De vader verzoekt de rechtbank om gezamenlijk gezag over zijn minderjarige kind toe te kennen en een omgangsregeling vast te stellen. Hij stelt dat hij door de moeder wordt buitengesloten en dat contactherstel in het belang van het kind is. De moeder voert verweer en stelt dat de vader zich altijd buiten het gezin heeft gehouden, dat er sprake is van een verstoorde communicatie en dat zij en het kind angst- en spanningsklachten hebben door het gedrag van de vader.
De rechtbank overweegt dat gezamenlijk gezag slechts kan worden toegekend indien dit in het belang van het kind is en er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders. Gezien de verstoorde verstandhouding, het gebrek aan constructieve communicatie en de beperkte draagkracht van de moeder, acht de rechtbank het risico te groot en wijst het verzoek om gezamenlijk gezag af.
Ten aanzien van de omgangsregeling stelt de rechtbank vast dat het kind en de moeder onvoldoende draagvlak hebben voor contact met de vader. Het kind heeft duidelijk aangegeven geen contact te willen. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van het kind om een omgangsregeling vast te stellen en wijst ook het verzoek om een raadsonderzoek af.
De rechtbank bepaalt wel dat de moeder de vader maandelijks schriftelijk via e-mail zal informeren over het welzijn en belangrijke aangelegenheden van het kind, met een recente foto, waarbij de vader alleen per e-mail mag reageren met vragen die de moeder zal beantwoorden. Deze informatieregeling wordt als uitvoerbaar bij voorraad verklaard.