ECLI:NL:RBDHA:2025:26979
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invordering last onder dwangsom wegens onderhoudsgebreken pand
Eiser, lid van de Vereniging van Eigenaars van een pand, kreeg in 2019 een last onder dwangsom opgelegd wegens onderhoudsgebreken die niet voldeden aan het Bouwbesluit 2012. Na een tweede last in 2022 en een inspectie bleek dat de gebreken niet waren verholpen, waarna het college de dwangsom invorderde.
Eiser maakte bezwaar tegen de invordering en voerde onder meer aan dat er wel werkzaamheden waren verricht, dat er geen gevaar was en dat de VvE had moeten worden aangeschreven. De rechtbank oordeelde dat eiser tegen de last onder dwangsom geen rechtsmiddelen had aangewend, waardoor deze onherroepelijk was geworden. Invordering van de dwangsom is in beginsel terecht, tenzij bijzondere omstandigheden worden aangetoond.
De rechtbank stelde vast dat het college de VvE ook had aangeschreven en dat de toezichthouder zijn bevindingen had vastgelegd in een e-mail met foto’s. Eiser had zijn stellingen niet met bewijs onderbouwd. Daarom was het college terecht overgegaan tot invordering van de dwangsom.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. van der Ven op 18 december 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de invordering van de last onder dwangsom.