ECLI:NL:RBDHA:2025:26979

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
23/6607
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Invordering van een last onder dwangsom en de rechtsmiddelen

Deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag betreft de invordering van een last onder dwangsom die aan eiser is opgelegd vanwege het niet voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Eiser, lid van de Vereniging van Eigenaars van een pand, heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de last onder dwangsom, waardoor deze onherroepelijk is geworden. De rechtbank behandelt de invorderingsbeschikking en oordeelt dat een belanghebbende in beginsel geen gronden kan aanvoeren die eerder tegen de last onder dwangsom zijn ingebracht, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Eiser heeft aangevoerd dat er werkzaamheden zijn verricht en dat er geen gevaar was, maar de rechtbank oordeelt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet als uitzonderlijk kunnen worden gekwalificeerd. De rechtbank stelt vast dat het college terecht is overgegaan tot invordering van de dwangsom, aangezien de gebreken aan het pand niet zijn hersteld. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond en kent geen proceskostenvergoeding toe. De uitspraak is gedaan op 18 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

gemachtigde: mr. W. Brakenhoff.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van een last onder dwangsom. Eiser is het niet eens met deze invordering en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de invorderingsbeschikking.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van het college is verschenen. Eiser heeft de rechtbank bericht verhinderd te zijn. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen. Nadat de rechtbank heeft vastgesteld dat partijen wel op de juiste wijze zijn uitgenodigd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser is lid van de Vereniging van Eigenaars (VvE) van [adres] (het pand). Op 23 september 2019 hebben toezichthouders de staat van onderhoud van het pand onderzocht. Met het besluit van 5 december 2019 is eiser een last onder dwangsom opgelegd, omdat het pand niet meer voldoet aan het Bouwbesluit 2012. In de last staat opgenomen dat eiser tot uiterlijk 10 april 2020 heeft om de gebreken aan het pand te herstellen.
2.1.
Omdat het dossier bij het college tussen wal en schip is geraakt, heeft het verzuimd tijdig te controleren of de VvE heeft voldaan aan het besluit van 5 december 2019. Het college heeft daarom met het besluit van 16 maart 2022 wederom een last onder dwangsom opgelegd met een nieuwe begunstigingstermijn. Eiser heeft tegen het besluit van 16 maart 2022 geen bezwaar gemaakt.
2.2.
Op 9 augustus 2022 heeft een inspectie plaatsgevonden, waarbij is geconstateerd dat de onderhoudsgebreken zoals genoemd in de last onder dwangsom niet zijn verholpen. Met het primaire besluit van 19 oktober 2022 heeft het college de dwangsom ingevorderd bij zowel eiser als bij het andere lid van de VvE, namelijk [bedrijf] B.V. In het besluit is vermeld dat de inspecteur op 9 augustus 2022 heeft geconstateerd dat de strijdige situatie niet was beëindigd en dat alle gebreken zoals genoemd in de bijlage bij de last onder dwangsom nog aanwezig waren. Daarom heeft eiser van rechtswege een dwangsom van € 5.000,- verbeurd. Het college heeft de invorderingsbeschikking met het bestreden besluit op bezwaar gehandhaafd.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
3. Uit het verweerschrift volgt dat [bedrijf] B.V. de dwangsom heeft betaald en dat het college niet daadwerkelijk zal overgaan tot invordering van de dwangsom bij eiser. De rechtbank kan echter niet uitsluiten dat eiser nog belang heeft bij een uitspraak vanwege een mogelijk regresrecht van [bedrijf] B.V.
Overgangsrecht
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór 1 januari 2023 een last onder dwangsom is opgelegd voor een gepleegde overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft de last onder dwangsom vóór 1 januari 2024 opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het Bouwbesluit 2012 van toepassing blijft.
Beoordeling
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het college heeft in de beschikking niet gemotiveerd op welke gronden het college de bestuurlijke boete (de rechtbank begrijpt: de last onder dwangsom) heeft gebaseerd. Eiser stelt dat er wel werkzaamheden hadden plaatsgevonden. Er was dan ook geen sprake van (dreiging van) gevaar. Eiser heeft de foto’s en rapporten van de tweede controle opgevraagd, maar niet ontvangen. Eiser voert tot slot aan dat de VvE had moeten worden aangeschreven.
5.1
Nu eiser tegen de last onder dwangsom geen rechtsmiddelen heeft aangevoerd, is de last onherroepelijk geworden. Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. [1]
5.2.
Verder moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. [2] Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank leidt hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval dan wel bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Voor zover eiser aanvoert dat het college de VvE had moeten aanschrijven, overweegt de rechtbank dat het college in de last onder dwangsom en in de invorderingsbeschikking ook de VvE heeft aangeschreven.
5.4.
Het is vaste rechtspraak dat aan een invorderingsbeschikking een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. [3] Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker/in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal.
5.5.
Bij de last onder dwangsom is een bijlage gevoegd met een lijst waarin de gebreken en de te treffen voorzieningen zijn beschreven. Van de controle op 9 augustus 2022 is door de toezichthouder geen rapport opgesteld. Hij heeft zijn bevindingen tijdens de controle wel beschreven in een e-mail van dezelfde dag. Bij de e-mail zijn foto’s toegevoegd die de toezichthouder bij de controle heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze foto’s dat de geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Eiser stelt weliswaar dat de werkzaamheden gedeeltelijk zijn uitgevoerd, maar heeft deze enkele stelling niet nader toegelicht en nader onderbouwd met bewijsstukken.
5.6.
Gelet op het voorgaande is het college terecht overgegaan tot het invorderen van de dwangsom.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
7. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1524, r.o. 2.1.
2.Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie wederom de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1524, r.o. 2.1.