Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27026

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/09/693605 / FA RK 25-8063
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing uitsluitend gebruik woning aan vrouw en voorlopige alimentatie bij echtscheidingsprocedure

Partijen zijn gehuwd en ouders van drie minderjarige kinderen. De vrouw verzoekt om uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, voorlopige toewijzing van de kinderen aan haar, en vaststelling van voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie. De man voert verweer tegen het gebruik van de woning en de zorgregeling, maar stemt in met kinderalimentatie.

De rechtbank oordeelt dat het voor de kinderen niet langer verantwoord is dat de ouders samen blijven wonen vanwege spanningen en een gespannen sfeer. Daarom wordt het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend, met een termijn van één maand voor de man om alternatieve woonruimte te vinden. De kinderen worden voorlopig aan de vrouw toevertrouwd.

Een voorlopige zorgregeling wordt niet vastgesteld vanwege de onzekere woonsituatie van de man. De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €110 per maand en de partneralimentatie op €85 per maand, beide ingaande op de datum dat de man de woning moet verlaten. Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Uitkomst: De vrouw krijgt uitsluitend gebruik van de woning en de kinderen worden aan haar toevertrouwd; de man moet kinderalimentatie en partneralimentatie betalen vanaf 23 januari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-8063
Zaaknummer: C/09/693605
Datum beschikking: 23 december 2025

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 25 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Baouch te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben met de rechter gesproken over de verzoeken.
Op 9 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk Z. Gharbaoui;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- S. Zoutendijk, namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Van de zijde van de man zijn op de zitting salarisspecificaties overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn op 3 december 2010 met elkaar gehuwd te Taourirt, Marokko.
- Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats 1] .
- De man is ook de vader van:
- [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2001 te [geboorteplaats 2] ;
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
- Uit de Basisregistratie Personen blijkt dat de vrouw de Spaanse nationaliteit heeft, de man de Marokkaanse nationaliteit heeft en de kinderen de Marokkaanse en Spaanse nationaliteit hebben.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft verzocht:
- te bepalen dat de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd en daarbij tussen de man en de kinderen een zorgregeling vast te stellen zoals verwoord in punt 7 van het verzoekschrift, inhoudende:
- gedurende een weekend per twee weken van vrijdag 19.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- de helft van de feestdagen, inclusief de islamitische feestdagen;
- de helft van de schoolvakanties;
- te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik en genot van de echtelijke woning te [adres] , met de aanwezige inboedel, zonder gehouden te zijn de man aldaar te hoeven ontvangen;
- te bepalen dat de man aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, met ingang van 26 september 2025, subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 110,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de kinderen, te verhogen met het bedrag van iedere uitkering dat hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de kinderen kan of zal worden verleend;
- te bepalen dat de man aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, met ingang van 26 september 2025, subsidiair de datum van indiening van het verzoekschrift, een bedrag van € 129,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert geen verweer tegen de verzochte kinderalimentatie, maar wel voor het overige.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht:
- te bepalen dat de kinderen voor de duur van het geding aan de man worden
toevertrouwd;
- te bepalen dat er een voorlopige zorgregeling wordt bepaald waarbij de zorg voor de
kinderen gelijkwaardig wordt verdeeld, waarbij zij de ene week drie dagen bij de man verblijven en de andere week vier dagen, dan wel een zorgregeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- te bepalen dat de man het voorlopig uitsluitend gebruik van de woning krijgt;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft mondeling verweer gevoerd.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
De Nederlandse rechter komt te dezen rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige-voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw stelt dat er spanningen zijn tussen de ouders, wat niet in het belang van de kinderen is. Het is voor de vrouw niet haalbaar om nog langer met de man in de woning te verblijven. Omdat de vrouw de meeste zorg voor de kinderen draagt, wil zij tijdens de echtscheidingsprocedure met de kinderen in de echtelijke woning blijven wonen. Volgens de vrouw heeft de man meerdere familieleden die in de buurt wonen waar hij kan verblijven. Daarnaast kan de man volgens de vrouw in het tuinhuis verblijven, waar hij nu ook regelmatig is. Voor de vrouw is het niet mogelijk om (tijdelijk) andere woonruimte te verkrijgen of bij familie te verblijven.
De man vindt het niet nodig dat één van de ouders de woning verlaat. Als de rechtbank toch beslist dat één van de ouders de woning moet verlaten, vindt hij dat de vrouw weg moet. Hij geeft aan dat het haar wens is om te scheiden en dat zij daarom de gevolgen moet dragen. De man betwist bovendien dat hij bij zijn familieleden kan verblijven. Langdurig verblijf in het tuinhuis is daarnaast niet toegestaan. Met zijn inkomen is het voor de man niet mogelijk om op korte termijn alternatieve woonruimte te vinden. Volgens de man is het voor de vrouw, als alleenstaande moeder met een bijstandsuitkering, veel makkelijker om nieuwe woonruimte te vinden. Verder heeft de man betwist – zoals de vrouw op de zitting heeft gesteld – dat hij kampt met middelenproblematiek en er sprake zou zijn van huiselijk geweld.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toewijzen. De belangrijkste reden daarvoor is dat de rechtbank het voor de kinderen niet langer verantwoord vindt om samen te blijven wonen. De ouders hebben op de zitting verteld dat zij nauwelijks meer met elkaar praten, wat de sfeer gespannen maakt. De man slaapt daarnaast in de slaapkamer van de kinderen, waardoor de kinderen bij de vrouw slapen. De man werkt fulltime en is veel buitenshuis. Ook na werk trekt hij zich vaak terug in het tuinhuis. Dit is een onvoorspelbare en onwenselijke situatie voor de kinderen. De rechtbank is het daarom met de vrouw van oordeel dat de situatie zodanig is dat partijen niet langer samen in de woning kunnen verblijven.
De rechtbank begrijpt dat het op de huidige woningmarkt voor de man moeilijk of voorlopig zelfs onmogelijk zal zijn om een nieuwe woning te vinden. Met zijn inkomen zal hij in de particuliere sector geen huurwoning kunnen krijgen en hij komt niet in aanmerking voor een sociale huurwoning. De man kan echter wel op zoek naar een kamer, heeft meerdere familieleden in de buurt wonen waar hij mogelijk terecht kan en een tuinhuis waar hij incidenteel kan verblijven. Omdat de rechtbank wil voorkomen dat de man plots op straat komt te staan, zal de rechtbank hem een termijn van één maand te geven om alternatieve woonruimte te vinden. Dit betekent dat de man de echtelijke woning vóór 23 januari 2026 moet verlaten.
Het verzoek om te bepalen dat het uitsluitend gebruik ‘met de aanwezige inboedel’ is, zal de rechtbank afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij namelijk ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen, voor zover niet bij rechterlijke beschikking tot het dagelijks gebruik aan de andere partij toegewezen.
Voorlopige toevertrouwing kinderen
Nu het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw zal worden toegekend en zij de meeste zorg voor de kinderen draagt, zal de rechtbank de kinderen aan de vrouw toevertrouwen en het verzoek van de man te dien aanzien afwijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de man heeft aangegeven dat het in het belang van de kinderen is dat zij de komende periode in de echtelijke woning kunnen blijven wonen.
Voorlopige zorgregeling
De rechtbank zal geen voorlopige zorgregeling bepalen. De reden daarvoor is dat de woonsituatie van de man te onzeker is. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij niet weet of hij de kinderen bij zijn familie of ergens anders kan ontvangen. De rechtbank hoopt dat de man wel contact kan houden met de kinderen, bijvoorbeeld door buitenshuis leuke activiteiten met de kinderen te ondernemen. De rechtbank moedigt partijen aan om samen toe te werken naar een vaste zorgregeling tussen de man en de kinderen, omdat dit in het belang van de kinderen is.
Voorlopige kinderalimentatie
De man heeft ingestemd met de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van € 110,-. De rechtbank zal aldus beslissen.
Tussen partijen is de ingangsdatum van de kinderalimentatie in geschil, zodat de rechtbank daar een beslissing over zal nemen. De rechtbank overweegt dat de man in de huidige situatie alle inkomsten ontvangt en de kosten van de kinderen draagt. Daarom zal de rechtbank de kinderalimentatie vasttestellen met ingang van de datum waarop de man de woning moet verlaten, te weten 23 januari 2026.
Voorlopige partneralimentatie
Behoefte
De rechtbank zal de Hofnorm hanteren als voorlopige maatstaf ter bepaling van de huwelijkse welstand van partijen en daarmee voor de redelijkerwijs te verwachten kosten van levensonderhoud van de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2025-II, nu partijen tot op heden nog samenwonen.
Het gezin leeft uitsluitend van het inkomen van de man en toeslagen. Op de zitting heeft de man enkele salarisspecificaties overgelegd. Hieruit blijkt dat zijn salaris in 2025 over de weken 29 tot en met 32 in totaal € 2.213,- bruto bedroeg, over de weken 37 tot en met 40 € 2.259,- en over de weken 41 tot en met 44 € 2.229,-. De rechtbank houdt daarom aan de zijde van de man rekening met een gemiddeld bruto-inkomen van € 2.234,- per vier weken. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8%, een eindejaarsuitkering van 5%, de ingehouden pensioenpremies van afgerond € 263,- per vier weken, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.264,- per maand in 2025. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Met het inkomen van de man hebben partijen recht op een kindgebonden budget van € 686,-. Daarmee komt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen op € 2.950,- (€ 2.264 + € 686,-).
Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw moeten op het NBGI de kosten van de kinderen in mindering worden gebracht. Uit de behoeftetabel van het Rapport Alimentatienormen 2025 volgt bij het NBGI van partijen een eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen van € 640,-. Het NBGI bedraagt, met aftrek van de kosten van de kinderen, €2.310,- per maand (€ 2.950,- minus € 640,-). De behoefte van de vrouw bedraagt dan afgerond € 1.386,- netto per maand (60% van € 2.310,-).
Aanvullende behoefte
Op voornoemde netto behoefte van de vrouw van € 1.386,- per maand moet haar huidige NBI in mindering worden gebracht, te weten € 1.300,-. De rechtbank gaat daarbij uit van een inkomen van € 1.345 bruto per maand, ter hoogte van een bijstandsuitkering. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 86,- netto per maand.
Draagkracht man
Op basis van de hiervoor genoemde financiële gegevens en uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.264,- per maand in 2025.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen uit het rapport alimentatienormen de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 165,- per maand, te weten
60% x [€ 2.264,- -/- (0,3 x € 2.264,- + € 1.310,-)].
Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 110,- per maand in mindering gebracht. De man heeft dan nog een draagkracht beschikbaar van € 55,- per maand (€ 165,- minus € 110,-). Gebruteerd komt dit neer op € 85,- per maand.
Gezien de aanvullende behoefte van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 85,- bruto per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.
IngangsdatumNet als voor de voorlopige kinderalimentatie zal de rechtbank de datum waarop de man de woning moet verlaten, te weten 23 januari 2026, als ingangsdatum te hanteren.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 januari 2026, een voorlopige partneralimentatie van € 85,- per maand moet betalen.
Proceskosten
Omdat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2013 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats 1] ;
aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
bepaalt dat de vrouw met ingang van 23 januari 2026 bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning vóór 23 januari 2026 dient te verlaten en verder niet mag betreden;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 januari 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] (bij co-ouderschap eventueel:
medeverzorgt en opvoedt)van € 110,- per maand voor de drie kinderen samen zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 23 januari 2026, voorlopig een partneralimentatie van € 85,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 december 2025.