Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27028

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/09/688277 / FA RK 25-5227
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 RvArt. 826 lid 1 onder c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met vaststelling zorgregeling en alimentatie

Partijen zijn in 2025 een geregistreerd partnerschap aangegaan en zijn ouders van een minderjarig kind dat bij de vrouw verblijft. De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap op verzoek van de vrouw, waarbij de man dit erkent. De hoofdverblijfplaats van het kind wordt vastgesteld bij de vrouw, met een zorgregeling waarbij het kind ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man verblijft.

De man verzoekt wijziging van de voorlopige voorzieningen, met name de partneralimentatie, omdat de omstandigheden zijn gewijzigd en eerdere gegevens onjuist waren. De rechtbank oordeelt dat de voorlopige partneralimentatie gewijzigd moet worden naar nihil met ingang van 27 november 2025, de datum van de zitting, om terugbetalingsverplichtingen te voorkomen.

De rechtbank berekent de kinderalimentatie op basis van het netto besteedbaar inkomen van beide ouders en de behoefte van het kind. De man moet vanaf 27 november 2025 €439 per maand kinderalimentatie betalen. De vrouw krijgt het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen. De rechtbank wijst het verzoek tot definitieve partneralimentatie af wegens onvoldoende draagkracht van de man.

De zorgregeling wordt vastgesteld met afspraken over het halen en brengen van het kind, waarbij de man het kind ophaalt als hij niet hoeft te werken op vrijdagmiddag en het kind op zondag terugbrengt. De vakanties en feestdagen worden gelijk verdeeld. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt de zorgregeling en kinderalimentatie vast en wijzigt de voorlopige partneralimentatie naar nihil met ingang van 27 november 2025.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-5227
Zaaknummer: C/09/688277
Datum beschikking: 23 december 2025

Ontbinding geregistreerd partnerschap en wijziging voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 10 juli 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.

en de beschikking op het op 17 oktober 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.A.G. Balkenende te Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te Den Haag.

Procedure

Zaak C/09/688277 (bodemprocedure)
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het op 10 juli 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage, namens de vrouw;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift van 22 augustus 2025, met
bijlagen, namens de man;
- het bericht van 17 november 2025, met bijlagen, namens de vrouw;
- het bericht van 21 november 2025, met bijlagen, namens de man;
- het bericht van 23 november 2025, met bijlagen, namens de man.
Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen)
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man;
  • het bericht van 21 november 2025, met bijlagen, namens de man.
Zaak C/09/688277 (bodemprocedure) en zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen)
Op 27 november 2025 zijn het verzoek tot wijziging van de voorlopige voorzieningen en de verzoeken in de bodemprocedure gevoegd op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten en mevrouw [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

- Partijen zijn op [datum] 2025 in [plaats 1] een geregistreerd partnerschap aangegaan in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .
- [minderjarige] verblijft op dit moment bij de vrouw.
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 4 juli 2025 is onder andere:
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie van € 810,- bruto per maand vastgesteld, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 510,- per maand vastgesteld, met ingang van heden, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Verzoek en verweer

Zaak C/09/688277 (bodemprocedure)
Het gewijzigde verzoek strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] bij de vrouw;
- vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] (de zorgregeling), in die zin dat [minderjarige] bij de man is gedurende ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur;
- vaststelling van kinderalimentatie van € 510,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van deze beschikking althans zodanige ingangsdatum en zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 810,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, althans zodanige ingangsdatum en zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het overige – nog verweer tegen de verzochte zorgregeling, kinderalimentatie en partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen)
De man verzoekt de in de beschikking van 4 juli 2025 bepaalde voorlopige voorzieningen te wijzigen, in die zin dat de rechtbank:
- een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partner- en voorlopige kinderalimentatie primair op nihil vaststelt subsidiair een lager bedrag vaststelt dan de bedragen in de beschikking van 4 juli 2025, met ingang van 4 juli 2025, subsidiair 6 oktober 2025, meer subsidiair met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht.
De man doet zijn verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd en dat de rechtbank bij het geven van de beslissing is uitgegaan van onjuiste en onvolledige gegevens.

Beoordeling

Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen)
Op grond van artikel 824, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden na het geven van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of als bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven.
Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij, ondanks dat de behandeling van de bodemprocedure en de wijziging voorlopige voorzieningen tegelijkertijd op zitting plaatsvindt, nog wel belang heeft bij de wijziging van de voorlopige voorzieningen in verband met de ingangsdatum van de partneralimentatie.
De rechtbank volgt het standpunt van de man en overweegt daartoe dat op grond van artikel 826 lid 1 onder Pro c Rv de beschikking voorlopige voorzieningen ten aanzien van de partneralimentatie haar kracht behoudt tot het moment waarop de beslissing ten aanzien van de partneralimentatie in de bodemprocedure in kracht van gewijsde is gegaan, met uitzondering van een eventuele wijziging op grond van artikel 824 lid 2 Rv Pro. Om deze reden heeft de man belang bij het handhaven van zijn wijzigingsverzoek ten aanzien van de voorlopige partneralimentatie. De rechtbank zal daarom overgaan tot beoordeling van het wijzigingsverzoek van de man.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is met de man van oordeel dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige kinderalimentatie en partneralimentatie vastgesteld in de beschikking van 4 juli 2025 niet in stand kunnen blijven. Immers, zoals hierna blijkt, is in de voorlopige voorzieningenprocedure een significant hogere draagkracht bij de man vastgesteld dan dat de man nu heeft.
De rechtbank zal hierna in de bodemprocedure met de actuele financiële gegevens van partijen de partneralimentatie beoordelen. De rechtbank hanteert diezelfde berekening voor de wijziging van de voorlopige voorzieningen en zal die uitkomst in de beslissing opnemen.
Als ingangsdatum voor de wijziging van de voorlopige partneralimentatie zal worden gehanteerd 27 november 2025 (de datum van de zitting). De rechtbank vindt het redelijk om deze datum als ingangsdatum te hanteren, omdat er dan geen terugbetalingsplicht zal gelden voor de vrouw en partijen hiermee rekening hebben kunnen houden.
Zaak C/09/688277 (bodemprocedure)
Ontbinding geregistreerd partnerschap
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om op alle punten ten aanzien van [minderjarige] tot overeenstemming te komen. Gelet hierop zal de rechtbank voorbijgaan aan het wettelijk vereiste.
Omdat aan de overige wettelijke formaliteiten wel is voldaan, zal de rechtbank de vrouw ontvangen in haar verzoek om het geregistreerd partnerschap te ontbinden.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerde partnerschap duurzaam is ontwricht. De man erkent dit, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als onweersproken en op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats [minderjarige]
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen. De man maakt hiertegen geen bezwaar. Nu niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich hiertegen verzet, zal de rechtbank het verzoek toewijzen.
Zorgregeling
De vrouw verzoekt de voorlopige zorgregeling zoals is bepaald in de beschikking van 4 juli 2025 als definitief vast te stellen, waarbij zij de tijden en het halen en brengen wil wijzigen. Zij verzoekt te bepalen dat [minderjarige] ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur bij de man is, waarbij de man [minderjarige] zal halen en terugbrengen. Tevens verzoekt de vrouw de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen.
De man verweert zich hiertegen. Hij wenst dat er co-ouderschap zal gelden zodra hij een eigen woning heeft gevonden.
Op de zitting is gebleken dat de man nog niet beschikt over een eigen woning. Hij woont op dit moment bij zijn ouders, waardoor co-ouderschap nu niet mogelijk is. Daarom zal de rechtbank dit nu niet beslissen.
Verder is op de zitting gebleken dat de man geen bezwaar heeft tegen de door de vrouw verzochte zorgregeling, zodat de rechtbank deze zorgregeling zal vaststellen.
De ouders denken wel anders over het halen en terugbrengen van [minderjarige] . De vrouw wil dat de man het halen en terugbrengen op zich neemt, omdat hij een auto heeft. De man wil het halen en brengen gelijk verdelen, omdat hij soms moet werken op vrijdagmiddag. Op de zitting hebben de ouders onder regie van de rechter overeenstemming bereikt over het halen en brengen. Zij hebben afgesproken dat de man, als hij niet werkt op vrijdagmiddag, [minderjarige] zal ophalen. Ook zal hij [minderjarige] iedere zondag terugbrengen.
Kinderalimentatie
De vrouw verzoekt, zoals in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, een kinderalimentatie van € 510,- per maand vast te stellen, met ingang van de datum van deze beschikking. De man heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd.
Ingangsdatum
De rechtbank zal eerst de ingangsdatum beoordelen. Ook voor de kinderalimentatie vindt de rechtbank het redelijk om 27 november 2025, de datum van de zitting, als ingangsdatum te hanteren. De reden daarvoor is dat er al een voorlopige kinderalimentatie is bepaald en dat er dan geen na- of terugbetalingsplicht zal gelden.
Behoefte van [minderjarige]
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige] is tussen de ouders in geschil, zodat de rechtbank deze zal vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van de ouders tijdens hun samenleving worden bepaald. De rechtbank begrijpt dat de ouders in februari 2025 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de inkomensgegevens over 2024 en de behoefte van [minderjarige] berekenen aan de hand van de tarieven geldend in 2025 (periode 2025-1).
NBI vrouw
De rechtbank gaat bij de vrouw –evenals partijen – uit van een NBI van € 369,- per maand, behorend bij een jaarinkomen over 2024 van € 4.428,- (tarief 2025-1).
NBI man
In 2023 en 2024 werkte de man als ZZP-er in de zorg, waarmee hij een relatief hoog inkomen had van € 87.707,-. Omdat partijen hiernaar zijn gaan leven, zal de rechtbank dit inkomen hanteren voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige] .
Op basis van de hiervoor genoemde winst uit onderneming over 2024 en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man op het moment van de samenleving op € 4.755,- per maand (tarief 2025-1).
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van de ouders bedroeg in 2025 dus € 5.124,-
per maand (€ 369
(NBI vrouw) +€ 4.755 (
NBI man)). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025, leidt het voorgaande volgens de aangehechte berekening tot een behoefte van [minderjarige] van € 696,- per maand in 2025.
Kosten kinderopvang
De man stelt dat het tabelbedrag moet worden verhoogd met de netto kosten van de kinderopvang van € 238,- per maand.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat in het tabelbedrag alle normale kosten zijn begrepen. De ‘normale’ kosten van de kinderopvang worden dus geacht te zijn verwerkt in het tabelbedrag. Zodanige hoge kosten voor kinderopvang in verband met de verwerving van inkomsten die niet (volledig) gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten, kunnen leiden tot een correctie op het tabelbedrag.
De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende nader heeft onderbouwd waarom de gemaakte netto opvangkosten niet geacht kunnen worden (volledig) te zijn verdisconteerd in het tabelbedrag en niet gecompenseerd worden door lagere uitgaven op andere posten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het tabelbedrag te verhogen.
Draagkracht beide ouders
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de ouders moet worden verdeeld. Hiertoe zal de rechtbank de draagkracht van beide ouders beoordelen. Dit doet de rechtbank aan de hand van het NBI van beide ouders in de tweede helft van 2025 (tabel 2025-2). Vervolgens moet de draagkracht van beide ouders volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen 2025 berekend worden aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + € 1.310,- ]. Voor de lagere inkomens beneden een NBI van € 2.125,- zijn vaste bedragen van toepassing.
NBI vrouw en draagkracht
De rechtbank zal bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw uitgaan van een door de vrouw te ontvangen studiefinanciering van € 793,- netto per maand. Daarmee heeft de vrouw een draagkracht voor kinderalimentatie van € 25,- per maand.
NBI man en draagkracht
De man had een eenmanszaak [handelsnaam] en werkte als ZZP-er in de zorg. Door de Wet DBA heeft de man zijn bedrijfsactiviteiten met de eenmanszaak beëindigd en is hij per september 2025 in loondienst gegaan. De rechtbank zal rekenen met dit nieuwe inkomen.
De man werkt op dit moment niet voltijds, maar 66%. Omdat er geen redenen zijn dat de man niet voltijds kan werken, zal de rechtbank uitgaan van een verdiencapaciteit van 100%. De rechtbank zal daarvoor de gegevens van de loonstrook van september 2025 extrapoleren. Daarmee komt het inkomen van de man op € 3.516,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld en een eindejaarsuitkering van afgerond € 293,- per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de ingehouden premies (na extrapolatie) van totaal afgerond € 347,- en € 15,- per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man voor kinderalimentatie op € 3.004,- per maand (tarief 2025-2) en zijn draagkracht voor kinderalimentatie op € 555,- per maand.
Verdeling van de draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt gezamenlijk € 580,- per maand (€ 25+ € 555).
Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 116,- per maand (€ 696 -/- € 580). Beide ouders dienen maximaal bij te dragen in de behoefte van [minderjarige] .
De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad op 16 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:586) heeft geoordeeld dat het hanteren van een forfaitaire woonlast op zichzelf niet in strijd is met de wettelijke maatstaven. Indien met de berekende draagkracht van de ouders niet (geheel) in de behoefte van het kind kan worden voorzien en er aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de betrokken ouder duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het bedrag dat volgt uit toepassing van het forfait (
0,3 x NBI), zal de rechter (ambtshalve) moeten nagaan of de draagkracht van die ouder, berekend met inachtneming van de werkelijke woonlasten, zou leiden tot een hogere onderhoudsbijdrage. Indien dit het geval is, moet de rechter ofwel deze hogere bijdrage opleggen, ofwel motiveren waarom hij daartoe, gelet op de verdere omstandigheden van het geval, geen aanleiding ziet.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de forfaitaire woonlast omdat er geen aanwijzingen zijn dat de werkelijke woonlasten van de ouders
duurzaam aanmerkelijklager zijn dan het forfaitaire bedrag. Weliswaar woont de man op dit moment nog in bij zijn ouders en is onduidelijk of hij hiervoor een vergoeding betaalt, maar op de zitting heeft hij toegelicht dat hij verwacht op korte termijn in aanmerking te komen voor een eigen woning omdat hij nu hoog op de wachtlijst staat.
Zorgkorting
Gelet op de huidige zorgregeling, zal de rechtbank een zorgkorting van 25% toepassen. De zorgkorting bedraagt dan afgerond € 174,- per maand (25% van € 696).
Omdat sprake is van een tekort van € 116,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort (€ 58) komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 116,- per maand (€ 174 -/- € 58
).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] bedraagt dan volgens de aangehechte berekening € 439,- per maand (€ 555 -/- € 116).
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van 27 november 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 439,- per maand moet betalen.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt een bijdrage in haar levensonderhoud van € 810,- bruto per maand, zoals in de beschikking van 4 juli 2025 als voorlopig is vastgesteld. De man heeft zich hiertegen gemotiveerd verweerd.
Omdat partijen, zoals hiervoor berekend, al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een definitieve partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de vrouw vanaf januari 2027 klaar zal zijn met haar studie en zal gaan werken. Daarom waren partijen het met elkaar eens dat zij een vast te stellen partneralimentatie tot die datum zou moeten gelden. Zij hebben de rechtbank gevraagd om een beslissing te nemen over de vraag of de partneralimentatie vanaf die datum al dan niet gelimiteerd zou moeten worden. Nu de rechtbank het verzoek om partneralimentatie afwijst, zal de rechtbank dat niet doen.
Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank in de wijziging voorlopige voorzieningenprocedure zal bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie met ingang van 27 november 2025 op nihil zal worden gesteld.
Huurrecht echtelijke woning
De vrouw verzoekt het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen. De man maakt hiertegen geen bezwaar. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen

Beslissing

De rechtbank:
Zaak 693167 (wijziging voorlopige voorzieningen)
*
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen voorlopige partneralimentatie, zoals die was vastgesteld in de beschikking van 4 juli 2025 en bepaalt deze voorlopige partneralimentatie met ingang van 27 november 2025 op nihil en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
Zaak C/09/688277 (bodemprocedure)
*
spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op
[datum] 2025 in [plaats 1];
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] bij de man zal zijn:
- ieder weekend van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur. Als de man op vrijdagmiddag niet hoeft te werken haalt hij [minderjarige] op, anders brengt de vrouw [minderjarige] . Op zondag brengt de man [minderjarige] terug;
- de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg te bepalen;
en verklaart deze zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 27 november 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] van € 439,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2026 en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woning aan het [adres] ( [postcode] ) te [plaats 2] ;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Hees, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
23 december 2025.