ECLI:NL:RBDHA:2025:27117

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL25.60440
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 23 december 2025 wordt de rechtmatigheid van de voortduren van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling beoordeeld. De rechtbank concludeert dat de minister van Asiel en Migratie voldoende voortvarend aan de uitzetting van de eiser werkt. De eiser had op 9 december 2025 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, die op 28 oktober 2025 was opgelegd. De rechtbank overweegt dat er geen aanleiding is om te concluderen dat er geen zicht op uitzetting is, ondanks dat de Algerijnse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de aanvraag om een laissez-passer. De rechtbank stelt vast dat de eiser onvoldoende heeft bijgedragen aan het verstrekken van informatie over zijn identiteit, wat zijn uitzetting bemoeilijkt. De rechtbank wijst het beroep van de eiser ongegrond en wijst ook het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter W.B. Klaus, in aanwezigheid van griffier J.F.P. van Brunschot.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60440

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Verweerder heeft op 28 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft op 9 december 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek na de behandeling van het beroep op zitting gesloten.

Overwegingen

Waarover gaat deze uitspraak?
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 november 2025 [1] volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 10 november 2025 rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het sluiten van dat onderzoek.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1990.
Werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
3. Eiser betwist dat verweerder voldoende voortvarend aan zijn uitzetting werkt en voert aan dat er daarom ook geen zicht is op uitzetting binnen een redelijk te achten termijn. Al op 17 december 2024 is het laissez-passertraject opgestart met de Algerijnse autoriteiten, maar tot op heden is een reactie uitgebleven. Ondanks opdracht daartoe in de uitspraak van 12 november 2025 [2] door deze rechtbank en zittingsplaats, heeft verweerder ten onrechte nagelaten om bij de Algerijnse autoriteiten op zaaksniveau navraag te doen over de lopende aanvraag om een laissez-passer (lp). Eiser is hierover ook niet geïnformeerd door verweerder.
3.1.
Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij, in het kader van de opdracht om op zaaksniveau navraag te doen, contact heeft opgenomen met de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek voorafgaand aan de behandeling van het beroep ter zitting. De regievoerder heeft toegelicht dat door de Algerijnse autoriteiten momenteel identiteitsbevestigingen worden gedaan en lp’s worden afgegeven, reden waarom nog altijd sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije. In eisers geval is dit nog niet gebeurd. Conform de voorwaarden die zijn gesteld door de Algerijnse autoriteiten, is het echter niet mogelijk om te rappelleren op zaaksniveau. Voor het onderzoek naar de identiteit van een vreemdeling zijn uitsluitend dactyloscopische gegevens vereist. Een presentatie bij de autoriteiten is hiervoor niet nodig. Ook in het geval van eiser kan een reactie van de autoriteiten dus nog volgen. Om zijn aanvraag te staven zou het zinvol zijn om openheid van zaken te geven middels bewijsstukken die zijn identiteit kunnen staven. Eiser spant zich hiervoor echter niet in, aldus de regievoerder.
3.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Dat een reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lopende lp-aanvraag vooralsnog is uitgebleven, maakt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het gelet op de voorwaarden die zijn gesteld door de Algerijnse autoriteiten niet zinvol is om op zaaksniveau te rappelleren. De rechtbank betrekt hierbij dat verweerder, na ter zitting telefonisch navraag te hebben gedaan bij de regievoerder, heeft verklaard dat eisers vingerafdrukken zijn meegestuurd bij de aanvraag om een lp. De Algerijnse autoriteiten zijn aldus in het bezit van dactyloscopische gegevens van eiser. Ook betrekt de rechtbank dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en het lp-traject. Niet is gebleken dat eiser dat in de te beoordelen periode voldoende heeft gedaan. Zo blijkt uit het verslag van het vertrekgesprek van 4 november 2025 dat eiser heeft verklaard bereid te zijn te proberen om via een vriend in het land van herkomst een kopie van het legitimatiedocument te verkrijgen. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 december 2025 blijkt vervolgens dat eiser heeft verklaard dat dit niet gelukt is en dat hij hieraan niets kan veranderen. Daarom komt het voor rekening en risico van eiser dat er geen informatie over zijn identiteit en nationaliteit kan worden overgelegd aan de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verweerder sinds het opleggen van de maatregel tweemaal een vertrekgesprek heeft gehouden met eiser en sinds het opstarten van het lp-traject met de Algerijnse autoriteiten op 17 december 2024 tenminste eenmaal per maand schriftelijk heeft gerappelleerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt en dat er op dit moment geen aanleiding is om te concluderen dat het zicht op uitzetting ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de voortduring van de maatregel van bewaring om een andere reden onrechtmatig?
4. De rechtbank is ook ambtshalve niet gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig voortduurt. Er is ook niet gesteld of gebleken dat het familie- of gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers terugkeer.
Wat is de conclusie?
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
5.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.NL25.53437.
2.NL25.53437.