlagen;

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure (C/09/685961 / FA RK 25-4010)
Het verzoek van de man strekt ertoe:
  • hem toestemming te geven als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW Pro om de minderjarige te erkennen;
  • de griffier op te dragen nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente];
  • te bepalen dat de man en de moeder gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige, met ingang van de datum waarop de erkenning heeft plaatsgevonden/is ingeschreven in de daartoe bestemde registers;
  • de griffier te gelasten om deze beschikking in te schrijven in het gezagsregister zodra het gezamenlijk gezag tot stand is gekomen;
  • een omgangsregeling c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat de minderjarige bij de man verblijft eenmaal per week op een doordeweekse dag vanaf 17.30 uur voor een tweetal uurtjes alsmede een dagdeel in het weekend, alsmede de helft van de schoolvakanties waarbij de man de minderjarige ’s ochtends bij de moeder ophaalt en ’s avonds weer terugbrengt;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken, althans verzoekt partijen te verwijzen naar een hulpverlenende instantie voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van de minderjarige toe te wijzen.
In de voorlopige voorzieningen procedure (C/09/691880 / FA RK 25-7111)
De man verzoekt om voor de duur van het geding te bepalen dat de minderjarige in het kader van een voorlopige omgangsregeling bij de man zal zijn:
  • een dag in het weekend;
  • alsmede op de woensdagmiddag wanneer hij ochtenddienst heeft;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken, althans verzoekt partijen te verwijzen naar een hulpverlenende instantie voor ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • De minderjarige verblijft bij de moeder.
  • De man heeft de Eritrese nationaliteit en de moeder en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 30 juni 2025 is mr. M.M.C. van der Sanden voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.
  • Uit het door Verilabs verrichte verwantschapsonderzoek van 26 januari 2024 blijkt met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.99% dat de man de biologische vader van de minderjarige is.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 Rv Pro komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Op grond van artikel 10:95 lid 1 juncto Pro lid 4 BW is het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van [minderjarige], alsmede op de voorwaarden voor erkenning. De man heeft de Eritrese nationaliteit. Om die reden is op die vraag het Eritrese recht van toepassing.
Volgens de informatie op VIND Burgerzaken kan naar Eritrees de afstamming van een kind van de vader kan ook ontstaan doordat de man het kind erkent. De man moet daarvoor schriftelijk verklaren zichzelf als vader van het geboren of ongeboren kind te zien (art. 747 vBW Pro). Erkenning werkt terug tot de geboorte. De rechtbank vat het verzoekschrift van de vader waarin hij om vervangende toestemming voor de erkenning verzoekt, op als een zodanige schriftelijke verklaring.
Uit de stukken blijkt dat de man op enig moment gehuwd is met een andere vrouw dan de moeder. De man heeft op de zitting gesteld dat hij inmiddels gescheiden is. De man is na de zitting in de gelegenheid gesteld dit met stukken te onderbouwen. De rechtbank is van oordeel dat de man met de stukken die hij op 15 december 2025 in het geding heeft gebracht, voldoende heeft aangetoond dat hij inmiddels – in ieder geval vóór 22 februari 2022 gescheiden is van zijn voormalige echtgenote. Om die reden is
Daarnaast is uit de stukken en op de zitting gebleken dat ook de moeder gehuwd is (geweest) met een andere man. De moeder heeft gesteld dat ook zij inmiddels gescheiden is, nog voordat [minderjarige] werd verwekt. De moeder is na de zitting in de gelegenheid gesteld dit met stukken te onderbouwen. De moeder heeft op 12 december 2025 aan de rechtbank bericht dat er sprake was van een kerkelijk huwelijk in Eritrea, en dat zij niet weet of dit officieel geregistreerd is. Zij heeft nadat haar in Nederland een verblijfsvergunning was verleend, gezinshereniging aangevraagd met haar partner. De IND heeft in dat kader de huwelijksakte van de kerk ingenomen, onderzocht en vals bevonden. Om die reden is de gezinshereniging volgens de vrouw afgewezen.
De moeder heeft haar stellingen zoals verwoord in haar bericht d.d. 12 december 2025 niet met stukken onderbouwd. De rechtbank verzoekt de moeder daarom dat alsnog te doen. Zij stelt dat zij na het onderzoek door de IND de huwelijksakte toen ook niet meer teruggekregen. Dit neemt niet weg dat zij moet beschikken over de afwijzende beslissing van de IND en/of een ander stuk van de IND waaruit blijkt dat de huwelijksakte vals is bevonden. De rechtbank zal de vrouw hiertoe een termijn van twee maanden na heden geven, zij zal deze dus uiterlijk op 23 februari 2026 moeten indienen.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige. Dat blijkt ook uit het door Verilabs verrichte verwantschapsonderzoek, waarin naar voren komt dat de man met een waarschijnlijkheid van meer dan 99.99% dat de biologische vader van de minderjarige is.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling.
Standpunt man
De man wilde [minderjarige] erkennen maar de moeder heeft niet meegewerkt. De moeder verzet zich tegen gezamenlijk gezag. Toch is de erkenning is er niet van gekomen. Erkenning is in belang van de minderjarige. De belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] worden niet geschaad en ook de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] komt niet in het gedrang.
Bijzondere curator
De bijzondere curator adviseert toewijzing van het verzoek tot vervangende toestemming erkenning. Er is geen twijfel over dat de man de verwekker is van [minderjarige]. De bijzondere curator ziet geen aanwijzingen dat de belangen van de moeder/[minderjarige] bij erkenning in het gedrang komen. Voor de ontwikkeling en het welzijn van [minderjarige] is het cruciaal om te weten van wie zij afstamt en dat dat juridisch wordt vastgelegd.
Standpunt moeder
De moeder refereert aan het verzoek van de bijzondere curator. Zij heeft eerder niet vrijwillig ingestemd met erkenning omdat zij meent dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] is.
Rechtbank
De rechtbank vindt het, om de redenen en op de gronden zoals door de bijzondere curator naar voren gebracht, in het belang van [minderjarige] dat zij door haar verwekker wordt erkend. Er is geen twijfel over dat de man de verwekker is van [minderjarige]. Dit betekent dat, indien komt vast te staan dat de moeder ten tijde van de verwekking en/of de geboorte van [minderjarige] niet met een andere man gehuwd was, het verzoek van de man tot vervangende toestemming wordt toegewezen.
Op dit moment zal de rechtbank deze beslissing, in afwachting van de door de moeder aan te leveren stukken, aanhouden tot aan de hierna te bepalen zitting.
Omgang
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling/zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal dit verzoek hier bespreken zowel in de bodemprocedure als in de voorlopige voorzieningen procedure.
Uit artikel 1:377a lid 1 BW blijkt dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Niet in geschil is dat er tussen de man en [minderjarige] sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en dat zij dus recht hebben op omgang met elkaar, ongeacht of de man haar wel of niet zal kunnen erkennen.
De man wenst op regelmatige wijze omgang met [minderjarige]. De man beschikt nog niet over een eigen woonruimte. Hij beschikt slechts over een slaapkamer in een flat die hij deelt met anderen. De man stelt dat hij inmiddels al vele maanden zijn dochter niet heeft gezien. Het lijkt erop of de moeder alle contact afhoudt. Op de benaderingen van de man wordt niet gereageerd.
De moeder stelt dat de omgang tussen de man en [minderjarige] gestructureerd en met een opbouw moet plaatsvinden. De moeder heeft zich terughoudend opgesteld omdat zij voor [minderjarige] wil dat als er contact komt met de man, hij niet zomaar uit het leven van [minderjarige] zal verdwijnen.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat er tussen de ouders geen sprake is van onderlinge communicatie. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat de man zich dreigend heeft uitgelaten tegen haar, dat er weinig contact is geweest en dat zij zich zorgen maakt of de man wel consistent in het leven van [minderjarige] zal zijn. Daarom wil zij dat er uitsluitend contact komt onder begeleiding. De man heeft op de zitting aangegeven dat hij incidenteel contact heeft met [minderjarige], maar dat de moeder hem een contactverbod heeft opgelegd. De man ziet geen aanleiding voor begeleid contact.
Op de zitting is de optie besproken met partijen en de raadsvertegenwoordiger dat [zorginstantie], een instantie die eerder bij partijen betrokken is geweest, zowel gesprekken tussen de ouders gaan begeleiden als het contact tussen de man en [minderjarige] in eerste instantie gaan begeleiden. Met de raadsvertegenwoordiger acht de rechtbank het verstandig dat er eerst begeleid contact komt tussen de man en [minderjarige] voordat verder kan worden gekeken naar de omgang. Gelet op het wantrouwen tussen de ouders acht de rechtbank het van belang dat dit contact in eerste instantie nog begeleid zal worden door een derde professionele organisatie. De raadsvertegenwoordiger heeft na de zitting contact gezocht met [zorginstantie] en heeft de rechtbank bericht dat dat is gelukt. De raadsvertegenwoordiger heeft contact gehad met [naam 2], die bekend is met de moeder en [minderjarige]. [zorginstantie] kan het stuk mediation en contactherstel oppakken. De moeder zal dat eerst via de huisarts en Kracht moeten regelen, mogelijk met behulp van ondersteuning van haar advocaat.
De rechtbank acht het van belang dat partijen over niet al te lange tijd naar de rechtbank komen voor een vervolgzitting bij dezelfde rechter om de omgang verder te bespreken. Na ontvangst van de beschikbaarheid van de advocaten beslist de rechtbank dat de vervolgzitting zal plaatsvinden op
9 maart 2026 om 11.00 uur. Het verzoek met betrekking tot de omgang zal tot die zitting worden aangehouden.
Voorafgaand aan de vervolgzitting dienen de advocaten zich uit te laten over het verloop van het traject bij [zorginstantie] en wat dat betekent voor de nog voorliggende verzoeken.
Gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over [minderjarige].
Wettelijk kader
Uit artikel 1:253c, lid 1 en lid 2 BW volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van een kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat gezamenlijk gezag in het belang van de minderjarige moet worden geacht. Het verzoek van de man om hem samen met de moeder met het gezag te belasten kan – in het geval de moeder zich tegen het verzoek van de man verzet – volgens artikel 1:253c, lid 2, BW slechts worden afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Nu partijen eerst met elkaar aan de slag gaan met mediation bij [zorginstantie] en begeleid contactherstel tussen de man en [minderjarige], zal de rechtbank het verzoek met betrekking tot het gezag aanhouden. Voorafgaand aan de vervolgzitting dienen de advocaten zich uit te laten over het verloop van het traject bij [zorginstantie] en wat dat betekent voor het nog voorliggende verzoek.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de moeder
uiterlijk op 23 februari 2026stukken zal indienen zoals hiervoor onder ‘vervangende toestemming erkenning’ aangegeven;
*
bepaalt dat er
voorlopigcontact zal zijn tussen de man en [minderjarige]
uitsluitendonder begeleiding van [zorginstantie], op de tijdstippen, wijze en met de frequentie waarop/waarmee [zorginstantie] beschikbaar is en op de tijdstippen en de wijze die [zorginstantie] het meest in het belang van [minderjarige] vindt;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de
vervangende toestemming voor de erkenning, de omgang en het gezagaan;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet
9 maart 2026 om 11.00 uurwaarvoor partijen opnieuw zullen worden opgeroepen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.