De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor drie maanden, vanwege ernstige zorgen over haar ontwikkeling en veiligheid in de thuissituatie. De minderjarige heeft een verhoogde zorgbehoefte door cerebrale parese, spasme en epilepsie, en er is sprake van achteruitgang in meerdere ontwikkelingsdomeinen. De moeder is onvoldoende in staat om de noodzakelijke hulpverlening te organiseren en vertoont mogelijk psychische problematiek, met verontrustende uitspraken over betrokkenheid bij het criminele circuit.
De moeder en vader stemden in met het verzoek, waarbij de moeder haar overbelasting erkende en de vader zijn zorgen uitte over de draagkracht van de pleegzorg. De gecertificeerde instelling onderschreef het verzoek en was bereid direct hulp te bieden. De kinderrechter oordeelde dat aan de voorwaarden voor voorlopige ondertoezichtstelling was voldaan en dat de veiligheid en ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig worden bedreigd.
De kinderrechter besloot de voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor de duur van drie maanden, met ingang van 23 december 2025 tot 9 maart 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en wordt aangetekend in het gezagsregister. De kinderrechter benadrukte het belang van verdere hulpverlening en onderzoek naar de thuissituatie en de rol van de vader in de toekomst.