ECLI:NL:RBDHA:2025:26917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/09/675090 / FA RK 24-7854
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 10:95 BWArt. 1:204 BWArt. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming erkenning en omgang minderjarige na DNA-onderzoek

De man verzoekt de rechtbank om vervangende toestemming voor erkenning van zijn vermeende kind en een omgangsregeling, onder voorwaarde dat DNA-onderzoek bevestigt dat hij de biologische vader is. De moeder weigert toestemming te geven en voert bezwaren aan vanwege het verleden van de man en zorgen over de veiligheid en stabiliteit van het kind.

De rechtbank stelt vast dat zij bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is op de erkenning, terwijl Spaans recht geldt voor de toestemming van de moeder. De rechtbank beveelt een DNA-onderzoek aan om het vaderschap vast te stellen, waarbij de man de kosten voorlopig draagt. De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen bij een positieve uitslag.

De rechtbank overweegt dat erkenning niet zal leiden tot schade aan de belangen van de moeder of het kind, ondanks de bezwaren van de moeder. De beslissing over erkenning en omgang wordt aangehouden tot na het DNA-onderzoek. Voor de omgang wordt een nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming voorgesteld om de situatie van het kind en eventuele contra-indicaties te beoordelen.

De rechtbank benoemt een deskundige van Verilabs Nederland B.V. voor het DNA-onderzoek en stelt een planning vast voor het onderzoek en de verdere procedure. De beslissing over erkenning en omgang volgt na ontvangst van het DNA-rapport en het advies van de Raad.

Uitkomst: De rechtbank beveelt DNA-onderzoek aan en houdt beslissing over erkenning en omgang aan tot de uitslag bekend is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7854
Zaaknummer: C/09/675090
Datum beschikking: 22 december 2025

Vervangende toestemming erkenning en omgang

Beschikking op het op 21 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te Den Haag.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T.Y. Tsang te Den Haag.

[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats],

de minderjarige,
in rechte vertegenwoordigd door mr. J.G. Schnoor,
advocaat te Den Haag,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 7 november 2024 van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift, ingekomen op 16 december 2024;
  • het verslag van de bijzondere curator, ingekomen op 9 januari 2025;
  • het F9-formulier van 16 januari 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 21 januari 2025 van de moeder;
  • het F9-formulier van 10 februari 2025 van de man;
  • het F9-formulier van 26 november 2025 van de man, met brief en bijlagen.
Op 1 december 2025 is de zaak ter videozitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Verzoek en verweer

De man verzoekt:
- een DNA-onderzoek te gelasten naar de verwantschap tussen de man en de minderjarige;
en – onder de voorwaarde dat uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van de minderjarige –:
  • de man vervangende toestemming te geven om de minderjarige te erkennen dan wel een bijzondere curator te benoemen die de belangen van de minderjarige in dezen kan behartigen;
  • een omgangsregeling tussen hem en de minderjarige vast te stellen, in die zin dat hij bij de man verblijft eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij de omgang zal worden opgebouwd op een wijze die de rechtbank juist acht, al dan niet in eerste instantie onder begeleiding;
  • te bepalen dat de minderjarige bij de man verblijft gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
althans dusdanige beslissingen te nemen die de rechtbank juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man om een DNA-test te gelasten toe te wijzen en bij een positieve uitslag hem vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige te erkennen.

Feiten

  • De minderjarige is niet erkend.
  • De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
  • De moeder geeft geen toestemming voor de erkenning door de man.
  • De minderjarige verblijft bij de moeder.
  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de moeder en de minderjarige hebben de Spaanse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 19 november 2024 is mr. J.G. Schnoor voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 BW Pro te vertegenwoordigen.
  • De moeder is ook de moeder van de nu nog minderjarige [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats].
  • Bij vonnis in kort geding van 21 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier relevant, de vorderingen van de vrouw om de man een contactverbod en locatieverbod op te leggen, afgewezen.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning / DNA-onderzoek
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op grond van artikel 3 Rv Pro komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Op grond van artikel 10:95 lid 1 BW Pro is het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit van toepassing op de vraag of de man bevoegd is tot erkenning van [minderjarige 1], alsmede op de voorwaarden voor erkenning. De man heeft de Nederlandse nationaliteit, zodat Nederlands recht zal worden toegepast op de erkenning door de man.
Op grond van artikel 10:95 lid 3 BW Pro juncto lid 4 BW is op de vraag of de moeder toestemming moet geven voor de erkenning, het Spaanse recht van toepassing, aangezien de moeder de Spaanse nationaliteit bezit. In Spanje kan de toestemming, net als in Nederland op grond van artikel 1:204 lid 3 BW Pro, worden vervangen door die van de rechter.
Inhoudelijke beoordeling
Artikel 1:204 lid 3 BW Pro bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind.
DNA-onderzoek
Het verwekkerschap van de man staat ter discussie. De man verzoekt een DNA-onderzoek te gelasten, omdat hij niet met 100% zekerheid kan zeggen dat hij de biologische vader is van [minderjarige 1]. De moeder ziet geen noodzaak voor een DNA-onderzoek. De moeder erkent dat de man de biologische vader is van [minderjarige 1]. Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat haar bezwaar is gelegen in het feit dat zij de hoge kosten van een DNA-onderzoek niet kan dragen.
De bijzondere curator adviseert een DNA-onderzoek te gelasten, nu de man kennelijk niet zeker is van het feit dat hij de verwekker is van [minderjarige 1]. Mede gelet op de geboortedatum van [minderjarige 1] en de onduidelijkheid over de eerste contacten van partijen kan de bijzondere curator zich voorstellen dat er bij de man twijfel bestaat over het feit dat hij de verwekker is van [minderjarige 1]. Deze twijfel wordt bij de man nog gevoed door de mededeling van de moeder aan hem dat zij rondom de conceptie met andere mannen gemeenschap zou hebben gehad.
De rechtbank is van oordeel dat voor het bewijs van het eventuele verwekkerschap van de man een DNA-onderzoek het meest gerede middel is en zal na te melden onderzoek bevelen. De rechtbank zal zoals gebruikelijk een deskundige benoemen.
Ten aanzien van de kosten van het onderzoek overweegt de rechtbank het volgende. De man is degene die twijfelt aan zijn vaderschap en om die reden om een DNA-onderzoek vraagt, zodat de kosten van het onderzoek voorshands door hem gedragen moeten worden. Omdat hem een toevoeging is verleend, zal hem ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen, kan de uitslag van het DNA-onderzoek van belang zijn. De man en de moeder dienen er dan ook rekening mee te houden dat zij bij de eindbeschikking tot betaling van deze kosten (of ieder tot een gedeelte daarvan) kunnen worden veroordeeld.
De rechtbank zal vooralsnog de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden teneinde de man in de gelegenheid te stellen bewijs over te leggen van het al dan niet bestaan van het verwekkerschap van de man ten aanzien van [minderjarige 1] door middel van een rapport van DNA-onderzoek, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld. Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, welk besluit op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank voorts de navolgende eisen aan een rapport van DNA-onderzoek: uit het rapport dient te blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
Vervangende toestemming erkenning
De rechtbank zal na ontvangst van het DNA-onderzoek in een volgende tussenbeschikking een nadere beslissing nemen over de erkenning. Het verzoek tot vervangende toestemming erkenning is op de zitting immers inhoudelijk behandeld.
Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te geven, dat het nodig heeft. Enige weerstand van de kant van de moeder is onvoldoende om het verzoek af te kunnen wijzen.
Standpunt man
De man stelt dat hij een vaderrol wil vervullen in het leven van [minderjarige 1]. Erkenning doet recht aan de afstamming van [minderjarige 1]. De moeder behoudt ondanks de erkenning haar ongestoorde verhouding met [minderjarige 1]. De man realiseert zich dat het vertrouwen van de moeder in hem is beschadigd door zijn gedrag rondom de relatiebreuk. Sinds de veroordeling in augustus 2022 heeft de man zich echter onthouden van onwenselijk gedrag richting de moeder. De man ziet geen reden om de vervangende toestemming erkenning af te wijzen.
Standpunt moeder
Al jaren wordt de moeder stelselmatig belaagd door de man. De veroordeling bevestigt het ernstige karakter van het gedrag van de man. Dat de man hulpverlening heeft gevolgd en zijn strafrechtelijke kader is beëindigd, neemt de ernstige zorgen over zijn eerdere gedrag niet weg. Hoewel de man nu spijt betuigt van zijn gedrag, heeft zijn zorgwekkende gedrag diepe impact gehad op de moeder. Dat de man nu begeleiding volgt, biedt geen garantie dat zijn gedrag blijvend is veranderd. De man heeft zich niet gehouden aan het contact- en locatieverbod. De moeder is van mening dat het toelaten van de man tot het leven van [minderjarige 1] geen bijdrage levert aan een veilige en stabiele omgeving, wat juist het belangrijkste is. De man heeft ook de moeder fysiek mishandeld en de oudere zoon van de moeder geslagen. Er heerst een groot gevoel van onveiligheid. Dat de man dit bagatelliseert onderstreept haar zorgen en bevestigt dat hij onvoldoende inzicht toont in de impact van zijn gedrag. Hoewel de moeder het biologische verwantschap erkent, is zij van mening dat erkenning door de man niet in het belang van [minderjarige 1] is, gezien zijn verleden, eerdere gedragingen en de blijvende zorgen over zijn stabiliteit. Erkenning zou leiden tot onrust en mogelijke schade aan de sociaalpsychologische ontwikkeling van [minderjarige 1].
Advies bijzondere curator
Hoewel de bijzondere curator meent dat het gedrag van de man onacceptabel is geweest, heeft de bijzondere curator geen aanwijzingen dat de moeder door de erkenning in een onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren waardoor zij niet meer in staat zou zijn [minderjarige 1] een stabiel opvoedklimaat te kunnen bieden. De moeder geeft aan vooral bevreesd te zijn voor een contactregeling zoals die door de man is verzocht. Voor zover de bijzondere curator gebleken heeft de moeder geen psychologische of andere hulp gezocht voor het verwerken van haar ervaringen met de man. De moeder denkt dat de man haar na een uitspraak van de rechtbank niet met rust zal laten en zij durft [minderjarige 1] niet bij hem alleen te laten. Dit staat echter een erkenning door de man van [minderjarige 1] niet in de weg.
Oordeel rechtbank
De rechtbank zal – indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] – het verzoek van de man tot vervangende toestemming voor de erkenning van [minderjarige 1] toewijzen. De argumenten van de moeder om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een afwijzing van het verzoek te komen. Weliswaar ervaart de moeder angst en onrustgevoelens bij erkenning, maar dit is onvoldoende om te concluderen dat de enkele erkenning van [minderjarige 1] door de vader, de ongestoorde verhouding tussen de moeder en [minderjarige 1] zal worden geschaad of dat daardoor de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige 1] in het gedrang komt. De rechtbank is van oordeel dat het van groot belang is voor ieder kind om te weten van wie zij afstammen.
Nu de uiteindelijke beslissing in de volgende tussenbeschikking zal worden genomen – indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] – zal de rechtbank in die volgende beschikking bepalen of de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd worden beschouwd.
In deze beschikking zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning aanhouden tot na te melden pro forma datum, in afwachting van het resultaat van het DNA-onderzoek.
Omgang
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige 1], en als gevolg daarvan ook door de rechtbank de beslissing zal worden genomen dat de man vervangende toestemming zal krijgen voor het erkennen van [minderjarige 1], zal het verzoek van de man tot omgang ook inhoudelijk beoordeeld moeten worden.
Standpunt man
Indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker van [minderjarige 1] is, verzoekt hij een omgangsregeling vast te stellen. Er zijn volgens hem geen contra-indicaties. De man heeft altijd een vaderrol willen vervullen, dat was nog niet mogelijk door het strafrechtelijke verbod. Ondanks dat de man in het verleden fouten heeft gemaakt, heeft hij de afgelopen periode hard aan zichzelf en zijn situatie gewerkt. De man ontvangt nog hulpverlening van [zorginstantie], heeft zich aan alle opgelegde voorwaarden gehouden en het gaat goed met hem. De man realiseert zich dat de omgang moet worden opgebouwd omdat [minderjarige 1] en de man elkaar niet kennen. Uiteindelijk ziet de man een ‘normale’ weekendregeling voor zich. De man verzoekt een opbouwregeling die de rechtbank juist acht. Verder heeft de man aangegeven dat er op 12 oktober 2025 er een contactmoment buiten bij de glijbaan was, waarbij [minderjarige 1] blij was om de man te zien. De moeder heeft toen aangegeven dat zij zich zal inspannen om het contact tussen de man en [minderjarige 1] onmogelijk te maken. Dit heeft de man veel pijn gedaan. Hem moet de kans worden geboden de vaderrol voor [minderjarige 1] te vervullen.
Standpunt moeder
De moeder verzoekt de omgangsregeling af te wijzen. Er is wel degelijk sprake van contra-indicaties die de omgang tussen de man en [minderjarige 1] in de weg staan. De man heeft grenzen overschrijd en voor onveiligheid gezorgd. Dat toont aan dat omgang een risico vormt voor de stabiliteit en het welzijn van [minderjarige 1]. Dat de man zich aan de strafrechtelijke voorwaarden heeft gehouden neemt niet de blijvende zorgen over zijn gedrag en mentale stabiliteit weg. Ook het oudste kind van de moeder heeft veel trauma ervaren door de man en krijgt daarvoor hulp. Zelfs een geleidelijke opbouw acht de moeder niet passend. Het zou zorgen voor onrust en emotionele belasting van [minderjarige 1]. De moeder legt daartoe video’s over waarin de man dreigend gedrag vertoont. Beide kinderen van de moeder zullen de omgang als een last ervaren. De moeder vermoedt dat de man zelfs in het verleden de kat van de moeder heft mishandeld of anderszins. De moeder trof haar kat gewond aan nadat de man alleen was achtergebleven in de woning bij de kat. Hij maakte daar ook een ongepaste opmerking over. Het vaststellen van een omgangsregeling doet, ongeacht de wijze van opbouw, geen recht aan de huidige situatie en het welzijn van [minderjarige 1]. Gezien de omstandigheden acht zij het onverantwoord om dergelijke stappen te zetten.
Oordeel rechtbank
De rechtbank overweegt dat de moeder allerlei contra-indicaties voor omgang naar voren heeft gebracht en dat de man dit allemaal ontkent. De raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting geen advies kunnen geven op basis van wat er nu voorligt. De rechtbank acht zich ook onvoldoende voorgelicht, gelet op de ernst van datgene wat de moeder naar voren heeft gebracht en het feit dat er sprake is van een groot wantrouwen over en weer tussen de man en de moeder. Voordat een inhoudelijk oordeel kan worden gegeven over de omgang moet naar het oordeel van de rechtbank daarom eerst meer zicht worden verkregen op de situatie en ook op hoe het gaat met [minderjarige 1]. De rechtbank zal de Raad daarom – indien uit het DNA-onderzoek blijkt dat de man de verwekker is van [minderjarige 1] – in de volgende beschikking verzoeken om een onderzoek te doen naar [minderjarige 1], waarbij de volgende vragen moeten worden beantwoord:
  • Zijn er contra-indicaties voor omgang tussen [minderjarige 1] en de man?
  • Zo nee, welke (opbouwende) omgangsregeling is in het belang van [minderjarige 1]?
  • Is er nog verdere hulpverlening of begeleiding nodig voor [minderjarige 1] en/of de ouders?
In deze beschikking zal de rechtbank de beslissing ten aanzien van de omgang aanhouden tot na te melden pro forma datum, in afwachting van het resultaat van het DNA-onderzoek.
Beslissing
De rechtbank:
*
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
de man: [de man], geboren op [geboortedatum 3] 1994;
de moeder: [de moeder], geboren op [geboortedatum 4] 1991;
de minderjarige: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats];
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:
een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-105 1415);
beveelt dat partijen
binnen drie weken na de datum van deze beschikking(derhalve vóór 13 januari 2026) telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de man (verzoeker) in debet zal worden gesteld;
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek
uiterlijk op 1 maart 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
bepaalt dat partijen en de bijzondere curator
uiterlijk op 15 maart 2026zullen reageren op het deskundigenonderzoek en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure;
*
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de
kosten van het deskundigenonderzoek, de vervangende toestemming tot erkenning en de omgangaan tot
1 april 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, (kinder)rechter, bijgestaan door
mr. R.P. Bas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 december 2025.