ECLI:NL:RBDHA:2025:27054

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/09/694603 / JE RK 25-1940
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarigen

De rechtbank Den Haag heeft op 23 december 2025 uitspraak gedaan over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2021. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van deze maatregelen voor de duur van een jaar, met het oog op de ernstige zorgen over de veiligheid, psychische gezondheid en opvoedsituatie van de kinderen.

De feiten tonen aan dat de oudste minderjarige sinds mei 2025 verblijft bij een jeugdhulpaanbieder vanwege onveilige omstandigheden in het gezinshuis. Zij vertoont ernstig externaliserend gedrag, waaronder agressie, liegen, suïcidaal gedrag en seksuele onveiligheid. De jongste minderjarige verblijft in een gezinsgerichte voorziening en heeft een groeiachterstand en hechtingsproblematiek als gevolg van trauma en verwaarlozing in de thuissituatie.

De moeder voert verweer tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, met name voor de jongste minderjarige, en stelt dat zij openstaat voor hulpverlening en thuisplaatsing. De kinderrechter oordeelt echter dat de thuissituatie en opvoedcapaciteiten van de moeder onvoldoende zijn en dat verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de kinderen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de verlenging geldt tot 2 januari 2027. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van beide minderjarigen tot 2 januari 2027 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/694603 / JE RK 25-1940
Datum uitspraak: 23 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat: mr. S.L. Prass uit Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • [naam], namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder met haar advocaat.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een videogesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] verblijft in en accommodatie van een jeugdhulpbaanbieder, te weten bij [zorginstelling].
2.3.
[minderjarige 2] verblijft in een gezinsgerichte voorziening.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 januari 2026.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de machtiging verlengd [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 2 januari 2026.
2.6.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 juni 2025 de machtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 januari 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [minderjarige 1] verblijft sinds mei 2025 bij [zorginstelling], omdat er in het gezinshuis – waar zij voorheen met [minderjarige 2] verbleef – geen veilige opvoedomgeving meer kon worden geboden. Er zijn zorgen over de psychische toestand, het gedrag en de seksuele veiligheid van [minderjarige 1]. [minderjarige 1] laat externaliserend gedrag zien. Ze liegt veel, is agressief, uit zich suïcidaal, onttrekt zich aan regels, loopt regelmatig weg van de groep, laat signalen zien van seksuele onveiligheid en seksueel wervend gedrag. Ook zijn de incontinentieproblemen van [minderjarige 1] de afgelopen periode toegenomen. Het gedrag en de klachten van [minderjarige 1] kunnen wijzen op een onveilige situatie, trauma of psychische problematiek. Sinds oktober is er observationele PMT en EMDR ingezet. De diagnostiek wordt afgerond en zal in januari besproken worden. Aan de hand van de uitkomst van de diagnostiek zal verdere hulpverlening worden ingezet. [minderjarige 2] heeft een groeiachterstand van ruim een jaar opgelopen die mogelijk is veroorzaakt door langdurige acute onveiligheid door trauma en verwaarlozing in de thuissituatie bij de moeder. [minderjarige 2] heeft een heel hoge opvoedvraag en behoefte aan veel nabijheid. De gezinshuisouders sluiten hier goed bij aan. GGZ Karakter ziet signalen bij [minderjarige 2] die wijzen op trauma en problematiek rondom de hechting. Het gaat zowel om langdurig trauma als pre-verbaal trauma. [minderjarige 2] is aangemeld voor Sherborne therapie om te werken aan hechting, basisveiligheid en basisvertrouwen. Hij zal deze therapie volgen samen met de gezinshuisouder. In september is [minderjarige 2] gestart op het regulier basisonderwijs gecombineerd met specialistische begeleiding. Daar werd leerbaarheid en sterke motivatie gezien, maar ook dat [minderjarige 2] prikkelgevoelig is en snel afgeleid, moeite heeft met flexibiliteit en aansluiting bij leeftijdsgenoten. Er is een toelaatbaarheidsverklaring afgegeven zodat hij kan starten met passend onderwijs.
3.3.
De kinderen hebben eens per maand een begeleid omgangsmoment met de moeder. Het NIKA-traject is gestart om het schadelijke oudergedrag van de moeder voor haar inzichtelijk te maken. De moeder geeft aan dat zij open staat voor samenwerking, maar zij laat volgens de gecertificeerde instelling geen intrinsieke motivatie en gedragsverandering zien. Ook heeft zij nog geen inzicht gegeven in haar eigen problematiek of behandeling. Dit wijst op een fundamenteel gebrek aan probleeminzicht. De kinderen worden hierdoor voortdurend blootgesteld aan onvoorspelbaar en belastend gedrag, terwijl zij geneigd zijn om de moeder te beschermen en begrip voor haar te tonen. Dit loyaliteitsconflict zorgt ervoor dat de kinderen structureel klem zitten tussen hun eigen welzijn en de wens om trouw te blijven aan de moeder. De moeder heeft de afgelopen periode geen verandering laten zien waardoor de zorgen onverminderd aanwezig zijn. De gecertificeerde instelling acht een thuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan ook niet in hun belang. De gecertificeerde instelling wil het komend jaar starten met het schrijven van een opvoedvisie voor de kinderen.

4.Het standpunt

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling. Er is wel verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De moeder begrijpt niet waarom er niet gewerkt wordt aan thuisplaatsing van [minderjarige 2]. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed, gaat binnenkort naar passend onderwijs en heeft (nog) geen behandeling. De moeder staat open voor hulpverlening en benoemt dat [minderjarige 2] thuis kan worden geplaatst en dat er tegelijkertijd intensieve opvoedondersteuning kan worden ingezet. De moeder krijgt op dit moment individuele hulpverlening vanuit de POH en staat aangemeld op de wachtlijst van GGZ. Deze wachtlijst is echter lang waardoor zij nog niet is gestart met de behandeling. Ze geeft daarbij wel aan dat ze ook open staat voor een persoonlijkheidsonderzoek. Ten aanzien van [minderjarige 1] verzoekt de moeder primair de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair de duur daarvan te bekorten. De moeder maakt zich ernstig zorgen om [minderjarige 1] en het gedrag dat zij laat zien. Het gaat steeds slechter met [minderjarige 1] sinds ze bij [zorginstelling] verblijft en de heftigheid van haar gedrag neemt toe. De moeder vraagt zich af of [zorginstelling] wel een passende plek is voor [minderjarige 1]. Ze ziet graag dat [minderjarige 1], na het afronden van de diagnostiek, wordt thuisgeplaatst zodat [minderjarige 1] vanuit de thuissituatie van de moeder haar behandelingen kan volgen. De moeder benoemt daarnaast dat de communicatie met de gecertificeerde instelling stroef verloopt. Ze wordt weinig geïnformeerd en voelt zich daardoor buitenspel gezet. De moeder geeft ook aan dat het contact met de kinderen steeds verder wordt beperkt. Ook is er nauwelijks contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1].

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is nog altijd sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de periode van 20 juli 2024 tot 9 augustus 2024 uithuisgeplaatst en vervolgens weer thuisgeplaatst. De zorgen in de thuissituatie van de moeder waren echter onvoldoende afgenomen waardoor de kinderen op 17 oktober 2024 opnieuw uit huis zijn geplaatst. [minderjarige 1] verblijft sinds mei bij [zorginstelling]. Er zijn grote zorgen over haar. Bij [minderjarige 1] is sprake van ernstig externaliserend gedrag. [minderjarige 1] heeft moeite met het accepteren van gezag en regels, uit zich agressief, liegt en laat wegloopgedrag zien. Daarnaast zijn er zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige 1] en haar seksuele veiligheid. [minderjarige 1] uit zich suïcidaal, automutileert en laat signalen zien van seksuele onveiligheid. De afgelopen maanden heeft er diagnostiek plaatsgevonden en binnenkort zal de uitkomst worden besproken en worden bepaald welke hulpverlening voor [minderjarige 1] dient te worden ingezet.
5.3.
Naar omstandigheden ontwikkelt [minderjarige 2] zich goed in het gezinshuis. Er wordt gezien dat hij een heel hoge opvoedvraag en behoefte aan veel nabijheid heeft. [minderjarige 2] laat daarnaast signalen zien die wijzen op langdurig en pre-verbaal trauma en er zijn zorgen over hechtingsproblematiek. Om te werken aan hechting, basisveiligheid en basisvertrouwen zijn [minderjarige 2] en de gezinshuisouders aangemeld voor Sherborne therapie welke naar verwachting in de loop van volgend jaar kan starten.
5.4.
De zorgen over het contact tussen de moeder en de kinderen zijn daarnaast onverminderd aanwezig. De moeder belast de kinderen – met name [minderjarige 1] – met volwassenzaken en houdt geen rekening met hun grenzen. Het lukt de moeder daarnaast niet om zich te houden aan de afspraken en te reflecteren op haar gedrag. Het gedrag van de moeder zorgt ervoor dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet toekomen aan hun ontwikkeltaken en in een loyaliteitsconflict blijven. Ook zijn er zorgen over de mogelijkheid die de moeder heeft om haar gedrag te veranderen. Ter zitting is door de moeder naar voren gebracht dat ze achter hulpverlening staat en bereid is dit te volgen. Het is haar echter de afgelopen jaren niet gelukt om de hulpverlening aan te gaan en tot verandering te komen. De thuissituatie van de moeder en haar opvoedcapaciteiten voldoen daardoor nog altijd niet aan de opvoedbehoeften van de kinderen. Een thuisplaatsing van de kinderen is dan ook niet in hun belang.
5.5.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Ook is een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk.
5.6.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 2 januari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 2 januari 2027;
6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 2 januari 2027;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 5 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.