ECLI:NL:RBDHA:2025:27113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.17854
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WavArt. 9 WavArt. 3.31 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 4:84 AwbArt. 69 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening tegen afwijzing gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende docent biologie, diende op 10 september 2024 een aanvraag in voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om in Nederland te werken. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af op 7 november 2024, mede op basis van een negatief advies van het UWV, dat stelde dat niet was voldaan aan artikel 8 van Pro de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).

Eiser stelde beroep in tegen deze afwijzing, maar deed dit op 15 april 2025, wat later was dan de wettelijk voorgeschreven termijn van vier weken na het bestreden besluit van 13 maart 2025. De rechtbank oordeelde dat het beroep daardoor niet tijdig was ingediend. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding te wijten was aan meerdere lopende procedures, een wisseling van gemachtigde en communicatieproblemen, maar de rechtbank vond deze omstandigheden onvoldoende om de overschrijding te verontschuldigen.

De rechtbank verwierp het beroep daarom als niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding om de inhoudelijke beroepsgronden te behandelen. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter J. Smeets op 19 december 2025.

Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Namens het UWV [1] was [naam] als deskundige aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft op 10 september 2024 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). Eiser wil in Nederland werken als docent biologie in het voortgezet onderwijs.
3. Verweerder heeft de aanvraag na een negatief advies van het UWV afgewezen. [2] Hiertoe stelt verweerder dat niet is voldaan aan artikel 8 van Pro de Wav [3] . Zo is er voldoende aanbod aanwezig, is er geen goede vacaturemelding, heeft de werkgever onvoldoende gezocht naar kandidaten, biedt de werkgever geen salaris dat past bij de functie, is er geen goede arbeidsovereenkomst en stelt de werkgever onnodige functie-eisen. [4] Volgens verweerder is er prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig. [5] Verweerder heeft zich hierbij gebaseerd op de negatieve arbeidsmarktadviezen van het UWV van 6 november 2024 en 27 februari 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de procedure naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. De beschikking is ondeugdelijk gemotiveerd en onzorgvuldig tot stand gekomen. Zo heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat er prioriteitgenietend aanbod bestaat, nu de werkgever heeft geconcludeerd dat geen van de 57 beschikbare kandidaten geschikt waren voor de functie. De functie is zeer specifiek en moeilijk in te vullen. Eiser wijst hierbij op de wijziging van het beleid in 2020, waarbij de nadruk werd gelegd op maatwerk. [6] Verweerder heeft gelet hierop nagelaten de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt mee te nemen. Ook heeft verweerder gebruik gemaakt van een facultatieve afwijzingsgrond, maar heeft hij ten onrechte geen belangenafweging gemaakt. Verder heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er geen bijzondere omstandigheden zijn. [7] Eiser heeft in langdurige onzekerheid verkeerd over zijn verblijfsstatus, mede door onduidelijke communicatie vanuit verweerder. Ook heeft verweerder nagelaten om de belangen van de werkgever mee te wegen, nu de school en de leerlingen in een nijpende situatie verkeren door het tekort aan bevoegde biologiedocenten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat eiser zijn beroep te laat heeft ingediend.
7. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van vier weken. [8] Daarbij is van belang dat het beroep binnen vier weken na de datum van de beschikking moet worden ingesteld. Nu eiser later dan vier weken, namelijk op 15 april 2025, beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van 13 maart 2025, stelt de rechtbank vast dat eiser het beroep te laat heeft ingediend. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser – dat eiser meerdere procedures tegelijkertijd had lopen, eiser in bezwaar een andere gemachtigde had en de aanvraag door de referent is gedaan en de post daardoor niet direct naar de gemachtigde is gestuurd – geen aanleiding om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting nog gewezen op een uitspraak [9] van de Centrale Raad van Beroep waarin is geoordeeld dat persoonlijke omstandigheden moeten worden meegewogen. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet kan slagen, nu in onderhavige zaak niet is gebleken van persoonlijke omstandigheden. Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de beschikking van 13 maart 2025 niet-ontvankelijk. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
2.Op grond van artikel 3.31 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (het Vb).
3.Wet arbeid vreemdelingen.
4.Op grond van artikel 8 eerste Pro lid, onder b, c en d en artikel 9, eerste lid onder f van de Wav.
5.Op grond van artikel 8, eerste lid, onder a van de Wav.
6.Zie Kamerstukken II 2020-2021, 35.680, nr. 3 (Memorie van toelichting).
7.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8.Artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
9.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932.